Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Ons gedenken en Gods gedenken (Eeuwigheidszondag)
titel : Ons gedenken en Gods gedenken (Eeuwigheidszondag)
datum : 22 november 2020
volledige onderwerp : Klaagliederen 5 : 19 - 22
Download deze preek.

Overdenking van Klaagl.5,19-22 (Den Ham, 22-11-20, Eeuwigheidszondag)

Votum en groet
LB 217 (De dag gaat open voor het woord des Heren)
De tien geboden in gewone taal
LB 119a (Uw woord omvat mijn leven)
Gebed
L Klaagl.5
GK 13
T Klaagl.5,19-22
Overdenking
GK 102:6,7,8 (Gij, Heer, troont te allen tijde)
Eeuwigheidszondag
• Inleiding
• Zingen: Ps.25:2 (Oude berijming: HEER, ai, maak mij uwe wegen)
• Gedenken van Rien Zuidema en Martha Bosch-Bartels
• Stilte
• Gedicht
• Opw.770 (Hoe wonderlijk mooi is uw eeuwige naam)
Dankzegging en voorbede
Collectemoment
GK 209 (U zij de glorie)
Zegen

In deze eerste helft van het seizoen volg ik een cursus verlieskunde. Hoe kun je mensen helpen die een verlies geleden hebben? Dat kan het verlies van een geliefde zijn, maar ook het verlies van je werk, van een relatie, van een lichaamsdeel. Een mijn medecursisten heet Joke. Zij is logopediste en begeleidt mensen die hun spraak verloren hebben. Voor de overledenen op de instelling waar ze werkt heeft ze een lied geschreven en gezongen, dat ik u graag wil laten horen.

[Joke Arends – Duizenden herinneringen]

Ik denk dat dit lied bij iedereen wel een snaar raakt. Het kan wel zijn dat de laatste regels voor sommigen van u wat ongemakkelijk voelen. “Vergeet me niet, hou mij in gedachten. Dan leef ik voort, al ben ik weg”. Die woorden wekken de indruk dat je na je dood alleen in de herinneringen van de mensen die achterblijven kunt voortleven. Is dat niet wat mager? Want zoveel tijd gaat er niet overheen voor hier op aarde ook de herinnering aan jou vergeten is. Maar er is toch ook nog zoiets als een eeuwig leven in de hemel?
Dat geloof ik ook, en ik wil daar zo meteen graag iets meer over zeggen. Toch houden ook wij vandaag Eeuwigheidszondag om een oudere broer en zus die uit ons midden weggenomen zijn, niet te vergeten. Ik zou best een bijbeltekst kunnen aanhalen om uit te leggen waar dat goed voor is. Maar het geloof dat wij mensen door God geschapen zijn, is al reden genoeg om stil te staan bij hen die overleden zijn. God heeft hen gewild en daarom deed het ertoe dat ze er waren. Mensen zijn gemaakt om in hun doen en laten het beeld van God te vertonen. Allemaal krijgen we van God de verantwoordelijkheid over een stukje van zijn schepping. Allemaal moeten we zorg dragen voor de mensen die Hij op onze weg plaatst. Beeld van God zijn we als in de manier waarop we leven iets zichtbaar wordt van Hem die liefde is.
Nu zeggen we in de kerk dat dat beeld van God door de zonde beschadigd is geraakt. Maar ook een spiegel waar scheuren en barsten in zitten, kan nog steeds het licht weerkaatsen. In een liefdeloze wereld voltrekt zich nog altijd het wonder van de liefde. De herinnering daaraan willen we vasthouden, als we terugdenken aan Rien Zuidema en Martha Bosch. In hun onvolmaaktheid waren zij mooie mensen, die in de liefde die ze gaven en kregen iets lieten zien van de eeuwige God. Rien met zijn jongensachtige onbevangenheid, Martha met haar bescheiden zorgzaamheid.
“Weet je nog, onder de sterren? Weet je nog, aan het strand? Weet je nog, die verjaardag? Weet je nog, hand in hand?” Als Joke je dat toezingt, herinnert ze niet aan dingen die te klein zijn om in de kerk vermeld te worden. Juist in de kerk zouden we moeten weten dat ons leven voor God niet pas de moeite waard is als we grootse dingen verrichten. Want had ik de liefde niet – zegt de apostel Paulus ergens (1Kor.13,1-3) – dan stelden al die grootse dingen niets voor. De sterren aan de hemel, de golven op het strand zijn van zichzelf al groots. Maar wat kijk je er met andere ogen naar als je er met je geliefde naar kijkt. Daarom doet het ook zo’n pijn als ‘aan het strand’ niet meer rijmt op ‘hand in hand’.
Toch voel je in die pijn nog steeds iets van Gods eeuwige liefde. De Duitse geloofsheld Dietrich Bonhoeffer zegt in een brief uit de gevangenis zo:

Als je van iemand houdt
en je bent door de dood van elkaar gescheiden,
dan is er op de wereld niets en niemand,
die de leegte van de afwezigheid kan vullen.
(…)
Zeg niet: “God zal de leegte vullen”,
want – geloof me – dat doet Hij niet.
Integendeel: Hij houdt de leegte leeg
en helpt ons om zo de vroegere gemeenschap
met elkaar te bewaren, zij het ook in pijn.

Je voelt pijn, omdat je nog steeds van hem of van haar houdt.

Ik geloof dat dat het punt is in die woorden waarmee het bijbelboek Klaagliederen besluit. Daarin staat de verbijsterend vraag: “Waarom zou u ons voorgoed vergeten, ons voor altijd verlaten?” Eigenlijk is dat dezelfde vraag die Joke stelt in haar lied: “Vergeet me niet”. Alleen wordt die vraag door de dichter van het boek Klaagliederen niet aan mensen, maar aan God gesteld. Ook als je niet gelooft in God, is die vraag verbazingwekkend. Want als God bestaat, moet Hij toch alles nog weten? Een vergeetachtige God, dat bestaat niet.
Een gelovige is daar misschien iets minder zeker van. Want anders dan bij mensen is bij God vergeven ook vergeten. De profeet Micha zegt het zo: “Onze zonden werpt u in de diepten van de zee” (Micha 7,19). Maar ik zou dat wonder ook kunnen omschrijven met de woorden van een lied uit ons kerkboek:

God, U kende ons in Christus
voor de wereld werd gemaakt,
in uw ogen werd het zichtbaar
dat u mensen niet kunt missen:
liefde heeft ons aangeraakt (GK 219:1).

God kent ons dus niet zoals we van onszelf zijn, maar zoals we in Christus zijn: zijn kinderen, die net als Christus in zijn ogen geen kwaad kunnen doen. Gods geheugen wordt dus gekleurd door zijn liefde.
En juist dat vraagt de dichter van de Klaagliederen zich af. Hij rouwt over de val van Jeruzalem. Maar rouwt God wel met hem mee? Is Hij wel een God die mensen niet kan missen? Want als je ziet hoe tussen de puinhopen van Jeruzalem man en vrouw, jong en oud, vernederd en onteerd wordt, lijkt het er meer op dat God zijn kinderen aan hun lot overlaat. Hij mist hen niet meer, want Hij houdt niet meer van hen.
Zo’n honderdvijftig jaar nadat de dichter van het boek Klaagliederen zijn boek in wanhoop besloot, kwam in Griekenland een denker tot de conclusie dat almacht en liefde niet samengaan. Als God almachtig is, kan Hij geen liefde zijn. En als Hij liefde is, kan Hij niet almachtig zijn. De meeste christenen durven die knoop niet door te hakken. Maar als ze het toch doen, kiezen ze tegen een God die almachtig is en voor een God die liefde is. Toen er naast het nieuwe liedboek ook aan liedbundel voor het vrijzinnige christendom verscheen, schreef een recensent: “Voor vrijzinnigen zal het liedboek ‘Zangen van zoeken en zien’ een ware opluchting zijn: eindelijk eens liederen die niet over de almachtige God gaan”. Maar de dichter van de Klaagliederen lijkt zich af te vragen of de keuze niet precies andersom uit zou moeten vallen. Als God almachtig is, is Hij dan wel liefde? Het blijft bij een vraag. Het boek eindigt er zelfs mee: “Hebt u ons werkelijk geheel en al verworpen, is uw toorn tegen ons onbegrensd?” Je voelt hoe de dichter na dat vraagteken denkt: “Dat kan toch niet waar zijn?” Maar hij zegt het niet. Waarom niet?
Ik denk dat God ons over die – voor ons gevoel bijna goddeloze – vraag wil laten nadenken, omdat Hij ons ervan wil laten beseffen dat liefde nooit vanzelfsprekend kan zijn. Liefde van mensen is al een wonder. Hoe zou de liefde van God dat dan niet zijn? Wij kunnen met ons verstand best beredeneren dat God almachtig moet zijn om God te kunnen zijn. Maar wij kunnen niet met ons verstand beredeneren dat God van ons moet houden moet zijn om God te kunnen zijn.
Toch hoopt de dichter van Klaagliederen 5 daar wel op. Want hij opent zijn slotcouplet met de belijdenis: “Maar u, HEER, zetelt voor eeuwig, uw troon staat vast van geslacht op geslacht”. Je zou kunnen denken dat hij daarmee bedoelde: “Ook al ligt uw huis op aarde nu in puin, gelukkig ligt uw huis in de hemel dat niet”. Toch denk ik niet dat dat zijn bedoeling is. Want waarom liet God dan een huis op aarde bouwen? Toch omdat Hij pas zichzelf was als Hij onder de mensen was? Als Hij zijn woonhuis op aarde in brand laat steken, kan Hem dat toch niet koud laten? Als Klaagliederen 5 op aarde klinkt uit de mond van een mens die God mist, moet er toch ook een Klaagliederen 5 in de hemel klinken uit de mond van een God die zijn mensen mist?
Naar dat geheimenis tasten de vragen waar het boek Klaagliederen met eindigt. En al laat dat geheimenis zich nauwelijks in woorden vaten, het geeft toch zin aan ons gedenken van hen die in het afgelopen jaar uit ons midden zijn weggenomen. Misschien denkt u thuis wel aan anderen die u nog maar kort of al zolang moet missen. Onze herinneringen zijn net zo beperkt houdbaar als wijzelf. Met ons sterven ook onze herinneringen. Maar wat nu als ons gedenken is opgenomen in Gods gedenken?
Dat goddelijke gedenken is er. Klaagliederen 5 opent ermee: “Gedenk, HEER, wat ons is overkomen, merk toch op, zie onze smaad”. Het gaat me wel duizelen als ik me probeer voor te stellen dat God onze geliefden gedenkt als wij hen gedenken. Want met ons gedenken kunnen we onze geliefde niet terughalen. Maar ik geloof dat dat met Gods gedenken wel zo is. Jezus wijst daarop als Hij zegt wat het betekent dat God zich de God van Abraham, Isaak en Jakob noemt. “Hij is geen God van doden maar van levenden, want voor Hem leven ze allemaal” (Luc.20,38, WBV).
Om ons daar iets bij voor te kunnen stellen, stamelen we van een lichaam in de aarde en ziel in de hemel. Maar wat die ziel is? Zou het zo kunnen zijn dat die ziel de mens is zoals God die Zich herinnert? Het is dezelfde mens als die wij ons herinneren, maar dan heel anders. Want wie kent ons zo goed als Hij? Wie kent ons met zoveel liefde als Hij?

De Eeuwigheidszondag valt op de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Volgende week beginnen we aan een nieuw kerkelijk jaar, met de eerste adventszondag. Vandaag een roos als teken van de liefde die blijft, volgende week een kaars als teken van het licht dat komt. Jezus’ komst in de wereld is Gods antwoord op de vraag waar het boek Klaagliederen mee besluit.
Het is wel echt een antwoord van God. Want wie had kunnen vermoeden dat Gods antwoord op de vraag: “Is uw toorn tegen ons onbegrensd”, zou bestaan in Hem die die toorn voor ons gedragen heeft? God is bij ons gekomen in een mens die is neergedaald in de dood, om voor ons de weg naar het leven te openen.

Een Kind is ons geboren!
De Koning wordt een knecht!
God zoekt, wat was verloren,
brengt ons voorgoed terecht.
Al lijkt het duister machtig,
zijn liefde licht ons bij.
Gods redding is waarachtig,
zijn goedheid maakt ons vrij (Jochen Klepper, vertaling: Titia Lindeboom).

Amen.