Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Wie denkt dat hij iets is...
titel : Wie denkt dat hij iets is...
datum : 20 augustus 2017
volledige onderwerp : Galaten 6 : 3, 4
Download deze preek.

Preek over Gal.6,3.4 (Den Ham, 20-8-17; Dalfsen, 27-8-17)

Votum en groet
Ps.122:1,2
10 geboden + de vrucht van de Geest
LB 970
Gebed
L Mat.7,1-12
Ps.141:2-5 (NB)
L Gal.5,24-6,5
Kindmoment
T Gal.6,3.4
Preek
Opw.378
Dankzegging en voorbede
Collecte
Ps.133 (NB)
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

“Wie denkt dat hij iets is, terwijl hij niets is, bedriegt zichzelf”. Het is een beetje een droge opmerking. Misschien moest je er wel wat om glimlachen. Maar wat spreekt je dan zo aan? Het is in elk geval een perfect argument om de ander op afstand te houden. Denk maar niet dat jij iets bent. Want als je ondertussen niks bent, hou je jezelf mooi voor de gek. Zo staat het ook in de Bijbel in Gewone Taal: “Denk (maar) niet dat je zelf beter bent dan anderen, want dan bedrieg je jezelf”. Maar dan is de grap eraf. Alsof Paulus niet meer zou willen zeggen dan dat gezegde dat elke vorm van betrokkenheid op een ander bij voorbaat doodslaat: Wie met één vinger wijst naar de ander, wijst met drie vingers naar zichzelf. Als dat waar is dan kun je maar beter ophouden met de vinger naar iemand te wijzen? Maar zou dat echt Paulus bedoeling zijn?
Misschien kun je wel zeggen dat Paulus vindt dat je niet met de vinger naar iemand moet wijzen. Maar het verband laat zien dat Paulus allerminst wil zeggen dat je maar niet te veel naar een ander moet kijken omdat je je handen al vol hebt aan jezelf. Je moet wel degelijk kijken naar een ander. Want vlak voor de tekst voor de preek zegt de apostel immers: “Draag elkaars lasten, zo leeft u de wet van Christus na”. Je hebt Paulus dus niet goed begrepen als je tegen een ander zegt: “Bemoei je met jezelf, man! Want wie denkt dat hij iets is, terwijl hij niets is, bedriegt zichzelf”. Want wij moeten ons wel degelijk met elkaars bemoeien. Maar dan ook heel letterlijk. Als je de last van de ander draagt, word je daar zelf ook moe van. Dat word je niet als je met de vinger wijst naar de last die de ander moet dragen. Dat word je wel als je je schouder zet onder de last die de ander moet dragen. Dan pas leef je de wet van Christus na.
Opvallend dat Paulus het hier heeft over ‘de wet van Christus’. Hij had ook gewoon ‘de wet’ of de wet van God’ kunnen zeggen. Net als in het vorige hoofdstuk, waar hij schreef: “Dien elkaar in liefde, want de hele wet is vervuld in één uitspraak: Heb uw naaste lief als uzelf”. Als hij het nu niet heeft over de wet, maar over de wet van Christus, bedoelt hij dat Christus zich heel de tijd van zijn leven op aarde aan die wet gehouden heeft. Wil je weten wat Gods wet inhoudt, dan moet je naar Jezus kijken. Wil je jezelf aan die wet houden, dan moet je in Jezus geloven. Want alleen als je door het geloof aan Jezus verbonden bent, zul je kunnen volbrengen wat de wet van je eist (vgl. Rom.8,4)
Waar gaat het nou om in die wet van God? Wat is het doel van al die voorschriften en bepalingen? Toen iemand aan Jezus die vraag stelde, gaf hij een antwoord dat de meesten van u wel kunnen dromen: “Heb de heer, uw God lief met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: Heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de wet en de profeten staat”. Dus God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. Het probleem is alleen dat als je God moet liefhebben boven alles, de liefde voor je naaste automatisch op de tweede plek komt. Maar die conclusie trekt dus Jezus niet. Want het tweede gebod: je naaste liefhebben als jezelf, is gelijk aan het eerste gebod: God liefhebben met alles wat je in je hebt. Hoe kan dat? Het een moet toch wel ten koste gaan van het ander? Maar op het moment dat dat gebeurt, hou je je niet langer aan de wet van God. Daarom kan Paulus ook zeggen dat de wet niet vervuld is in twee uitspraken, maar in één uitspraak: “Heb uw naaste lief als uzelf”.
Alleen bij Christus gingen de liefde voor God en de liefde voor de naaste volmaakt samen.
Omdat Hij God zo liefhad, had hij de mensen zo lief. Omdat Hij God gehoorzaamde, diende Hij de mensen. Zo heeft Christus de wet van God niet alleen vóór ons gehouden, maar zo heeft Christus de wet van God ook áán ons vóórgehouden, in de Bergrede. Een stukje daaruit hebben we samen gelezen. In dat stukje gebruikt de Here Jezus een beeld dat hetzelfde zegt als Paulus in de tekst van deze preek. Maar omdat Hij een beeld gebruikt, een absurd beeld zelfs, werkt het nog meer op onze lachspieren:
“Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? Hoe kun je tegen iemand zeggen: ‘Laat mij die splinter uit je oog halen’, zolang je nog een balk in je eigen oog hebt? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen”.
Door zo`n absurd beeld te gebruiken liep de Here Jezus het risico dat zijn hoorders alleen maar lachten. “Haha, haal eerst die balk uit je eigen oog. Dat is een goeie, die moet ik onthouden voor als iemand wat op me aan te merken heeft”. Toch heeft de Here Jezus dat beeld van die balk in het oog niet gedoeld als een stok om de hond mee te slaan. Dat blijkt als je de conclusie leest die hij trekt aan het slot van het hoofdstuk dat we gelezen hebben: ”Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de wet en de profeten”.
In het Nederlands is dat een spreekwoord geworden: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Toch zegt Jezus het precies andersom. Niet: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet, maar: Wat gij graag wilt wat u geschiedt, doe dat ook een ander wél.
Stel dát je een splinter in je oog hebt, zou je dan graag willen dat die ander een balk in zijn oog had, zodat híj die splinter er in elk geval niet uit kan halen? Dat lijkt een rare reactie. Toch reageren veel mensen wel zo raar. “Er zal aan mij vast wel iets mankeren, maar dat hoef ik niet van jou te horen. Want jij deugt al helemaal niet. In mijn oog zit misschien een splinter, maar in jouw oog zit een balk”. Maar al zit er honderd keer een balk in het oog van die ander, dat betekent niet dat er met jouw oog niets aan de hand is. Die splinter moet eruit, voordat je oog ontstoken raakt. Je moet er toch niet aan denken dat een oog kwijtraakt, omdat je je niet aan de splinter in je oog wilde laten helpen? Toch loopt het daar weleens op uit. Ook hier.
Je weet echt wel dat je huwelijk geen rozengeur en maneschijn is. Maar geen haar op je hoofd die eraan denkt om hulp te zoeken. Want wat zouden de mensen daar wel niet van zeggen, als ze ervan hoorden? Ondertussen zweert die splinter in je oog door. Tot je er niet meer onderuit kunt om voor je probleem uit te komen. Maar dan is het al te laat en is er geen redden meer aan.
Wat maakt het nu zo moeilijk om je door een ander te laten helpen? Zou het punt niet zijn dat jij dan de zwakke bent en de ander de sterke? Je zou liever hebben dat het andersom was…
Dat laatste zinnetje schreef ik haast gedachteloos op. Maar eenmaal op papier, gaf het me veel stof tot nadenken. Ook over Den Ham. Want de bereidheid om een ander te helpen is hier opvallend groot. Maar is de bereidheid om je door een ander te láten helpen net zo groot? Misschien moet je hier een tijd wonen voor je dat op gaat vallen. Bijna iedereen wil wel helpen, maar bijna niemand wil geholpen worden. Gelukkig betekend dat niet dat er in de praktijk dus niemand geholpen wordt. Want heel veel hulp wordt niet aangeboden, maar gewoon verleend. Daar zit veel wijsheid in. Want als je de ander zou vragen of hij hulp nodig heeft, dan zou hij je aanbod bijna zeker afslaan. Hij redt zich best. Terwijl je allebei weet dat dat niet waar is. Daarom is het beter de ander de vernedering te besparen hardop te moeten zeggen dat hij hulpbehoevend is, en gewoon aan te pakken.
Daar zouden mensen uit mijn vorige gemeente wat van kunnen leen. Want daar werd makkelijk gezegd: “Als ik je ergens mee kan helpen, moet je het zeggen, hoor”. Maar als je niet wat zegt, is er ook bijna niemand om je te helpen.
Begrijp me goed, het is niet mijn bedoeling om een vraagteken te zetten bij wat een sterke kant is van Den Ham. Ik zou alleen willen dat de zwakke kant van Den Ham even opvallend was als de sterke kant. Dan zouden we hulpvaardig kunnen zijn omdat we geleerd hebben hulpbehoevend te zijn. Dat kan de cultuur je niet leren. Dat moet het evangelie je leren. Ik geloof dat Paulus daarop doelt wanneer hij zegt: “Wie denkt dat hij iets is, terwijl hij niets is, bedriegt zichzelf”.
Leert het evangelie je dat je niets bent? Nee. Het evangelie leert je wel dat je zonder God niets bent, maar het evangelie leert je niet dat je zonder God bent. Het leert je juist dat God ons zelf opgezocht en uit ons isolement gehaald heeft. Niet omdat wij dat verdienden, maar omdat Hij om ons gaf (vgl. Tit.3,4.5a). Ergens anders kan de apostel dan ook schrijven: “Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op als of u het zelf verworven hebt?” (1Kor.4,7) Paulus wil maar zeggen: Kijk eens hoeveel je gekregen hebt om elkaar mee te helpen. Maar als je elkaar helpt, doe dat dan als iemand die zelf weet hoe het is om hulpbehoevend te zijn.
Er is echter nog een kant aan Paulus woorden waar ik u graag bij wil bepalen. Want misschien weet u zich tegenover God wel hulpbehoevend. Toch kan het kan het best zijn dat je tegenover God wel klein wilt zijn maar tegenover je naaste? Nooit een keer! Voor God weet je je klein, maar voor je naaste hou je je groot. Hoe echt is die kleinheid dan?
Net als voor de Here Jezus zijn voor de apostel Paulus de verhouding tot God en de verhouding tot de naaste niet twee dingen, maar één ding. Voor hem is het ondenkbaar dat je je tegenover je naaste heel wat voelt, als je toch weet dat alles waar je goed in bent een gave van God is.
Dat is de lading van die woorden: “Wie denkt dat hij iets is, terwijl hij niets is, bedriegt zichzelf”. Want het antwoord op de vraag wie je bent en wat je kunt is alleen te vinden in de relatie met God. Hoe kun je in de relatie met je naaste dan heel iemand anders zijn? Beschik je dan ineens over kwaliteiten die je niet geschonken zijn? Kun je je erop laten voorstaan dat je die allemaal zelf verworven hebt? Als je met zo’n houding je broeder of zuster te hulp schiet, gaat het wringen. Luther zegt in zijn verklaring over onze tekst: Dan ben je tegenover de ander opeens iemand die geen vergeving nodig heeft. Maar als je dat denkt, bedrieg je jezelf.
“Laat daarom iedereen zijn eigen daden toetsen, dan zul je alleen voor jezelf iets hebben om trots op te zijn”. Let op: Paulus zegt niet dat als je eens kritisch naar jezelf kijkt, dat je dan niets vindt om trots op te zijn. Die indruk wekt onze Bijbelvertaling wel, als hij zegt dat je dan misschien iets vindt om trots op te zijn. Alsof de kans daarop natuurlijk heel klein is. Ik houd hier de oude vertaling maar aan, die zei: Ieder moet zijn eigen werk toetsen, “dan zal hij slechts voor zichzelf stof tot roemen hebben en niet voor een ander”.
Paulus wil helemaal niet zeggen dat als je eens kritisch naar je eigen prestaties kijkt, je wel tot de conclusie moet komen dat het weer niets voorstelde. Er zijn wel degelijk dingen waar je trots op kunt zijn. Maar wees het dan voor jezelf, niet voor anderen. Luther zegt in zijn uitleg: “Wie door iedereen geëerd wil worden en van een ander geen tegenspraak kan verdragen, roept irritatie op. Als ze je beter leren kennen, komen ze erachter dat er niets achter die trots ziet”. Wat had er dan achter die trots moeten zitten? Dankbaarheid misschien? Want ook als je er hard voor hebt moeten werken, is het nog steeds de Here God die je werk gezegend heeft. Maar als je er niet hard voor hebt hoeven werken en de mensen zeggen dat je allemaal aan komt waaien, dan heb je helemaal alle reden om met Paulus te zeggen: “Wat heb ik dat ik niet ontvangen heb?”

Zo meteen gaan we zingen: “Ik wil jou van harte dienen”. Er zijn mensen die moeite hebben met de tweede regel: “en als Christus voor je zijn”. Dat zou terecht zijn als die eerste regel er niet vóór had gestaan: “Ik wil jou van harte dienen”. Toch zou het beter zijn om je af te vragen of je ook moeite hebt met de derde en de vierde regel: “Bid dat ik genade vind dat jij het ook voor mij kunt zijn”. Want daarmee zing je dat je niet alleen die ander graag wilt helpen, maar dat je je ook door de andere wilt laten helpen. Want dat is net zo goed genade. Het is genade te mogen geven, maar het is net zo goed genade te mogen ontvangen.
Wij leven van genade, zeggen we vaak. Maar dat kan alleen waar zijn als je geleerd hebt genade te ontvangen. Leven van genade, laat dat dus niet alleen in de omgang met God, maar ook in de omgang met elkaar waar mogen zijn.

Amen