Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Als de Opgestane je bij je naam noemt
titel : Als de Opgestane je bij je naam noemt
datum : 21 april 2019
volledige onderwerp : Johannes 20 : 16
Download deze preek.

Preek over Joh.20,16 (Spreekconsent 1995; omgewerkt voor Den Ham / Enschede-W, Pasen 2019)

Votum en groet
LB 622:1,3,4 (Nu triomfeert de Zoon van God)
Gebed
L Joh.20,1-10
LB 620:1A,2V,3M,4V,5M,10V,11M,12A (Hoor aan, gij die Gods kinderen zijt)
L Joh.20,11-18
LB 642:1,2,4,8 (Ik zeg het allen dat Hij leeft)
T Joh.20,16
Preek
LB 611 (Wij zullen leven, God zij dank) (melodie: Ps.15)
Wet van het nieuwe leven: Ef.5,6-14 (BGT) (v.m.)
Apostolische Geloofsbelijdenis (n.m.)
GK 86:4,5 (Leer mij naar uw wil te handelen)
Dankzegging en voorbede
Collecte
GK 207 (Christus in het graf geborgen)
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Gisteren was het sabbat, maar vandaag is ze voor dag en dauw opgestaan om naar ‘t graf te gaan. Waarom? Misschien om alleen te zijn en te huilen. Bij Lazarus’ graf hadden velen staan huilen, zoals ‘t hoort. Maar wie huilt er om Jezus?
Als ze bij het graf komt, ziet ze dat de steen voor de opening van het graf is weggehaald. Wat zou ú denken, als u in Maria’s schoenen gestaan had? Als je het graf van iemand van wie je ontzettend veel hield zó aantreft? “Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben”. Dat was de onheilstijding waarmee Maria bij Petrus en Johannes aankwam. En tussen de regels door hoor je haar zeggen: Moeten ze nu ook Jezus’ graf nog schenden? Kunnen ze zelfs zijn dode lichaam niet met rust laten? Ja, kunnen ze ook ons niet met rust laten? Moet nu zelfs de punt achter Jezus’ leven van een vraagteken voorzien worden? Moet zelfs de zekerheid van de dood ons ontnomen worden?
Als Maria weer bij het graf komt, zijn Petrus en Johannes al weer weg. Ze waren een stap verder gegaan dan Maria: naar binnen. Misschien was Maria te voorbarig geweest. Ze had tenslotte alleen maar gezien, dat de steen voor het graf weg was. Misschien lag Jezus nog wel gewoon in het graf. Maar dat bleek ijdele hoop: Het graf wás leeg. Of iets preciezer: De líjkdoeken waren leeg. De linnen doeken waar Jezus’ lichaam bij zijn begrafenis íngewikkeld was lagen er nog. Maar de zweetdoek waarmee zijn hoofd bedekt was lag apart, nog in precies dezelfde vorm als hij om Jezus hoofd had gezeten.

Toen Lazarus op Jezus’ bevel uit het graf gestommeld was, kwam hij naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en zijn gezicht was nog bedekt met een zweetdoek. Als Jezus’ lege tombe het werk was van een grafschenner, dat had die het zichzelf wel heel ingewíkkeld gemaakt. Wie gaat, als hij een lijk wil ontvreemden, het lichaam helemaal uit de lijkdoeken wikkelen, die bovendien hard geworden waren van de zalf die al begonnen was uit te drogen? Zoals een vlinder zijn cocon achterlaat, zo laat – Jezus? – zijn doodskleed achter.
Pasen begint niet met een volle, bevrijdende lach, maar met een geheimzinnige glimlach; niet met een uitroepteken achter een toon die juicht, en een stem die klinkt, maar met een vraagteken. Een leeg graf, en lege grafdoeken, maar de opstanding zelf wordt niet uit de doeken gedaan.
God plaatst een vraagteken; een vraagteken op de punt achter Jezus’ leven; een vraagteken bij de enige zekerheid die dit leven schijnt te hebben: de dood; een vraagteken bij Maria, die buiten bij het graf staan te huilen.

Maria buigt zij zich voorover naar het graf, kijkt naar binnen en ziet twee engelen zitten, in witte kleren, één bij het hoofdeind en één bij het voeteneinde van de plek waar het lichaam van Jezus gelegen had. Engelen zie je niet elke dag. Maar Maria heeft wel andere dingen aan haar hoofd. Maria heeft pas rust als ze haar dode weer heeft. Misschien weten die twee daarbinnen meer. Maar voordat ze het hun heeft kunnen vragen, stellen zij háár een vraag: “Mevrouw, waarom huilt u?” Het stilzwijgende vraagteken van het lege graf krijgt hier stem. Die beide boden van God lijken maar weinig begrip voor Maria’s tranen te hebben. Het is of ze vragen: “Mevrouw, zou u ook zo gehuild hebben, als de steen vanmorgen nog gewoon voor de grafopening gelegen had? Een graf dat nog dicht is en doeken waar het dode haam nog ín ligt, daar wordt u rustig van? Maar een leeg graf en lege doeken, daar wordt u onrustig van?”
Voor ons gevoel zijn dat wereldvreemde vragen. Maar die engelen komen ook uit wereld die niet met de dood heeft leren leven: Gods wereld. In hun woordenboek komen woorden als ‘doodgewoon’ en ‘doodnormaal’ niet voor. Als Maria alleen maar kan antwoorden dat ‘ze’ blijkbaar haar Heer weggehaald hebben en zij niet weet waar ‘ze’ Hem hebben heen gebracht hebben, begrijpen die engelen daar niks van. Hoezo hebben ‘ze’ Hem weggehaald, als Híj is opgestaan?
Gods wereld en onze wereld waren twee werelden geworden, sinds wij zonder God verder wilden. Dat bleek een doodlopende weg. En een cherub met een vlammend zwaard verspert ons de weg terug. De levensboom is onbereikbaar voor ons geworden. Sindsdien loopt het leven stuk op die laatste grens. En velen zijn het moe geworden, als een waanzinnige tegen die blinde muur op te springen.
Ook Jezus heeft zijn moede hoofd voor de dood moeten buigen. Maar pas nadat Hij het uitgeroepen had: “Het is volbracht!” Toen bleef het twee nachten stil. Maar op de derde dag zegt zijn Vader: “Amen!” God heeft Jezus’ offer aan het kruis aanvaard. “Het is volbracht!”, zegt ook God, en zijn wereld breekt op die paasmorgen onze wereld binnen. Gods wereld en onze wereld worden weer één. Dat is net zomin schijn, als Jezus, die ineens achter Maria staat, schijn is.
Misschien valt Jezus’ schaduw over haar heen, de schaduw van het leven. In elk geval merkt ze, dat er iemand is. Zoiets voel je. Maria komt overeind uit haar gebogen houding, en draait zich om.
Jezus stelt Maria dezelfde vraag als de engelen haar gesteld hadden: “Mevrouw, waarom huilt u? Wie zoekt u?” Het is dezelfde vraag, maar toch ook weer niet. Want het maakt wel verschil wie die vraag stelt. Het is voor ons gevoel wereldvreemd, om aan Maria te vragen waarom ze huilt: Omdat haar Heer niet meer in het graf ligt. Maar is het ook wereldvreemd, om aan Maria te vragen waarom ze huilt, als haar Here zelf de vragensteller is? Waarom erover huilen, dat je Heer niet meer in het graf ligt, als Hij in levenden lijve voor je staat?

Maar dan doet zich iets merkwaardigs voor. Maria herkent Hem niet. Wie zou dat kunnen zijn? Wie heeft er zo vroeg iets te zoeken in een tuin? Misschien de tuinman van Jozef van Arimatea, de eigenaar van de tuin waarin haar Heer begraven was? En ze vraagt Hem: “Meneer, als u Hem weggedragen hebt, zeg mij dan waar u Hem hebt neergelegd, en ik zal Hem wegnemen”.
Hoe kan dat, dat Maria Hem niet herkent? Was het nog te schemerig? Stonden de tranen haar in de ogen, dat ze Jezus niet herkende? Of stond de mogelijkheid, dat haar Meester misschien kon zijn opgestaan uit het graf nog zover van haar af, dat ze met die (on)mogelijkheid zelfs niet rekende?
Daarmee zitten we al een eind in de goede richting, maar er valt nog wel iets meer over te zeggen. Want zelfs al reken je totaal niet met die absurde mogelijkheid, dan kun je daar toch niet onderuit als je Hem ziet? En zelfs al was het schemerig, en was haar blik door tranen bevangen, ze had Jezus’ stem toch gehoord, toen Hij haar vroeg: “Mevrouw, waarom huilt?”
Het verschijnsel, dat Maria Jezus niet herkent, is eigen aan de verschijningen van Jezus als zodanig. Hetzelfde zien we bij de Emmaüsgangers, aan wie Jezus diezelfde dag ‘s avonds nog zal verschijnen. Dan staat er: “Maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden” (Lc.24,16). Marcus beschrijft het zo: “Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad aan het wandelen waren” (Mc.16,12). Dat klopt ook met wat Johannes beschrijft na de verschijning van de Here Jezus aan Maria van Magdala: Jezus staat plotseling midden tussen de discipelen, terwijl de deur nog op slot zit (Joh.20,19).

Van de sluier die over Jezus’ verschijningen hangt licht de apostel Paulus een tipje op in hoofdstuk 15 van zijn eerste brief aan de Korintiërs. Als antwoord op de vraag: Hoe worden de doden opgewekt, met wat voor lichaam? Paulus gebruikt het beeld van een graankorrel. Zoals een graankorrel die in de aarde gezaaid wordt niet opkomt als een graankorrel, maar als een halm met een aar, zo staat ook ons natuurlijk lichaam uit de aarde op als een geestelijk lichaam. “Zoals wij nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen wij straks de gestalte van de hemelse mens hebben “. Of zoals Paulus het ergens anders zegt: “De Heer Jezus Christus zal ons armzalige lichaam gelijk maken aan zijn verheerlijkt lichaam” (Flp.3,21).
Jezus verschijnt Maria met een verheerlijkt lichaam. Het is dezelfde Jezus die Maria gekend heeft, en niemand anders. Maar het is wel dezelfde Jezus anders. En slechts zijn woord roept herkenning op: “Maria!” Net als het Engels, maakt het Grieks geen onderscheid tussen ‘u’ en ‘jij’. Maar als Jezus, in plaats van dat afstandelijke ‘mevrouw’, Maria bij haar meisjesnaam noemt, is het of Maria weer iemand is om ‘jij’ tegen te zeggen. Hier wordt werkelijkheid wat Jezus eerder zei in het verhaal over de goede herder: “Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij volgen mij. Ik geef ze eeuwig leven, ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven” (Joh.10,27.28). En Maria, die in haar verdriet de tuinman de rug al weer had toegekeerd, draait zich met een ruk om, en ze herkent haar Meester: “Rabboeni!” Meester!
Al haar verdriet wordt ineens weggespoeld door die golf van vreugde, dat ze haar Meester terug heeft. En ze wil zijn voeten al vastgrijpen, Hem omhelzen, als Jezus zegt: “Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren”.

Houd Mij niet vast? Wat is dat nu voor afstandelijk bevel van de Here Jezus? Thomas mag een week later Jezus wél aanraken, en aan Jezus wonden voelen, en Maria, die óp van de zenuwen de hele tijd heeft staan huilen en wier tranen amper gedroogd zijn, moet op een afstand blijven? Waarom verschijnt de Here haar dan?
Inderdaad: Jezus verschijnt haar. Toen Lazarus op Jezus’ bevel uit het graf kwam, toen verscheen Hij niet aan zijn zusters Marta en die andere Maria. Nee, Jezus zei toen tegen de mensen die getuige waren van Lazarus’ opstanding: “Maak de doeken los en laat hem gaan” (Joh.11,44). Waarheen? Naar huis. Marta en Maria kregen Lazarus terug. Lazarus keert uit de dood terug in zijn oude leven. Hij staat door zijn opstanding weer vóór de dood, om later alsnog te sterven. De klok wordt een uur terug teruggezet. Het is weer wintertijd. Maar Jezus heeft door zijn opstanding de dood áchter Zich gelaten, om nooit weer te sterven. Hij heeft de klok een uur vooruitgezet. De zomertijd is aangebroken.
Maria’s horloge loopt achter. Ze noemt Hem als vanouds: “rabboeni”. Alsof Jezus de draad van rondreizend rabbi nu wel weer op zal pakken. Maria van Magdala denkt Jezus uit de dood terug te ontvangen, zoals Maria van Betanië Lazarus uit de dood terugontvangen had. En als Marta van Betanië wil ze weer voor Hem gaan zorgen, zoals ze dat altijd gedaan had.
Maar dat wil Jezus dus niet. Daarom zegt Hij: “Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren”. Dat wil zeggen: Probeer Mij niet in te passen in jouw belevingswereld. Die is vervormd door zonde en dood. Mijn doelen liggen veel hoger. Ik keer niet terug naar jouw wereld, Ik neem jou mee naar mijn wereld. Een wereld waarin de dood niet langer tot de toekomst, maar tot het verleden behoort. Ondertussen ben ik heel dicht bij je, veel dichter dan ik tot nu toe bij je kon zijn. Als Ik eenmaal ben opgevaren, zul je merken dat je band met Mij alleen maar vaster geworden is. “Ga dus naar mijn broers en zussen en zeg tegen hen: Ik stijg op naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is”.

Maria van Magdala gaat naar de leerlingen en vertelt hun alles wat Jezus tegen haar gezegd had. Die boodschap is blijkbaar aangekomen. Want één van die broers, de apostel Johannes, schrijft ons in zijn eerste brief: “Geliefde broeders en zusters, wij zijn nu al kinderen van God. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan hem gelijk zullen zijn wanneer hij zal verschijnen, want dan zullen we hem zien zoals hij is” (1Joh.3,2).
Aan de ene kant zijn we nu al Gods kinderen, zoals Jezus Gods Kind is. Zijn God is onze God, zijn Vader is onze Vader. Aan de andere kant is nog niet geopenbaard wat we zullen zijn. Wij leven dus als het ware nog in twee werelden. Het leven dat wij ervaren is, wat het oude doopsformulier noemde: “een voortdurend sterven”. Maar wie op de klok van Pasen kijkt zegt: Midden in de winter is de zomertijd al aangebroken. Middenin de dood zijn wij in het leven.
En ook als je zelf allang begraven bent, Hij hoeft je naam maar te noemen of je staat op om Hem tegemoet te gaan. Want al heb je Hem nog nooit gezien, je herkent Hem aan zijn stem. Dát is Jezus, mijn Heer en mijn God (20,28), mijn broer (20,17) en mijn vriend (15,15).

Amen.