Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Farizeeër in tollenaarskleren
titel : Farizeeër in tollenaarskleren
datum : 6 oktober 2019
volledige onderwerp : Lucas 18 : 14a
Download deze preek.

Preek over Lc.18,14a (Den Ham, 6-10-19)

Votum en groet
LB 868:1,2,3 (Lof zij de Heer, de almachtige koning der ere)
10 geboden
Opw.369 (Door uw genade, Vader)
Gebed
Doopformulier 1
• OK 68 (Diep, diep, diep als de zee)
• OK 185 (De Here zegent jou)
L Luc.18,1-17
DNP 51:1,5 (Heb medelijden, God! Ik roep U aan)
T Luc.18,14a
Preek
Opw.581 (Til mij op)
Dankzegging en voorbede, uitlopend op
LB 1006
Collecte
LB 885 (Groot is uw trouw, o Heer) (versie Kees Kraayenoord)
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Onlangs hadden we op catechisatie een gesprek over gebedsverhoring. In het boekje stonden de resultaten van een onderzoekje onder christelijke jongeren. Vijfennegentig procent van de ondervraagde jongeren had wel eens verhoring van het gebed meegemaakt. Als voorbeelden werden genoemd: een gebed om genezing, een gebed om rust, een gebed om leiding, een gebed om vergeving . Toen vroeg iemand uit de groep: “Maar hoe weet je dat, of je gebed om vergeving van de zonden verhoord is?” Best een goede vraag. Want als je gebed om genezing verhoord is, is degene waarvoor je gebeden hebt beter geworden. Maar waar merk je aan dat je gebed om vergeving van zonden verhoord is?
Al pratend kwamen we tot een voorlopig antwoord. Maar ik heb beloofd er in de preek op terug te komen. Want de vraag hoe je kunt weten of je gebed om vergeving verhoord is, deed mij meteen denken aan de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. Die eindigt met de woorden dat die tollenaar naar huis ging als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God. Daar heb ik al heel lang de vraag bij: “Zou die tollenaar dat zelf ook geweten hebben?” De vraag van een van de catechisanten herinnerde me aan mijn eigen vraag bij die gelijkenis. Een mooie aanleiding toch maar eens op te zoek te gaan naar een antwoord.
Maar merkwaardig genoeg gaat geen enkele uitlegger op die vraag in. Alleen Kohlbrugge, een beroemde prediker uit de negentiende eeuw die alleen door ‘zware gereformeerden’ nog gelezen wordt, zegt er in een preek iets over. Dit: “Of wij deze vrijspraak te weten komen of niet, doet niets ter zake. Wie tot de Heere roept om uitkomst en ontferming, weet wat hij begeert soms niet eens onder woorden te brengen, en dat hoeft ook niet. De tollenaar had maar zes woordjes, maar zeker gaat hij gerechtvaardigd naar huis, ook al voelt hij de vrijspraak niet” . Kohlbrugge gaat er wel van uit dat die tollenaar op zeker moment zal merken dat zijn gebed verhoord is. Misschien als hij op sterven ligt en in vrede heen kan gaan, omdat Jezus hem roept. Maar misschien ook pas na zijn sterven, als hij voor God verschijnt en niet alleen voor Gods troon staat. Want Jezus is er ook, om voor hem in de bres te springen.
Misschien vind je dat een teleurstellend antwoord. Dat heeft die man dus zijn hele leven niet geweten dat zijn gebed om vergeving verhoord is! Persoonlijk denk ik ook niet dat dat waar is. Waarom, daar komt ik nog wel op. Toch zit er iets in de woorden van Kohlbrugge dat me tot nadenken stemde. Want stel dat die tollenaar inderdaad zijn hele leven nooit gemerkt heeft dat hij rechtvaardig was in de ogen van God, dan heeft die Farzieeër dus ook zijn hele leven nooit gemerkt dat hij níet rechtvaardig was in de ogen van God. Volgens mij is dat nog veel erger. Want denk je eens in dat je pas bij je sterven merkt dat je gebed nooit verhoord is. Je hebt altijd gedacht dat God jou net zo goed vond als jij jezelf vond. Je sterft in vrede, maar als je voor God zelf staat, blijkt dat al die dingen waar jij van dacht dat God er wel blij mee zou zijn, in zijn ogen waardeloos zijn. Waar blijf je dan, als er niemand opstaat op het voor je op te nemen? Jezus, die zijn leven gegeven heeft om zondaars te redden, laat zich niet zien. Dan pas besef je hoe hard je Hem nodig had. Maar dan is het ook te laat.
Dat betekent op z’n minst dat je niet op je gevoel kunt afgaan om er zeker van te zijn dat God je gebed om vergeving verhoord heeft. Dat je nog steeds een diep berouw voelt over je zonden, betekent niet dat God je zonde dus niet vergeven heeft. En omgekeerd: Als je vrede met jezelf hebt, betekent dat nog niet dat God ook vrede met jou heeft.

We zijn meteen naar de conclusie gegaan die Jezus trekt uit zijn gelijkenis: “Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet”. Maar laten we nu weer uitzoomen, om een beter overzicht te krijgen. Wat krijgen we dan? Ik zou het zo willen zeggen: In deze gelijkenis wordt iets zichtbaar van Christus’ kerkvergaderend werk. Dat is een cliché van vroeger. In mijn herinnering ging het vroeger in de preek heel vaak over ‘Christus’ kerkvergaderend werk’. Nu gaat het er bijna nooit meer over, ook in mijn eigen preken niet. Maar in dit bijbelgedeelte gaat het er wel over. Er vormt zich een groep mensen om Jezus heen, die bij Hem liefde, genade, vergeving, aanvaarding vinden. Je zou kunnen zeggen dat in die groep mensen om Jezus heen de contouren zichtbaar worden van de eerste christelijke gemeente.
Een bont gezelschap van rijke en arme, gezonde en zieke, fatsoenlijke en onfatsoenlijke mensen. Er zaten namelijk ook hoeren en tollenaars tussen. Om die reden willen sommigen dus niet bij die gemeente van Jezus horen. Een paar hoofdstukken eerder lezen we: “Alle tollenaars en zondaars kwamen Jezus opzoeken om naar Hem te luisteren. Maar zowel de Farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen’” (Lc.15,1.2).
In het hoofdstuk dat volgt op het hoofdstuk waar we vandaag bij stilstaan wordt het nog erger. Want daarin nodigen niet zondaars zichzelf bij Jezus uit, maar nodigt Jezus zichzelf bij een zondaar uit: Zacheüs, de tollenaar. Dan moppert iedereen die dat ziet: “Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht” (Lc.19,7). Lucas 18 is dus omgeven door moppers van fatsoenlijke mensen. De gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar staat in dát kader. Dat blijkt ook uit de woorden waarmee Lucas de gelijkenis inleidt: “Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde Jezus de volgende gelijkenis”.
Het is niet de eerste keer dat Jezus met een gelijkenis antwoordt op het gemopper over de mensen die Hij om zich heen verzameld had. Eerder al had hij een verhaal verteld over een herder die negenennegentig schapen achterlaat in de wildernis om het schaap dat verloren is geraakt te zoeken. Maar de gelijkenis die Hij nu vertelt heeft een andere spits. Met de gelijkenis van het verloren schaap legde Jezus uit wat Hij aan het doen was: zondaars zoeken en redden. Maar in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar krijgen de mopperaars zelf een rol. Zij zijn als die Farizeeër die bidt: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af”.
Als wij dat die Farizeeër zo horen bidden, is onze eerste reactie: “Wat een kwal!” Ik weet niet of de eerste hoorders ook zo gereageerd hebben. Want de Farizeeërs stonden in hoog aanzien om hun levensstijl. Maar ik weet zeker dat ze de conclusie die Jezus trok wél schokkend vonden. Misschien vonden ze het nog niet eens schokkend dat er voor een tollenaar met oprecht berouw ook redding was. Maar dat woordje ‘ook’ schrapt Jezus dus. Hoezo is er óók redding voor die tollenaar? Dat wekt de indruk dat er uiteraard redding is voor Farizeeërs en – hoe bestaat het – ook voor tollenaars. Maar die indruk is onjuist. Want er is inderdaad redding voor die tollenaars, maar – hoe bestaat het – voor die Farizeeër… niet!
Christus’ kerkvergaderend werk ziet er dus minder romantisch uit dan je op grond van de gelijkenis van het verloren schaap zou zeggen. Want Jezus is dus niet alleen degene die zondaars uitkiest, maar ook degene die rechtvaardigen verwerpt. In zijn gemeente is wel plaats voor zo’n tollenaar, maar niet voor zo’n Farizeeër. Volgens mij is dat nu nog net zo schokkend als toen. Want het kan toch niet de bedoeling zijn dat er in de gemeente geen plaats is voor eerlijke mensen als die Farizeeër, omdat de gemeente van Christus de thuishaven is van oneerlijke mensen als die tollenaar?
Nee, dat kan inderdaad niet de bedoeling zijn. Maar Jezus wil je over die mogelijkheid wel serieus laten nadenken. Want je moet goed beseffen dat je niet gered wordt door je eerlijkheid, zoals die tollenaar niet verloren gaat door zijn oneerlijkheid. Want beiden worden gered door het bloed van Jezus dat voor hen vloeide. Alleen zijn dood betekent redding, niet alleen voor onrechtvaardigen, maar ook voor rechtvaardigen.
Nu kan het best zijn dat voor sommigen van u en van jullie de preek niet meer spannend is, zodra ik zeg: de eerlijke Farizeeër en de oneerlijke tollenaar worden beiden gered door het bloed van jezus alleen. Dat is vast waar, maar dat heb je al zo vaak gehoord.
Als je dat al zo vaak gehoord hebt, is dat inderdaad een nadeel. Misschien moet je eerst zelf net zo vastgelopen zijn als die tollenaar uit de gelijkenis, die alleen nog kon stamelen: “God, wees mij zondaar genadig”, om compleet ondersteboven te zijn van de conclusie die Jezus trekt: “Hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God”.
Dat is mijn tweede antwoord op de vraag hoe die tollenaar kon weten dat zijn gebed om genade verhoord was. Als je God smeekt om genade, omdat je net zo schuldig bent als die tollenaar en net zoveel berouw hebt als die tollenaar, kan het zijn dat je nooit te weten komt dat je gebed verhoord is. Want je hebt geen Bijbel waarin je dat antwoord kunt lezen en je hebt geen kerk waarin je dat antwoord kunt horen. Maar als je de Bijbel wel leest en de verkondiging van het evangelie wel hoort, dan is dit woord van Jezus geen woord meer voor iedereen, maar voor jou. Voor jou alleen. Dan neemt Jezus maar niet in het algemeen ‘de zondaars’ aan (LvK 436), dan neemt Hij jou aan.

Maar wat nu als je niet zo vastgelopen bent als die tollenaars, omdat je altijd geprobeerd hebt als een eerlijk mens te leven en te handelen? Moet je dan toch net als die tollenaar bidden: “God, wees mij zondaar genadig?”
Ik las laatst een boek over liturgie, waarin de schrijver stilstaat bij de schuldbelijdenis in de kerkdienst. Dan zegt hij: “Ik heb er moeite mee dat mensen, wanneer ze voor het aangezicht van God treden, op de eerste plaats gewezen worden op hun kleinheid en hun ontoereikendheid” . Ik zou het met die schrijver eens geweest zijn, als hij het net even anders had gezegd. Bijvoorbeeld zo: “Ik heb er moeite mee dat mensen in de kerk op de eerste plaats gewezen worden op hun kleinheid en ontoereikendheid”. Want het is de taak van de kerk om mensen te wijzen op Christus, die gebogen mensen opricht door hun zonden op zich te nemen. Als je voelt dat jouw leven niet toereikend is, geloof dan dat Christus’ dood wel toereikend was.
Maar zo zegt deze schrijver het niet. Want hij heeft er moeite mee dat mensen bepaald worden bij hun kleinheid en ontoereikendheid wanneer ze voor het aangezicht van God treden. Meent hij dat echt? Kun je voor het aangezicht van God treden zonder je eigen kleinheid en ontoereikendheid te voelen? Ik kan dat niet. Niet omdat ik zo’n streng godsbeeld zou hebben. Ik voel juist hoe klein en onvolkomen ik ben, als ik me ervan bewust ben dat ik voor Hém verschijn die de liefde zelf is. Kan het goede dat ik gedaan heb standhouden in de tegenwoordigheid van Hem die in heel zijn wezen goed is? Als dat zo zou zijn, dan heeft die Farizeeër een prima gebed tot God opgezonden, toen hij bij God niet aankwam met zijn kleinheid en zijn ontoereikendheid, maar met zijn goedheid en zijn eerlijkheid. Op zich was daar niets aan gelogen. Maar als je daarmee voor God durft te komen, besef je blijkbaar niet meer tegen wie je het hebt.
Geef mij dan Kohlbrugge maar. Ook die heeft er moeite mee dat bij de schuldbelijdenis de kerk ineens vol tollenaars zit, die kermen om ‘hun schuld, hun schuld, hun allergrootste schuld’. Maar hij heeft daar wel om een heel andere reden moeite mee. Want hij zegt: “Het komt er zo op aan als het gaat over onze eeuwige vrijspraak. Want jezelf een tollenaar noemen en je tegelijkertijd torenhoog boven je naaste verheffen, ook nog eens in twijfel trekken of de Heere voor die ander wel net zo barmhartig en genadig zal zijn als voor jou, dat is nu je slechte en bedorven aard. Met het tollenaarsgebed op de lippen: “God, wees mij zondaar genadig”, blijf je een Farizeeër” .
Dat is dan meteen het derde antwoord op de vraag hoe je kunt weten of God je gebed om vergeving verhoord heeft: Dat jij met alle dingen waar je je schuldig over voelt even goed bij de gemeente van Christus mag horen als mensen die het in jouw ogen veel beter doen dan jij. Misschien doen ze het ook wel beter dan jij. Maar ze beseffen dat ze daarmee bij God niet aan hoeven komen. Net als voor jou ligt hun rechtvaardigheid in Christus, en in Christus alleen.
Misschien begrijp je nog niet hoe dat een antwoord is op de vraag hoe je kunt weten of je gebed om vergeving verhoord is. Laat ik het dan nog duidelijker proberen te zeggen: dat God jou genadig is mag je ook daaraan merken dat mensen jou genadig zijn. Want “de christelijke gemeente is een kring van mensen die zich verenigen om hun harten open te stellen voor Gods barmhartigheid” . Die Farizeeër had die tollenaar echt wel gezien. Anders had hij niet gebeden: “Ik dank u dat ik niet zo ben als die tollenaar”. Toch ging hij niet naar de tollenaar toe, om tegen hem te zeggen: “Mijn broeder, je zonden zijn je vergeven, zoals ze mij vergeven zijn”. Maar dat kon hij ook niet zeggen, omdat hij zelf geen vergeving ontvangen had. Hij had helemaal geen vergeving nodig, dus hij had er ook niet om gevraagd. Pas als je vergeving ontvangen hebt, heb je wat uit te delen. Alleen zondaar kunnen genade met elkaar delen.
Maar als ik me niet vergis zijn er nogal wat zondaars die acuut geen zondaar meer willen zijn zodra in het wild geconfronteerd worden met een echte. Dan staat de Farizeeër in hen op. Want ook al zijn we allemaal zondaars, zo’n echte zondaar ben je gelukkig niet, “die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig is”. Stel je vóór. Het idéé!
Mocht je daar bij jezelf toch wel iets van herkennen, schrik dan net als de eerste hoorders van het laatste woord van de tekst voor deze preek: “Ik zeg jullie, die tollenaar ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander… niet”.

Amen.