Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Dank aan de Vader van de lichten (Dankdag)
titel : Dank aan de Vader van de lichten (Dankdag)
datum : 6 november 2019
volledige onderwerp : Jakobus 01 : 17
Download deze preek.

Overdenking van Jak.1,17 (Den Ham, Dankdag 2019)

Votum en groet
GK06 149 (Zie ik sterren aan de hemel staan)
Gebed
L Jak.1,1-18
Ps.66:3,5,7 (Doe onze God uw loflied horen)
T Jak.1,17
Overdenking
LvK 465:1,2,5 (Van U zijn alle dingen)
Dankgebed 1
Ps.136:1-8,20,21 (in beurtzang VM, refreinen A) (Loof de Heer, want Hij is goed)
Dankgebed 2, uitlopend op
LB 1006 (Onze Vader in de hemel)
Collecte
LB 885 (Groot is uw trouw, o Heer)
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

“God geeft alleen maar goede dingen”. In de Bijbel In Gewone Taal staat dat kopje boven de tekst voor deze overdenking. Dat is zo eenvoudig, dat ik er de kriebels van kreeg. Maar ik vroeg me ook meteen af: Hoe komt het dat je daar de kriebels van krijgt? Want meen ik dan dat God niet alleen goede dingen, maar ook slechte dingen geeft? Daar schrik ik toch ook weer voor terug. Maar als ik niet kan geloven dat God ons slechte dingen kan geven, waarom dan niet zeggen dat God alleen maar goede dingen geeft?
Waarschijnlijk hik ik daar wat tegenaan omdat er geen mens is die alleen maar goede dingen ontvangt. Ook nu we God vandaag danken voor zijn zegen over de oogst en over ons werk, wanneer we terugdenken aan het afgelopen jaar schieten ons niet alleen goede dingen te binnen, maar ook dingen waar we het te kwaad mee hadden. Om dan te zeggen dat God dus alleen maar goed dingen geeft?
Toch weet Jakobus ook wel dat zijn lezers het moeilijk hebben. Want hij schrijft zijn brief juist om hun een hart onder de riem te steken. “Aan de twaalf stammen in de verstrooiing”, staat er bovenaan zijn brief. Het zal hier gaan om leden van de eerste gemeente in Jeruzalem. Na de steniging van Stefanus waren ze gevlucht, om in Galilea, Libanon en Syrië een veilig heenkomen te vinden. Al hun bezittingen hadden ze achter moeten laten. Maar door de mensen bij wie ze hun toevlucht zochten werden ze vervolgens uitgebuit. Geen wonder dat die arme mensen bij zichzelf zeiden: “Dat geloof in Jezus heeft ons alleen maar ellende gebracht. Ik merk er niks van dat Jezus Heer is, want Hij laat ons in de kou staan. Kan ik mijn vertrouwen in Hem maar beter niet weer opzeggen? Dan krijg ik het vast beter dan nu”.
Maar Jakobus zegt dat de verleiding om maar weer met het geloof te breken niet van God komt. “Want God stelt niemand aan verleiding bloot, zoals hij zelf ook niet door iets slechts in verleiding kan worden gebracht. Iedereen komt in verleiding door zijn eigen begeerte, die hem lokt en meesleept. Is de begeerte bevrucht, dan baart ze zonde; en is de zonde volgroeid, dan brengt ze de dood voort. Geliefde broeders en zusters, vergis u niet: elke goede gave, elk volmaakt geschenk komt van boven, van de Vader van de hemellichten; bij hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen”.
Daarmee heeft Jakobus inderdaad gezegd dat van God alleen goede dingen komen. Maar het mag duidelijk zijn dat hij dat niet zegt omdat het altijd even gemakkelijk is om dat te blijven geloof. Niet voor niets zegt hij: “Geliefde broeders en zusters, vergis u niet”. Hij voelt blijkbaar wel aan dat de verleiding soms groot is om dat hele geloof in een goede God maar op te geven. Maar daar wil hij dan ernstig tegen waarschuwen. Want “God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis”. Zo zegt de apostel Johannes het in zijn eerste brief. Jakobus zegt hetzelfde, maar dan anders. Want hij noemt God ‘de Vader van de hemellichten’.
Een heel bijzondere naam voor God. Wij zouden God eerder de Schepper van de hemellichten noemen dan de Vader van de hemellichten. Maar Jakobus gebruikt deze naam om ermee aan te duiden dat het licht dat op de eerste scheppingsdag ging schijnen uit God zelf voortkwam. Het licht is geboren uit God die zelf licht is. Daarom mag het zonlicht dat elke morgen weer gaat schijnen er een teken van zijn dat Gods liefde er weer voor ons is, zoals die er voor ons was en er voor ons zal zijn.
Jakobus drukt dat uit met de woorden: bij God “is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen”. De Statenvertaling sprak van “de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkeer”. Die woorden kent u wel uit het lied: “Groot is uw trouw, o Heer, mijn God en Vader. Er is geen schaduw van omkeer bij U”. Wat Jakobus bedoelt met die “schaduw van omkeer” is niet helemaal zeker. Maar waarschijnlijk denkt hij aan een verschijnsel als een zonsverduistering. Nu weten wij dat de zon ook dan wel schijnt. Alleen staat de maan net tussen de zon en de aarde in. Waarschijnlijk wist Jakobus dat nog niet en dacht hij dat de zon zijn stralen soms introk (vgl. Joël 2,10). Maar hoe het ook zij, het licht dat God zelf is, kan nooit in duisternis anderen. Of om een oud avondlied aan te halen, waarin de Zoon van God aangeroepen wordt:

O grote Christus, eeuwig licht,
niets is bedekt voor uw gezicht,
die ons bestraalt waar wij ook gaan,
al schijnt geen zon, al licht geen maan (GK06 134:1).

Zelfs als de hemellichten niet schijnen, straalt onveranderd het licht van Gods liefde dat Hij in Christus ontstoken heeft. Ook als je dat niet altijd kunt ervaren, mag je het toch altijd geloven. Als je op Hem blijft vertrouwen, wordt het toch weer licht in je hart. Als alles duister is, ontsteekt Gods Geest een lichtend vuur dat nooit meer dooft (LB 598).
Toch hebben we in het afgelopen jaar niet alleen hoeven gelóven dat God onveranderlijk van ons houdt; we hebben het ook mogen ervaren. Want de goede gaven en de volmaakte geschenken waar Jakobus het over heeft, die waren er toch wel degelijk. “Elke goede gave, elk volmaakt geschenk”, het zijn zulke grote woorden dat we ze misschien liever vermijden. Want wat is nu echt goed en wat is nu echt volmaakt? Toch is Jakobus wat minder zuinig met die grote woorden. Want hij verbaast zich niet over het kwade dat er is, maar over het goede dat er is.
Daarin kunnen we nog wel wat van hem leren. Ook ik. Ik begon deze overdenking immers met de moeite die ik voelde bij het kopje ‘God geeft alleen maar goede dingen’. Want als God alleen maar goede dingen geeft, waarom zijn er dan ook kwade dingen? Als die niet van God komen, waar komen ze dan wel vandaan? Ik ga ervanuit dat ik niet de enige ben die die vraag voelt opkomen, als hij Jakobus leest. Het is een vraag die veel mensen bezighoudt: unde malum, waar komt het kwade toch vandaan? Maar dat zegt meer over ons dan over Jakobus. Want wij gaan er blijkbaar vanuit dat we het goed moeten hebben en worden opstandig als we het niet goed hebben. Maar Jakobus gaat er niet vanuit dat wij het goed moeten hebben en daarom kan hij dankbaar zijn voor al het goede dat hij desondanks ervaart. Zijn vraag is: unde bonum, waar komt het goede toch vandaan? In al die grote en kleine dingen die hij mag ontvangen herkent hij de hand van God. Goede gaven, volmaakte geschenken van de Vader van het licht voor onvolmaakte mensen in een onvolmaakte wereld.
We zijn er onlangs wel weer bij bepaald dat wij voor de onvolmaaktheid van deze wereld maar niet te hard met de vinger naar God moeten wijzen. Tot een paar week geleden had ik nog nooit van PFAS gehoord. Nu blijkt dat goedje overal in de grond te zitten. Stikstof was er altijd al. Maar we komen er ineens achter dat er te veel stikstof in de lucht zit op plaatsen met te veel auto’s of te veel koeien. Overal in het dichtbevolkte Nederland dus. Ik voel geen enkele behoefte om daar de schouders over op te halen. God heeft weliswaar beloofd dat Hij nooit meer een zondvloed over de aarde zal brengen (Gen.9,8-17), maar daarmee heeft Hij niet gezegd dat wij dus ook niet een zondvloed over de aarde zullen brengen. In de dagen van Noach moest je daarvoor God zijn, maar in onze dagen hoef je daarvoor slechts een mens te zijn die de gevolgen van zijn eigen handelen niet kan overzien en soms ook niet wil overzien.
Het lijkt me daarom goed eraan te herinneren dat elke goede gave en elk volmaakt geschenk niet van beneden, maar van boven komt. Ik las over de tekst voor deze overdenking ook een preek van Meister Eckhart, een mystieke prediker die leefde rond het jaar 1300. Ik kon helemaal niets met die preek. Tot ik bij het slot kwam. Dan zegt Eckhart ineens: Elke goede gave, elk volmaakt geschenk komt van boven. “Nog iets over die woordjes ‘van boven’. Wie iets van boven wil ontvangen, moet dus onderaan gaan staan”. Amen.