Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Leven in Gods aanwezigheid
titel : Leven in Gods aanwezigheid
datum : 7 oktober 2018
volledige onderwerp : Exodus 33 : 14, 15
Download deze preek.

Preek over Ex.33,14.15 (Den Ham, 7-10-18)

Votum en groet
LB 289
10 geboden
LB 859:1,3,4
Gebed
L Ex.33
LB 806
T Ex.33,14.15
Preek
LB 858
Dankzegging en voorbede
Collecte
Ps.97
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

“Indien Gij zelf niet meegaat, doe ons vanhier niet optrekken”. Zo stond het in de oude vertaling en zo kennen veel mensen de woorden van onze tekst nog uit hun hoofd. Want het bijbelwoord waar we vandaag bij stilstaan is, is een klassieke trouwtekst. Misschien zijn er ook hier wel echtparen die deze tekst meegekregen hebben toen hun huwelijk in de kerk bevestigd werd. Ik heb zelf één keer meegemaakt dat een stel vroeg om een preek over deze tekst. Want voor hen was het heel duidelijk dat het geen zin had samen verder te gaan, als de Here zelf niet op die weg met hen mee zou gaan.
Het heeft iets goeds dat we inmiddels een nieuwe bijbelvertaling hebben, die dit woord van Mozes weer iets anders weergeeft: “Als u niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken”. Het betekent precies hetzelfde, maar klinkt toch wat anders. Tenminste, op mij komen deze woorden van Mozes over als: “Als U niet zelf meegaat, kunnen we maar beter hier in de woestijn blijven. Want wat moeten we in een land van melk en honing, als U daar niet bent?”
Mozes vraagt dat aan God, maar ondertussen is het een vraag die ook ons tot nadenken mag stemmen. Want zeg jij dat met Mozes mee? Zit jij er niet op te wachten dat het je voor de wind gaat, als dat betekent dat Gods Geest zich uit je leven terugtrekt? Het is in elk geval zo dat steeds meer mensen niet meer in kunnen zien wat Gods aanwezigheid nog toevoegt aan hun leven. Het zou best zo kunnen zijn dat dat bij sommigen van u in de praktijk ook zo is. In de praktijk, niet in theorie. Want als je hardop zou zeggen dat het geen verschil zou maken of God nu wel of niet een plaats in je leven had, zou je er zelf van schrikken. Dat kan toch niet waar zijn? Maar ondertussen is het misschien allang waar.
In Exodus 33 staat een vers dat misschien ook voor jou leven best wel typerend is. In vers 7 lazen we immers: [ppt] “Mozes sloeg steeds buiten het kamp, op geruime afstand ervan, een tent op die hij de ontmoetingstent noemde. Iedereen die iets aan de Heer wilde vragen, ging naar die tent buiten het kamp”. Misschien valt je niets op aan die woorden; spreekt het je zelfs wel aan dat de Israëlieten dus een plek hadden waar je naar toe kon gaan als je de Heer iets wilde vragen. Natuurlijk, in je gebed kun je ook nu alles aan de Here vragen. Daarvoor hoef je het huis zelfs niet uit. Maar toch, blijkbaar kreeg je toen via Mozes ook echt antwoord op je vragen. En dat is nu niet meer zo. Dus als je mocht kiezen tussen toen en nu, dan zou je misschien wel kiezen voor toen.
Maar dan ga je eraan voorbij dat Mozes die ontmoetingstent dus een heel eind buiten het kamp opzette. Blijkbaar kon de ontmoeting met God niet plaatsvinden in het kamp. Daar wilde God niet wezen. Dat is des te pijnlijker als je terug gaat bladeren in het bijbelboek Exodus. Dan vind je in de hoofdstukken 25 tot en met 31 een gedetailleerde beschrijving van de ontmoetingstent die Mozes moest laten bouwen. [ppt] Misschien vind je dat bij de bijbellezing aan tafel maar saaie stukken. Maar zijn dat werkelijk zulke saaie stukken als je begrijpt dat God tot in de kleinste details voor zich ziet hoe Hij onder zijn volk komt te wonen? Dan wordt dat stuk over die ontmoetingstent die Mozes buiten het kamp opzet ineens een stuk minder aansprekend. Want blijkbaar begint God afstand tot zijn volk te nemen.
Toch betekende dat niet dat het volk dat land van melk en honing wel kon vergeten. Want aan het begin van hoofdstuk 33 had God immers tegen Mozes gezegd: “Vertrek van hier, met het volk dat je uit Egypte hebt weggeleid, en ga naar het land waarvan ik Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven, een land dat overvloeit van melk en honing. Ik zal een engel voor je uit sturen en ik zal de Kanaänieten, de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten verdrijven”. Er zit wel een klein stekeligheidje in de aanduiding: ‘het volk dat jij uit Egypte geleid hebt’. Alsof de uittocht uit Egypte geen daad van God, maar een actie van Mozes was geweest. Maar afgezien daarvan: God houdt woord. De belofte die Hij aan Abraham, Isaak en Jakob gedaan heeft komt uit: hun nakomelingen zullen wonen in dat land dat overvloeit van melk en honing. Het enige is dat Hij de uitvoering van die belofte opdraagt aan een engel. Maar de uitkomst is hetzelfde, toch?
Je zou zeggen dat God daarmee helemaal aan de wensen van het volk tegemoet was gekomen. Want ze hadden juist een gouden kalf gemaakt [ppt], omdat God hun veel te ongrijpbaar was. Zij zagen als een berg op tegen een reis met een God die jij niet kunt zien, maar Hij jou wel. Het was voor hen een schrikbeeld te moeten optrekken met een God waarover jij niet kunt beschikken, maar Hij wel over jou. Ze keerden de rollen liever om. En in het gouden kalf meenden ze de oplossing gevonden te hebben. Die beeldde uit wat zij van God verlangden: een God die vruchtbaarheid geeft in een dor land. Ja, ze meenden Gods macht te kunnen vangen in dat beeld en er zo over te beschikken. Zo’n beeld was handzaam, draagbaar. Je kon het overal mee heen nemen. Dan konden ze zelf de route van hun reis uitstippelen en tegelijk Gods macht inzetten als ze zichzelf eens machteloos voelden. Het gouden kalf was een koffer. Ik ga op reis en ik neem mee: God.
Toch is het hele volk in rouw als ze begrijpen dat God de reis naar het beloofde land uitbesteedt aan een engel. Je vraagt je af waarom. Want ze worden zo toch op hun wenken bediend? Ze willen een land van melk en honing? Ze krijgen een land van melk en honing. Wat is het probleem? Toch begint langzaam maar zeker tot hen door te dringen dat het geen zegen, maar een vloek is dat God hun wensen inwilligt. Als ze nog niet begrepen hadden wat dat betekende, dan begrijpen ze het als ze God horen zeggen: “Maar ik trek niet met jullie mee, want jullie zijn een onhandelbaar volk en ik zou jullie daarom onderweg kunnen doden”. In die woorden klinkt nog steeds Gods liefde voor zijn volk door. Want blijkbaar wil Hij dat dus echt niet: zijn volk doden. Ze mogen leven, in zijn afwezigheid. [ppt]
Er zullen genoeg mensen zijn die daarvoor zouden tekenen: leven in Gods afwezigheid. Maar ik mag hopen dat zelfs diegenen onder u die zich afvragen wat Gods aanwezigheid in hun leven eigenlijk toevoegt, schrikken als God zelf tegen hen zegt: “Niks”. Op de een of andere manier maakt het toch verschil om je jezelf te horen denken dat je beter af bent zonder God of God te horen denken dat Hij beter af is zonder jou. Als het hier nou ging om een scheiding tussen een man en een vrouw, dan zou het de meest ideale scheiding zijn die je je voor kon stellen. Want je komt van je man af zonder dat je er ook maar iets voor hoeft in te leveren. Huis, inkomen, kinderopvang, het is allemaal geregeld. Maar als God nu eens die man is, is het dan nog steeds een ideale regeling?
Mozes vindt van niet. Heel omzichtig stelt hij de vraag: “‘U draagt mij wel op het volk verder te laten trekken, maar u hebt mij niet laten weten wie u met mij mee zult sturen”. Eigenlijk staat er: “U hebt mij niet doen kennen, wie U met mij mee zult sturen”. Mozes wil maar zeggen: “Beschermengel? Die ken ik niet. Daar heb ik niks mee”. En omgekeerd, zo’n engel heeft kent hem niet. Die heeft niks met hem. Want Mozes vervolgt: “U hebt toch gezegd: ‘Jou heb ik uitgekozen, jou ben ik goedgezind’. Als dat werkelijk zo is, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan leer ik u kennen en weet ik zeker dat u mij goedgezind bent. Vergeet toch niet dat deze mensen uw volk zijn”.
Het feit dat God ons wilt kennen en dat wij Hem mogen kennen, dát is het aparte van het volk van God. Niet dat wij nooit oorlogen kennen. Niet dat wij nooit hongerlijden. Niet dat er bij ons nooit iemand overlijdt aan een ernstige ziekte. Het aparte van het volk van God is niet dat wij alleen maar voorspoed hebben en anderen alleen maar tegenspoed. Er zijn dan ook genoeg mensen die met het geloof in God gebroken hebben omdat het volgens hen voor je dagelijks leven helemaal geen verschil maakt. Zij beseffen niet dat zij leven voor zichzelf en dan ook sterven voor zichzelf (Rom.14,7.8). Zij hebben niets te danken en hebben niets te bidden. Geluk is mazzel en ongeluk pech.
Nu zult u mij niet horen zeggen dat iemand die gelooft in God wel kan verklaren waarom de een voorspoed heeft en de ander tegenspoed. De apostel Paulus schrijft niet voor niets: “Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben” (1Kor.13,12). Ook al begrijpen wij God niet altijd, Hij begrijpt ons wel. Wij houden ons eraan vast dat we in elk geval gekend zijn. En het ergste dat ons kan overkomen is dat je ook dat zou ontvallen. Als God je niet meer zou willen kennen. Als Hij niks meer van je zou willen weten. Hij moet zelf meegaan, omdat je Hem moet kunnen danken als het goed met je gaat. Hij moet zelf meegaan, omdat Hij je moet dragen als het niet goed met je gaat.
De HEER antwoordde: “Moet ik dan zelf meegaan om je gerust te stellen?” Zo geeft de Nieuwe Bijbelvertaling Gods antwoord weer: als een vraag. Maar de Bijbel in Gewone Taal vertaalt wat God zegt niet als een vraag, maar als een antwoord: “Ik zal zelf met je meegaan. Je kunt gerust zijn”. Het is de enige vertaling die dat dat zo doet. Toch is die vertaling juist. [ppt] Mozes lijkt zijn oren niet te kunnen geloven als de Here zijn bemiddelingspogingen zo zegent. Hij had het idee dat de Here nog lang niet toe was aan zo’n royale toezegging. En daarom vraagt Hij er toch nog even op door: “Als u niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken. Hoe zou moeten blijken dat u mij goedgezind bent, mij en ook uw volk, tenzij u met ons meegaat? Alleen dan nemen wij immers een bijzondere plaats in onder de volken die de aarde bewonen”. De HEER zei tegen Mozes: “Ik verzeker je dat ik zal doen wat je vraagt”.

Toch blijft het een kwetsbare belofte. Want God voegt eraan toe: “omdat ik jou goedgezind ben en ik jou heb uitgekozen”. Daar klinkt toch iets in door van: “Het Is dat Ik aan jou goede herinneringen heb, maar anders…” De genadige aanwezigheid van God bij zijn volk staat en valt hier met de trouw van een zondig mens. Hoe zou het met het volk aflopen als ook Mozes eens de fout inging? Hoe zou het met het volk aflopen als Mozes er eens niet meer zou zijn? Wij hebben iemand nodig die heilig is, zonder schuld of smet, een Middelaar die altijd leeft om voor ons te pleiten, zegt de brief aan de Hebreeën (7,25.26).
Zo’n Middelaar hebben we in Jezus Christus. Hij die de zonde niet kende, is door behandeld alsof Hij een en al zonde was, zodat wij door Hem rechtvaardig voor God konden worden (2Kor.5,21). Om zijn gehoorzaamheid tot in de dood is Hij door God hoog verheven (Flp.2,9) om een plaats te krijgen in Gods hemel (Ef.2,6). Daar zoekt Hij voortdurend het aangezicht van zijn Vader, om voor ons te pleiten. Hij is het die ook voor ons genade gevonden heeft in Gods ogen. Om Hem is het dat God ook tegen ons zegt: “Ik zal zelf met jullie meegaan”, of nog letterlijker: “Mijn aangezicht zal met jullie meegaan, om jullie rust te geven”.

Als God zelf met ons meegaat, dan niet als een rug, maar als een gezicht dat ons aankijkt. Ik kan me heel goed voorstellen dat Mozes, als hij dat hoort, nog een stapje verder gaat en vraagt: “Laat me toch uw heerlijkheid zien”. Want wat zou Hij God graag recht in zijn vriendelijke ogen kijken. Toch kon dat toen nog niet en kan dat nu nog niet. We kijken God wel in het hart als we zijn Zoon Jezus Christus voor ons zien, maar we kijken Hem nog niet in de ogen. God zien van aangezicht tot aangezicht, zover is het pas als ook wij in het beloofde land zijn aangekomen.
Maar ook al zijn wij nog niet bij Hem, Hij is al wel bij ons. Ik geloof dat het doel van dit leven is om dat geheim te ontdekken. Gods presentie in ons leven is de essentie van ons leven. Je mag leven voor zijn aangezicht en Hem onder ogen komen. Het besef dat Hij je om Jezus’ wil genadig is en zijn vriendelijke ogen op je richt, ook als het leven genadeloos is en de mensen onvriendelijk zijn. Een van de mooiste verwoordingen van dat geheim vond ik in een lied bij het verhaal van Hagar. Verstoten door Abraham, maar gezien door God [ppt]:

Al had niemand mij ooit gezien
en betekende ik
in niemands ogen iets
al was ik nog nooit begrepen
en bleef mijn hart
gesloten
al was ik nooit ik
ontheemde
vreemde voor mezelf,
was er niemand die me liefhad
[ppt] maar ik was kostbaar
in de ogen van één
die hoort en ziet...
dan is dít de plaats
de plaats van het zien
dít de tijd
de tijd om te zijn
dít de bron
de bron van de Levende
die mij ziet (ZZZ 209).

Amen.