Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Wees Obaja / Elia
titel : Wees Obaja / Elia
datum : 16 juni 2019
volledige onderwerp : Kolossenzen 4 : 5, 6
Download deze preek.

Preek over Kol.4,5.6 (Den Ham, 16-6-19; Lutten, 23-6-19; Koekange, 28-7-19; Nieuwleusen, 18-8-19; Zwartsluis, 1-9-19; Frysk: Drachten-E, 13-10-19; Droegeham, 17-10-19)

Votum en groet
ELB 218 (Samen in de naam van Jezus)
10 geboden
GK 249 1,3,5,9 (God die was en is en komt)
Gebed
L 1 Keningen 19,1-19
Opw.407 (Hoe groot zijt Gij)
T Kol.4,5.6
Preek
Opw.687 (Heer, wijs mij uw weg)
Dankzegging en voorbede
Collekte
GK 119:16-18 (Stort over mij uw goedertierenheid)
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Toen ik zou beginnen met het maken van deze preek, schoot me ineens te binnen dat ik nog niet zo lang geleden Elia en Obadja tegengekomen was in een boek dat ik gelezen had. Maar welke boek was dat ook maar weer. Ik ging in mijn hoofd de romans langs die ik de laatste tijd gelezen had en kwam uit bij… Bartje! Die ken je wel, dat jochie dat niet voor bruine bonen wilde bidden. In het tweede boek gaat Bartje het huis uit om jongste knecht te worden bij in boer in een ander Drents dorp. Daar leerde hij een man kennen die Arend-Jan heette. Arend-Jan is maar een kleine boer, maar hij durft ook tegen grote boeren te zeggen waar het op staat. Want hij wil zich alleen laten leiden door wat het woord van God zegt over recht en krom. Bartje bewondert Arend-Jan daar geweldig om. Hij wordt zijn grote voorbeeld.
Als Bartje eens bij Arend-Jan thuiskomt, zegt Arend-Jan tegen hem: “Jongen, als alle mensen eens ronduit voor hun geloof of hun ongeloof durfden uitkomen, wat zou het er een stuk anders uitzien in de wereld”. Als hij zo praat, drinkt Bartje zijn woorden in, maar wordt het Arend-Jans vrouw soms te bar. “Het kunnen toch niet allemaal Elia’s wezen”, zegt zij vergoelijkend. ‘Er bent toch ook stillen in den lande. Er was ook een Obadja, die in 't geheim honderd profeten verborg”. Maar Arend-Jan wil er niets van horen. “Obadja? Praat mij niet van Obadja. Die had d'r nooit moeten wezen. Die angsthaas! Snap ie, hoe het mogelijk is, dat zo'n Obadja an dat goddeloze hof kon wezen, tussen al die afgoden, zonder de boel kapot te slaan? En wat bent dat veur profeten, die zich laten verstoppen in een tied, dat het volk ze nodig heeft?”

Als je het bijbelverhaal leest, lijkt Obadja inderdaad maar een bang mannetje. En toch heeft de vrouw van Arend-Jan gelijk als ze zegt dat het niet allemaal Elia’s kunnen zijn. Want het woord van God eert Obadja, door van hem te zeggen dat hij een groot ontzag voor de HEER had. Nu is ‘ontzeg voor de Here’ hebben in de Bijbel vaak een ander woord voor ‘in God geloven’. Vroeger werd daarvoor de uitdrukking ‘vreze des Heren’ gebruikt. Mar als van Obadja gezegd wordt dat hij de Here vreesde, betekent dat meer dan dat hij in God geloofde. Niet voor niets staat erbij dat hij de Here zeer vreesde. Obadja was een man met een groot ontzag voor God. Waarom zegt Gods woord dat zo? Heeft de Heilige Geest de bijbelschrijver wat ingefluisterd over wat er omging in het hart van Obadja? Want je zou zeggen dat ontzag voor God in je hart woont. Soms komt dat eruit, bij het zingen van een lied:

Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer, mijn God:
hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij! (Opw.407)

Toch houdt ontzag voor God meer in dan dat je onder de indruk bent van zijn macht in de schepping en van zijn liefde in Jezus Christus. Want als je ontzag voor God hebt, blijkt dat uit je doen en laten. Iemand waar je ontzag voor hebt, je hebt liever niet dat die zich tegen je keert. Daarom houd je er rekening mee wat diegene van jouw leven vindt. Als je ontzag voor God hebt, zou je het heel erg vinden als Hij niet blij werd van wat jij gedaan hebt. Eigenlijk interesseert je maar een ding: Wat vindt de Here van mijn leven?
Waarschijnlijk was Obadja van zichzelf niet zo’n held. Maar omdat hij het nog erger vond dat dat hij bij God in ongenade viel dan dat hij bij koning Achab in ongenade viel, steeg hij boven zichzelf uit en bracht twee keer vijftig profeten van de Here in veiligheid. Zijn vreze des Heren maakte hem moedig.
Ik moet bij Obadja niet alleen denken aan Bartje, maar ook aan Jan Zwartendijk. Die was in de oorlog consul voor Nederland in Litouwen. Op zichzelf hield die functie niet veel in; het was meer een erebaantje. Maar als consul had hij ook de mogelijkheid om visa uit te schrijven voor de Nederlandse Antillen. Dat heeft hij gedaan voor duizenden Joden die op de vlucht voor de nazi’s waren. Ze vertrokken naar Litouwen voor een visum en reisden met de Trans-Siberië Express helemaal door Rusland heen om in het verre oosten de boot naar de vrijheid te nemen. Het is wel triest dat Jan Zwartendijk na de oorlog een berisping van de Nederlandse overheid kreeg, omdat hij gefraudeerd had met visums. Vorig jaar heeft de Nederlandse regering daarvoor pas haar excuses aangeboden. Maar toen leefde Jan Zwartendijk zelf allang niet meer.
Had er niet van Obadja in de Bijbel gestaan dat hij een man met een groot ontzag voor God was, dan hadden wij waarschijnlijk net zo over hem gedacht als Arend-Jan: Wat een bangerik. Want wat hikt hij ertegenaan om Elia bij de koning aan te dienen. Luister eens naar de rare uitvluchten die hij verzint om er maar onderuit te kunnen: “Je zult altijd zien, als ik hier met de koning terugkom, dat de Geest van de HEER u net meegenomen heeft naar ik weet niet waar”. Of nog zo’n merkwaardig excuus: “Hebben ze u nooit verteld, heer, wat ik gedaan heb toen Izebel de profeten van de HEER liet uitmoorden? Dat ik honderd van hen een schuilplaats heb geboden, vijftig in één grot en vijftig in een andere, en dat ik hen van voedsel en drinkwater heb voorzien?” Nee, natuurlijk was dat Elia niet verteld. Als algemeen bekend was dat Obadja honderd profeten voor de koning verborgen had, was hij allang omgebracht. Als je Obadja hoort sputteren, zou je zeggen dat hij meer ontzag voor de koning dan voor God had.
Toch is dat niet zo. Het voorbeeld van Obadja laat zien wat de apostel Paulus bedoelt, als hij in zijn brief aan de Kolossenzen schrijft: “Gedraag je verstandig tegenover ongelovigen. Gebruik de tijd die God je geeft goed”. Daar zitten twee kanten aan: Eerst zegt Paulus dat je in alle wijsheid moet omgaan met ongelovigen. Uitkomen voor je geloof, dat moet je wel met verstand doen. Loopt niet te pas en te onpas te koop met het woord van God. Maar pas op, dat je niet te onpas met het woord van God moeten komen aanzetten sluit niet uit dat je dat wél moet doen als het te pas komt. Of zoals Paulus het zegt: “Gebruik de tijd die God je geeft goed”.
Dat is nu precies wat Obadja doet. Hij is geen profeet, hij is hofmaarschalk. Dat werk moest hij allereerst goed doen. Maar juist omdat hij zo’n hoge positie aan het hof had, had hij ook de mogelijkheid om iets te beteken in het koninkrijk van God. Als die kans zich voordoet, grijpt hij die met beide handen aan. Met trillende handen, zeker, met hij doet ’t wel. Het klinkt wel heel flink als Arend-Jan uit Bartje zegt: “Als ik Obadja geweest was, dan had ik die hele goddeloze boel allang kapot geslagen”, maar wat had de Here daaraan gehad? Juist omdat Obadja geen Elia was, kon hij doen wat Elia niet gekund had: God dienstknechten in bescherming nemen.
Die beide dingen die Paulus noemt in Kolossenzen 4 vers 5 zou ik ook zo onder woorden kunnen brengen: Wat heeft God aan je, als je jezelf onmogelijk maakt bij je collega’s? Maar net zo goed: Wat heeft God aan je, als je kansen die Hij je geeft niet benut?

Toch zou ’t te kort door de bocht zijn om Obadja te presenteren als hét goede voorbeeld van christen zijn in de praktijk. Al was het alleen omdat de marges waarbinnen Obadja moest werken veel smaller waren dan nu. Wie hier kan zeggen dat zijn of haar leven op het spel staat, als bekend wordt dat je christen bent? Voor Obadja was dat wel zo. Het is daarom wat te makkelijk om Obadja een angsthaas te noemen. Maar als jij ook maar liever je mond houdt, waar ben jij dan precies bang voor? Dat je er bij de anderen uitligt? Dat ze je uitlachen? Vraag jezelf dan eens af of je de Here vreest of eerlijk gezegd meer ontzag voor de mensen hebt. Zegt het je meer dat de mensen blij met je zijn dan dat God blij met je is?

Paulus zegt in de tweede helft van de tekst voor de preek: Zorg dat alles wat je tegen hen zegt, vriendelijk en interessant is. En geef duidelijk antwoord aan iedereen die je iets vraagt”. Aan iedereen die je iets vraagt. Petrus zegt precies hetzelfde in zijn eerste brief: “Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden” (1Pt.3,15). Wie verkeerd wil, zou kunnen zeggen: “Zolang niemand mij wat vraagt, kan ik dus mijn mond wel houden over mijn geloof in God”. Maar dan krijg je wel een vraag van me terug: Hoe kan dat, dat niemand je wat vraagt over je geloof in God? Roept je leven dan helemaal geen vragen op bij de mensen met wie je werkt? Blijkt nooit dat jij anders in het leven staat dan zij? Kan niemand aan wat je zegt horen of aan wat je doet zien dat je een kind van God bent? Maar als je leven nog wel vragen oproep – en laat dat zo mogen zijn! –, draai er dan ook niet omheen. Wees open en eerlijk als Elia.
Met één verschil misschien. Elia hoefde zich er niet druk over te maken hoe zijn woorden zouden overkomen. Hij dropte zijn boodschap en weg was hij weer. Maar Paulus zegt: “Zorg dat alles wat je tegen hen zegt, vriendelijk en interessant is”. In het Grieks staat er zoiets als dat je woorden gezouten moeten zijn. Flauwe praatjes passen dus niet bij een christen. Doe er niet aan mee als vieze praatjes de toon in de keet zetten. Anders heb je de kans om te laten horen dat het ook anders kan meteen al verspeeld. Het Fries kent een spreekwoord: “De waarheid klinkt schel”. Maar volgens Paulus hoeft spreken van je geloof niet altijd pijn aan de oren te doen. Het moet aangenaam zijn om een woord van God te horen. Daarvoor moeten je woorden pit hebben, interessant zijn, tot discussie uitnodigen.
Jezus heeft een gezegd: “Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaakt verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor. Het wordt weggegooid en vertrapt” (Mt.5,13). Jezus gebruikt het beeld van het zout niet, omdat Hij wil zeggen dat wij de mensen zout in de wonden moeten strooien. Nee, zout werd gebruik om bederf tegen te gaan. Toen er nog geen vriezers waren, werden snijbonen in het zout ingelegd, in de Keulse pot. Dan bleven ze heel lang goed. Het beeld van het zout past goed bij Jezus Christus. Want Hij redt de wereld van het bederf van zonde en dood. Als Hij met zijn Geest in ons werkt, zullen wij een gezond geluid laten horen en in gezond leven leiden in en een bedorven wereld.

We hoeven niet allemaal Elia’s te zijn. Maar we hoeven ook niet allemaal Obadja’s te zijn. Soms moet je een Elia zijn en soms ook een Obadja. Maar hoe weet je nu wanneer je wat moet zijn? Daarvoor gaan we even terug naar het begin van de tekst voor de preek: “Gedraag je verstandig tegenover ongelovigen”. De NBV zegt: “Gedraag u wijs tegenover buitenstaanders”. Voor een goede omgang met mensen die niet geloven heb je wijsheid nodig. Daar hoef je niet geleerd voor te zijn. Er zijn genoeg mensen met een goed verstand, die toch niet goed wijs zijn. Nee, om wijs te zijn, daar moet je fijngevoelig voor zijn. Duitsers noemen dat: Fingerspitzengefühl. Dan voel je niet op je klompen, maar op je vingertoppen aan wat goed is om te zeggen of te doen.
Wijsheid is een vrucht van ervaring. Je kunt je erin oefenen, je kunt erin groeien. Maar het is bovenal een vrucht van de Geest, waar je God in je gebed om mag vragen. Maar wie doet dat? Als ik jongeren vraag of ze wel bidden, dan zeggen de meesten dat ze dat doen. Maar als ik vraag: “Doe je dat ook aan het begin van de dag?”, dan doet bijna niemand dat. Meestal is het halsoverkop uit bed, tandenpoetsen, brood mee en gauw naar school of het werk. Maar kost het nu echt zoveel tijd om de Here te bidden om wijsheid voor de dag? Meer dan een halve minuut duurt het niet om de handen te vouwen en de Here te vragen of Hij je wil helpen om als een kind van Hem te leven. Het is de eenvoudigste manier om vorm te geven aan het vrezen van de Here. Zo word je je er zelf ook weer van bewust dat het belangrijkste niet is dat jij blij wordt van de dag die voor je ligt, maar dat de Here er blij van wordt.
Daarom: “Heeft iemand van jullie niet de wijsheid om te leven zoals God het wil? Dan moet je God om die wijsheid vragen. Hij zal je die zeker geven. Want God geeft de mensen allerlei goede dingen, zomaar, zonder er iets voor terug te vragen” (Jak.1,5, BGT).

Amen.