Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De stilte van God
titel : De stilte van God
datum : 18 augustus 2019
volledige onderwerp : 1 Koningen 19 : 12b.13
Download deze preek.

Preek over 1Kon.19,12b.13 (Den Ham / Enschede-W, 18-8-19; Steenwijk, 25-8-19; Zwartsluis, 8-9-19)

Votum en groet
DNP 65:1,2,3 (Vanuit de stilte klinkt ons zingen)
10 geboden
LB 283 (In de veelheid van geluiden)
Gebed
L 1Kon.19,1-18
GK 97:1,2,5 (De Heer alleen regeert)
Kindmoment (Mariëlle Plaggenmars)
T 1Kon.19,12b.13
Preek
LB 4a (Verhoor mij als ik roep tot U)
Dankzegging en voorbede
Collecte
GK 62:3,4 (Wees stil, mijn ziel, keer u tot God)
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Achterin de Bijbel staat een brief van Jakobus, de broer van de Here Jezus. Daarin schrijft hij dat je veel van je gebed tot God mag verwachten. “Denk (maar) eens aan de profeet Elia”, zegt Jakobus. “Hij was maar een gewoon mens, net als wij. Ooit vroeg hij aan God om het niet meer te laten regenen. En door zijn gebed regende het drieënhalf jaar niet. Er groeide niets meer op het land. Daarna vroeg Elia aan God om het wel te laten regenen. Toen kwam er weer regen uit de hemel, en alles op het land begon weer te groeien” (Jak.5,17.18, BGT).
Maar ik vermoed dat veel van zijn lezers Elia niet zo’n gelukkig voorbeeld zullen vinden. Want Elia een gewoon mens, net als wij? Pas als je 1 Koningen 19 leest, gaat hij daar wat op lijken. Misschien doet het je wel goed om te lezen dat een geloofsheld als Elia ook eens heeft meegemaakt wat het is om zo teleurgesteld en zo moe te zijn. Maar als tot je doordringt waarom hij zo teleurgesteld en zo moe is, schrik je misschien toch ook wel. Want het lijkt wel of hij teleurgesteld is in Gód; of hij moe is van Gód.
Het kan zijn dat je daar wel iets van herkent. Want wat gaat er door je heen als je het gevoel krijgt dat de Enige die je nog kan helpen je laat zitten? Als zelfs God taal noch teken heeft, moet je dan wachten op het leven na dit leven voor je weer blij kunt zijn? Neem me dan nu meteen maar weg. Zo hoeft het van mij niet meer.
Maar zit er iets van troost in als je ontdekt dat zelfs een geweldenaar in het koninkrijk van God er zo doorheen zat als jij? Of zakt het laatste beetje moed dat je nog had je dan helemaal in de schoenen? Elia was toch de man die een heel volk tot de belijdenis kan brengen: “De HEER is God”? Maar juist hij lijkt niet meer te weten of dat eigenlijk wel wat uitmaakt. Als Elia al kan vervallen tot onverschilligheid, waar zal ik de kracht dan vandaan halen om op God te blijven vertrouwen?

Een engel stoot Elia aan en zegt: “Word wakker en eet wat”. Elia kijkt op en ontdekt naast zijn hoofd een brood, in gloeiende kooltjes gebakken, en een kruik water. Maar nadat hij gegeten en gedronken heeft, gaat hij weer onder de struik liggen. De engel van de HEER komt terug, stoot hem opnieuw aan en zegt: “Sta op en eet wat, anders is de reis te zwaar voor je”.
De reis waarheen? Dat zegt die engel er niet bij. Maar Elia begrijpt dat Hij volgens God nog niet ver genoeg heen is. Als Elia bij Berseba de grens tussen het beloofde land en de woestijn overtrekt, is het alsof hij de intocht in het beloofde land ongedaan maakt. Die ene God en dat ene volk die in vrede bij elkaar wonen, dat experiment is mislukt. Maar het is of God tegen hem zegt: “Voor je dat kunt zeggen, moet je wel verder terug de woestijn in. Niet één dagreis, maar veertig dagreizen. Wij spreken elkaar nader op de plek waar ik met Mozes sprak”.
Maar als hij daar aankomt, richt de HEER zich tot hem met de woorden: “Elia, wat doe je hier?” Een vreemde vraag. Als de HEER die vraag nu gesteld had, toen Elia onder die bremstruik was weggekropen om te sterven, dan had daar nog een zekere logica in gezeten. Want wat doet een profeet die geroepen is om de strijd aan de gaan met de Baälsdienst in het tienstammenrijk Israël in de woestijn ten zuiden van het tweestammenrijk Juda? In dat geval zou die vraag wat verwijtend geklonken hebben. Alsof het God tegenviel dat Elia op de vlucht geslagen was. Maar God kan Elia moeilijk verwijten dat hij helemaal bij de berg Horeb is, als Hij hem zelf die reis heeft laten maken. Toch stelt nu pas de vraag die Hij veertig dagen geleden al had kunnen stellen. Het is net of Hij hoopt dat Elia inmiddels verder is dan toen.
Elia zegt inderdaad niet hetzelfde als veertig dagen terug. Toen zei hij tegen God: “Het is genoeg geweest, HEER. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mij voorouders”. Nu zegt Hij: “Ik heb me met volle overgave ingezet voor de HEER, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien”. Daarmee sprak hij uit wat er onder zijn verlangen lag om maar te mogen sterven. Hij had zo gehoopt dat er in Israël echt iets zou veranderen als de Here met vuur uit de hemel zou laten zien dat niet Baäl, maar Hij God was. Maar hij had zich vergist. Izebel was nog even machtig en Israël was nog even slap. Zo kon Elia toch niet werken? Het was beter geweest als dat vuur van de HEER Izebel verteerd en Israël gelouterd had. Maar dat was niet gebeurd. Het wonder op de Karmel was niet meer dan een steen in de vijver geweest. Een grote steen weliswaar, maar toch. Want iedereen ging weer over tot de orde van de dag, alsof er niets gebeurd was. Wat had het dan voor zin als hij op zijn post bleef? Al zijn ijveren voor het dienen van de ware God was water naar de zee dragen. Daar kon hij de moed niet langer voor opbrengen. Daar kon hij de zin niet langer van inzien. Ook al zegt Elia het deze keer niet hardop, tussen de regels door kun je horen dat hij er nog net zo over denkt als veertig dagen geleden: “Het is genoeg geweest, HEER. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mij voorouders”. Alleen laat hij het trekken van die conclusie deze keer aan God over.
Maar net zomin als God toen inging op Elia’s verwijt, doet Hij dat nu. Hij zegt alleen maar: “Kom naar buiten en treed hier op de berg voor mij aan”. Of gaat Hij zo pas echt in op Elia’s verwijt? Want God vraagt Elia om zich aan Hem te laten zien. Maar als Elia die uitnodiging aanneemt, betekent dat Hij voor God komt te staan. Wat blijft er van Elia’s stilzwijgende verwijten aan God als hij oog in oog met Hem komt te staan? En inderdaad, als de HEER voorbij de opening van de grot gaat waarin Elia zich verborgen hield, breekt er een windvlaag los. Maar dan staat er dat verrassende zinnetje: “Maar de HEER was niet in die windvlaag”. Zoals de HEER ook niet in de aardbeving is die daarna komt en niet in het vuur is dat daarna komt.
Als je in het register achterin het Liedboek zoekt naar liederen bij de tekst voor de preek, kom je er maar liefst vijf tegen. In al die liederen proef je iets van opluchting dat God niet in die windvlaag, die aardbeving, dat vuur was. Maar dat is de liederen die Israël voor God zong wel anders. Neem de Psalm die we net met elkaar zongen:

Een vuur gaat voor Hem uit,
een vlam die niet stuit,
verzengt aan alle zijden
hen die zijn macht bestrijden.
De aarde, fel verlicht,
beeft voor zijn bliksemschicht.
Voor ’t heilig aanschijn Gods
versmelten berg en rots,
als Hij de wereld richt.

In de brief aan de Hebreeën staat het zelfs nog sterker. Er gaat niet alleen een verterend vuur voor God uit, maar ook van God uit. Want “onze God is een verterend vuur” (Hebr.12,29). Dat zijn woorden uit de Bijbel waar we het moeilijk mee hebben, waar we misschien zelfs wel moeite mee hebben. Maar juist daarom is het mij te makkelijk om met een beroep op 1 Koningen 19 te zeggen dat je God niet ontmoet in het geweld van de natuur, maar in de stilte van de natuur. Zo’n geweldloze God zouden wij misschien wel willen, maar van een God die zo is als wij willen kun je je afvragen of hij wel God is.
Toch zette die zin me wel op een spoor. Want ik weet wel zeker dat Elia graag gezien had dat God wél in die windvlaag, wél in die aardbeving, wél in dat vuur was. Want de God van Elia (2Kon.2,14) was de God die antwoordde met vuur. En laten we eerlijk zijn, ook als dat niet meteen onze God is, hopen we toch nog steeds dat God ingrijpt als er een golf van terreur over de wereld slaat. Hij hoeft die terroristen niet meteen met vuur te verteren, maar Hij zou toch wel op een af andere manier een einde aan al dat geweld kunnen maken? Ook in ons persoonlijke leven hoeft Hij niet meteen grote wonderen te verrichten. Maar Hij kan toch wel iéts doen aan de zorgen die we hebben, de pijn die we lijden of de wanhoop die we voelen?

“Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries”. Dan volgt er geen zinnetje over de HEER die zich ook niet in die bries bevond. Zoals er net zomin staat dat Hij zich wél in die bries bevond. Maar Elia weet dat nu de HEER zelf voor de ingang van zijn grot staat en daarom slaat hij zijn mantel voor zijn gezicht vóór hij de stap naar buiten zet. Waarom doet Elia dat? Je zou je voor kunnen stellen dat Elia een mantel voor zijn gezicht geslagen had als God wél in die windvlaag, in die aardbeving, in dat vuur was geweest. Want ook al hield hij van de God van het natuurgeweld, het is nog iets anders om zelf voor die God te komen staan. Maar waarom je gezicht bedekken als God in een zachte bries bij je komt? Toch kan Elia juist die God niet onder ogen komen. Voel je je pas echt klein je bent wanneer God zwijgt als jij je stem allang verheven had? Besef je pas echt hoe groot God is wanneer Hij geduldig blijft als voor jou de maat allang vol is?
In de stilte klinkt er een stem, die dezelfde vraag als zonet stelt: “Elia, wat doe je hier?” En Elia geeft het antwoord dat hij zonet ook al gegeven heeft: “Ik heb me met volle overgave ingezet voor de HEER, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien”.
Het lijkt een herhaling van zetten. Zijn God en Elia dan geen stap dichter bij elkaar komen? Wel degelijk. Want ook al lijken ze nog steeds langs elkaar heen te praten, ze doen dat wel in elkaars nabijheid. God is uit de hemel gekomen en Elia is uit zijn grot gekomen. Ze ontmoeten elkaar voor zover het mogelijk is dat God en mens elkaar ontmoeten. Want God blijft God als Hij vraagt wat Elia hier doet. En Elia blijft mens als hij vraagt waarom God niets doet. Maar in de afstand is er toch nabijheid.
Betekent dit nu dat ook wij de stilte moeten opzoeken als we Gods nabijheid willen ervaren? Eén ding is zeker: Als je zo opgaat in je bezigheden dat er geen ruimte is om God te ontmoeten, dan moet je die ruimte scheppen. Toch is die stilte waarin je niets doet en niets zegt nog steeds een stilte die jezelf schept. In onze tekst gaat het om een stilte die door God geschapen wordt. Zo maakt Hij een man die opgebrand is in de dienst van God duidelijk: “Ik werk ook aan de komst van zijn koninkrijk als jij het gevoel hebt dat er niets gebeurt en er niets verandert”.
Maar misschien moet je eens aan Jezus denken als je je afvraagt of het wat uitmaakt dat God zich niet alleen storm, maar ook in een bries openbaart. In Jezus is God zo dichtbij ons gekomen, dat Hij helemaal één geworden is met ons zondige, sterfelijke leven. Nergens lijkt God zwakker dan in het kruis waaraan zijn Zoon stierf. Toch blijkt dat zwakke van God sterker dan de mensen (1Kor.1,25), zegt de apostel Paulus ergens. Want op de derde dag stond Jezus weer op uit de dood.
Heb je daar wat aan zolang jouw opstanding nog op zich laat wachten? Jij zit voor je gevoel nog in die drie uur duisternis waarin de hemel God niets zegt en niets doet. Toch klinkt ook dan het suizen van die zachte bries, waarin God in jouw nabijheid en jij in Gods nabijheid komt.

Hoe wonderlijk mooi is uw eeuwige naam.
Verborgen aanwezig deelt U mijn bestaan.
Waar ik ben, bent U: wat een kostbaar geheim.
Uw naam is ‘Ik ben’ en ‘Ik zal er zijn’ (Opw.770).

Amen.