Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Christus op de koude steen
titel : Christus op de koude steen
datum : 19 april 2019
volledige onderwerp : Johannes 19 : 23, 24
Download deze preek.

Preek over Joh.19,23.24 (Den Ham, Goede Vrijdag 2019)

Votum en groet
GK 143:1,2,6 (O Here, hoor naar mijn gebeden)
Gebed
L Joh.19,16b-30
GK 22:1,4,7 (Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij)
T Joh.19,23.24
Preek
ELB 189a (Vaste rots van mijn behoud)
Geloofsbelijdenis van Nicea
GK06 155:4,5 (Ja, amen, ja)
Dankzegging en voorbede
Collecte
GK06 89 (Jezus, leven van mijn leven)
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

“Heer, onze Heer, groot is uw macht, overal op aarde!” Zo geeft de Bijbel in Gewone Taal de eerste woorden van Psalm 8 weer. Voor ons gevoel moeten we wachten tot Pasen voor we die woorden weer mee kunnen zingen. Want van Jezus’ macht en luister lijkt niets overgebleven als Hij aan het kruis hangt. Toch opent de Johann Sebastian Bach zijn muziek bij het lijdensevangelie van Johannes met deze Psalmwoorden. Voor de meeste mensen die op de uitvoering van de Johannes Passie zijn afgekomen moet dat een raadsel zijn. Hoe kun je nu zingen van de roem van de Heer als Jezus roemloos aan zijn einde komt?
Toch getuigt het van een diep inzicht als Bach zijn Johannes Passie opent met die woorden uit Psalm 8. Want de evangelist Johannes zelf schrijft al op de eerste bladzijde van zijn boek: “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader” (1,14). Maar juist hij is de evangelist die het langst stilstaat bij de vernedering die Jezus onderging, toen Hem zelfs zijn kleren afgenomen werden.
Hoe vernederend dat geweest moet zijn begon ik voor het eerst goed te beseffen bij een bezoek aan het Catharijne Convent in Utrecht, een museum voor religieuze kunst. In dit museum bevindt zich een beeld uit de zestiende eeuw: Christus op de koude steen. [ppt] Daarmee wordt een moment uit het lijdensverhaal weergegeven dat in de Bijbel niet genoemd wordt, maar er wel geweest moet zijn: tussen het moment dat Hem zijn kleren uitgetrokken zijn en het moment dat zijn handen aan de kruisbalk vastgenageld werden. Wachtend op zijn terechtstelling zit Hij daar, [ppt] zo alleen, zo verloren, zo naakt.
Ik ken best veel schilderijen waarop Jezus afgebeeld is als Hij aan het kruis hangt. Toch kan ik daar onbewogen naar kijken. Wat het lijden van Christus betekende is ook niet af te beelden en al helemaal niet te filmen. Toch geeft juist dat beeld waarop Christus nog niet aan het kruis hangt, maar weerloos op zijn beulen wacht, me een vermoeden van wat er toen ook voor mij gebeurde. Want ik kan naar dat beeld kijken tot ik me realiseer dat hoe naakt Jezus daar zit. Zou ik een schilderij zien waarop Hij zonder kleren aan het kruis hangt, dan zou ik daar niet naar kunnen kijken. Ik zou het te beschamend vinden om mijn Heer zo te zien. Daarom zullen er tegen het einde van de Middeleeuwen beelden gemaakt zijn van Christus op de koude steen. Niemand wilde een schilderij maken waarmee Christus onteerd zou worden. Op schilderijen draagt Hij daarom altijd nog een lendendoek. Zou de schilder die weglaten, dan zou Hij Jezus te schande maken. Terwijl Hij in werkelijkheid wel zo te schande hing. Maar dat realiseerde ik me pas toen ik Hem op die koude steen zag zitten. Toen schaamde ik me niet voor mijn Heer, maar ik schaamde me over mezelf. Want Hij onderging die schande voor mij. [ppt]

“Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel”. Er waren dus vier soldaten om de kruisiging te voltrekken. Als dank voor bewezen diensten mochten zij de bezittingen die de terdoodveroordeelde bij zich droeg houden. Had Jezus dan niet meer bij Zich dan dit: een mantel voor om de schouder, een gordel voor om de heupen, een paar sandalen voor aan zijn voeten, een doek voor om zijn hals of op zijn hoofd… en een onderkleed? Was Hij zo arm? Je hoort soms van mensen die uit hun brandende huis niet meer hebben kunnen meenemen dan de pyjama die ze aanhadden. Maar denk je eens in dat dat kledingstuk het enige is dat je nog hebt. Je kunt je haast niet voorstellen dat iemand zo weinig heeft. Je kunt je al helemaal niet voorstellen dat iemand aan het einde van zijn leven niet meer aan al zijn zwoegen heeft overgehouden dan dit. Nu zeggen ze wel eens dat je laatste jas geen zakken heeft. Daarmee wordt bedoeld dat je toch niets van je rijkdom mee kunt nemen als je sterft. Maar zelfs die laatste jas wordt Jezus nog afgepakt. Nu heeft Hij helemaal niets meer dan zijn leven. En ook dat wordt Hem ontnomen.
In het derde hoofdstuk van de Bijbel lezen we hoe God de mens opzoekt als hij in zonde is gevallen. Als de mens en zijn vrouw Hem in de koelte van de avond door de tuin horen wandelen, verbergen ze zich voor Hem tussen de bomen. Maar God, de HEER, roept de mens: “Waar ben je?” Hij antwoordt: “Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me” (Gen.3,8-10). In de schaamte over zijn naaktheid voelt de mens hoe hij vervreemd is van God en vervreemd is van zijn vrouw. Ineens staat Hij er alleen voor. Geen God om bij te schuilen, geen mens om je aan toe te vertrouwen. Nergens bescherming tegen gevaar, nergens een uitweg uit de dood. Dan maakt God voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trekt hun die aan. Het was me nog nooit zo opgevallen, maar zo staat het er echt. God gooit de mens en zijn vrouw maar niet een stel kleren toe: “Trek dat dan maar aan”, maar bekleedt ze er zelf mee. Wat spreekt daar een liefde voor die gevallen mens uit. Toch zou het een loos gebaar geweest zijn, als God het daarbij gelaten had. Dan zouden we onszelf, nu onze naaktheid bedekt is, zelfs wijs kunnen maken dat er niets aan de hand is. Geen zonde om je voor te schamen, geen God om voor te verbergen.
Ik vraag me af, als ik dat zo zeg, of de schaamteloosheid waarmee mensen hun naaktheid tonen er een teken van is hoever ze van God verwijderd zijn geraakt. Wat mij betreft terecht zeg je dat een vrouw die een boerka moet dragen onderdrukt wordt. Maar is zo’n vrouw pas echt bevrijd wanneer ze halfnaakt op het strand durft te liggen? Moet dat een teken zijn van onze beschaving? Of is het een teken van ons verval? Wij kunnen ons onze naaktheid alleen permitteren bij de gratie van onze kleren. Als God ons die niet gegeven had, was onze naaktheid alleen maar ontluisterend.
Misschien waren de mensen die langs het kruis liepen waaraan Jezus te kijk hing meer gewend dat wij; lachten ze hun Koning uit zoals Cham zijn vader Noach uitlachte (Gen.9,22). Maar ik mag hopen dat u, als u zich probeert voor te stellen hoe Jezus daar hing, de neiging voelt op komen om net als Noachs andere beide zonen de naaktheid van de man van wie ze hielden te bedekken (Gen.9,23). Zo wil je Jezus niet zien. Maar ik denk dat je ook mag zeggen: zo wil ik mezelf niet zien. Zo kwetsbaar, zo ontluisterd, zo sterfelijk.
Maar door Jezus’ beschamende kruisdood hoef je jezelf ook niet langer zo te zien. Want je mag geloven dat Hij met jou geruild heeft. Jouw kwetsbaarheid, jouw ontluistering, jouw dood heeft Hij op Zich genomen, om jou zijn onaantastbaarheid, zijn heerlijkheid, zijn leven te geven. Je hoeft niet langer zonder hoop en zonder God in deze wereld te leven (Ef.4,12). Je bent niet langer verloren, sinds Jezus jouw verlorenheid op Zich genomen heeft. Met de liefde waarmee Hij Zichzelf voor jou opgeofferd heeft maakt hij jouw gebrek aan liefde voor God en je naasten goed. In Gods ogen ben je een goed mens, ook als je dat in je eigen ogen nog lang niet bent. De kleren die je draagt, voor jou mogen ze het teken zijn van de nieuwe mens die God je om Christus wil aantrekt (Kol.3,10). Je hoeft je niet langer voor God te schamen. Je kunt Hem onder ogen komen, omdat zijn Zoon jouw schande gedragen heeft.

Ondertussen doden de soldaten de tijd, door te dobbelen om Jezus’ onderkleed. Het zou zonde zijn dat in vieren te scheuren, want een onderkleed dat in één stuk geweven was, was wel iets bijzonders. Had Jezus dan toch nog iets kostbaars in bezit? We lezen bij Lucas dat Jezus onderhouden werd door een aantal welgestelde vrouwen die met Hem meetrokken (Lc.8,2.3). Misschien dat een van hen dit onderkleed aan Hem geschonken had. Misschien dat een van hen nu machteloos moest aanzien hoe haar geschenk door Jezus’ beulen verkwanseld werd.
Toch zegt Johannes dat zo in vervulling ging wat de Schrift zegt: “Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het los om mijn mantel”. Wil Johannes daarmee zeggen dat het nog ergens goed voor was die soldaten Jezus’ onderkleed waardevoller vonden dan Jezus zelf? Heeft deze gebeurtenis zin omdat het allemaal ging volgens Gods plan?
Ik geloof dat het net iets anders ligt. Johannes haalt hier Psalm 22 aan, de Psalm die wij vooral kennen van de openingswoorden: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?” (Ps.22,2). Maar in die Psalm beklaagt David zich er niet alleen over dat God hem verlaten heeft, maar ook dat de mensen hem al opgegeven hebben. Hij voelt zich als een stervende, wiens kinderen rond het sterfbed van hun vader de erfenis al aan het verdelen zijn. Maar ze hebben zich te vroeg rijk gerekend. Want God heeft David in zijn eer hersteld toen niemand er meer op rekende.
Je zou zeggen dat dat voor Jezus zo niet gold. Want Hij is wél gestorven en de soldaat die Jezus’ onderkleed had gewonnen, mocht zijn stuk houden. Als Davids vijanden het lot al werpen om zijn kleren voor hij is gestorven, handelen ze voor hun beurt. Maar als de soldaten het lot als werpen om Jezus’ kleren voor Hij gestorven is, handelen ze toch niet voor hun beurt. Als God het niet verhoedde, kon Jezus alleen nog sterven. En God heeft het niet verhoed. En Jezus is gestorven.
Toch geloof ik dat Johannes alleen kon zeggen dat Psalm 22 in vervulling is gegaan, omdat Hij wist dat iedereen Jezus had afgeschreven, behalve zijn Vader in de hemel. Psalm 22 verbaast ons bij het lezen nog altijd, omdat er midden in de ellende ineens een omslag komt naar de dankbaarheid. Tussen de regel: “Red mij uit de muil van de leeuw, bescherm mij tegen de horen van de wilde stier”, en de regel: “Ik zal uw naam bekendmaken, u loven in de kring van mijn volk”, staat een zinnetje dat voor je gevoel uit de lucht komt vallen: “U geeft mij antwoord” (Ps.22,22c). Zou Johannes ook aan dat zinnetje gedacht hebben, toen Hij schreef dat Psalm 22 in vervulling ging op het moment dat er om Jezus’ kleren gedobbeld werd? Was hij ervan overtuigd dat Jezus’ vijanden te vroeg gejuicht hebben, zoals Davids vijanden te vroeg gejuicht hebben?
Ik weet het wel zeker. Niet alleen omdat op het verhaal van Jezus’ dood het verhaal over Jezus’ opstanding zal volgen. Want als je gelooft dat God zijn Zoon op de derde dag weer uit de dood heeft opgewekt, ga je ook met andere ogen naar dat kruis op de eerste dag kijken. Want al is dat kruis het toonbeeld van menselijke liefdeloosheid, het was ook het toonbeeld van goddelijke liefde.
Jezus zelf zegt het zo, in het bekende verhaal over de goede herder die zijn leven geeft voor zijn schapen: “De Vader heeft mij lief omdat ik mijn leven geef, om het ook weer terug te nemen. Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die ik van mijn Vader heb gekregen (10,17.18). Wat die opdracht inhield liet Hij zijn leerlingen zien, toen Hij tijdens de maaltijd zijn bovenkleed aflegde en de voeten van zijn leerlingen ging wassen (13,4.5).
Petrus schaamde zich voor zijn halfnaakte meester. Maar God niet schaamde Zich niet voor zijn naakte Zoon. Hij had Hem lief, toen Die het leven van zijn schapen belangrijker vond dan zijn eigen leven. Laten wij ons dan ook niet schamen voor de armoede van onze Redder. Laat het ons een eer mogen zijn in zijn voetsporen te gaan en zo te doen wat God van ons vraagt: recht doen, trouw zijn, en nederig te gaan met je God (Micha 6,8).

Amen.