Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De grote vrouw en haar kleine jongen
titel : De grote vrouw en haar kleine jongen
datum : 19 augustus 2018
volledige onderwerp : 2 Koningen 04 : 27b
Download deze preek.

Preek over 2Kon.4,27b (Den Ham / Almelo, 19-8-18; Enschede-O, 26-8-18)

Votum en groet
Ps.123 (NP)
10 geboden
Ps.119:64-66 (melodie: Gez.174)
Gebed
L 2Kon.4,8-37
LB 904:3-5
Kindmoment (door Peter Poortinga)
T 2Kon.4,27b
Preek
Ps.16:4,5
Dankzegging en voorbede
Collecte
LB 905
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

“Ik leef te midden van mijn eigen volk”, zegt de vrouw uit Sunem. ‘Een grote vrouw’ wordt ze in de Hebreeuwse Bijbel genoemd. Dat zal wel niet op haar postuur slaan. De Nieuwe Bijbelvertaling noemt haar dan ook ‘een voorname vrouw’. Zoiets zal wel bedoeld zijn. Maar dat geldt dan toch ook voor haar man? Toch horen we over hem in het bijbelverhaal bijna niets. Je krijgt de indruk dat zij de dienst uitmaakt en hij zich daar van harte in schikt. Was het omgekeerd geweest, dan had de Nieuwe Bijbelvertaling hem zonder problemen ‘een groot man’ genoemd. Maar ‘een groot vrouw’? In het Nederlands kennen we dat niet.
Deze grote vrouw is ook een tevreden mens. Want als de man van God haar vraagt of hij voor haar een goed woordje zal doen bij de koning of bij de legerleider, zegt ze: “Ik leef te midden van mijn eigen volk”. Daarmee lijkt ze te willen zeggen dat ze zo’n speciaal lijntje met de macht niet nodig heeft. Blijkbaar hoort ze bij een familie die al bij het hof in aanzien staat. Mocht er iets met de koning te bespreken zijn, dan heeft ze zelf wel mensen die voor haar het woord kunnen doen. Daar heeft ze de man van God niet voor nodig. Maar er klinkt ook iets van trots in door. Ze hoeft niet voorgetrokken te worden, maar wil ook niet voorgetrokken worden. Ze heeft geleerd tevreden te zijn met wat ze heeft. Natuurlijk, er blijven altijd dingen te wensen over. Maar waarom zou je kijken naar wat je niet hebt? Omdat je pas gelukkig kunt zijn als je dat ene wat je ontbreekt ook gekregen hebt? Zou het niet eerder zo zijn dat je dan wel weer wat anders mist dat je geluk compleet moet maken? Nee, kijk liever naar wat je wel hebt en wees er dankbaar voor.
Toch had ze het nodig gevonden de profeet Elisa in huis te halen toen hij eens door Sunem kwam. Ze nodigde hem dringend uit om te komen eten. Maar waarom was dat dan zo dringend? Ontbrak er toch iets aan haar geluk? Kon alleen de aanwezigheid van Gods man daarin kon voorzien? Die indruk krijg je wel als Elisa sinds die tijd vaker bij haar eet. Want ze zegt tegen haar man: “Die godsman die telkens bij ons op bezoek komt, is beslist heilig. Laten we op het dak van ons huis een kamer voor hem maken en daar een bed, een tafel, een stoel en een lamp neerzetten, dan kan hij zich daar terugtrekken als hij bij ons komt”. Het verhaal vertelt niet of haar haar man met dat plan instemde. Blijkbaar is dat ook niet nodig. Als deze vrouw wat wil, gebeurt het ook.
Maar wat wil zij nu precies? Ja, een logeerkamer voor de profeet Elisa laten bouwen. Maar waarom? Omdat het een eer was een man van God in huis te hebben? In de tijd dat dominees nog geen auto hadden en niet op zondag met de trein wilden reizen, gingen ze vaak al op zaterdag naar de stad of het dorp waar ze de volgende dag in de kerkdienst zouden voorgaan. Ik heb daar zelf nog een staartje van meegemaakt in de tijd dat ik als student het hele land door preekte: van Noord-Holland tot Limburg en van Groningen tot Zeeland. Ik kon toen weliswaar een auto van iemand lenen, maar als ik een morgendienst moest doen in een uithoek van het land, was het handiger om van zaterdag op zondag in die plaats ergens te logeren. Vaak was dat heel gezellig, maar soms ook niet. Dan bekroop met het gevoel dat de gastheer en gastvrouw het wel erg interessant vonden om een dienaar van het woord over de vloer hadden.
Maar die vrouw uit Sunem was te groot om haar zulke motieven aan haar toe te schrijven. Zij wil geen logeerkamer voor de profeet laten bouwen omdat zíj interessant wil doen, maar omdat híj heilig is. “Die godsman die telkens bij ons op bezoek komt, is beslist heilig”. Blijkbaar straalde Elisa iets uit dat haar aan God deed denken. Want mensen zijn van zichzelf niet heilig. Natuurlijk kunnen we best proberen leven in ons leven ruimte voor God te maken, maar heilig zijn we pas als God die ruimte ook wil betreden. Maar dat kun je zelfs met het meest toegewijde leven niet afdwingen. Als God met zijn Geest in ons woont, is dat geen verdienste van onze kant, maar genade van zijn kant. Die genade was Elisa blijkbaar ten deel gevallen. Als hij het woord van God sprak, sprak hij niet over God zoals veel andere profeten die in die dagen in Israël leefden. Nee, Elisa was geen mens die iets over God zei, maar een mens door wie God zelf iets tot jou zei. Hij was echt een godsman. Als hij bij je kwam, was het of God zelf bij je kwam. Was het, als hij bij je logeerde, of God zelf bij je logeerde?
Ik weet niet of die grote vrouw daarop hoopte, toen ze een kamertje voor de godsman op haar huis liet zetten. Er zit ook iets eerbiedigs in dat ze een kamer liet maken waarin Elisa zich kon terugtrekken. We zullen daarbij moeten denken aan een kamertje op het platte dak van haar huis dat je met een buitentrap kon bereiken. Het was dus niet zo dat zij probeerde Elisa in haar gezin op te nemen. Elisa’s knecht Gechazi misschien, maar Elisa zelf niet. In de nabijheid was er toch ook afstand. Afstand die zij tot Elisa en Elisa tot haar bewaart. Kijk maar eens hoe ze met elkaar communiceren: via Gechazi. Niet dat die steeds de trap op en af moet lopen om de woorden van de een over te brengen aan de ander. Maar er staat wel: “Toen de vrouw op Gechazi’s verzoek boven was gekomen, zei Elisa (niet tegen die vrouw, maar) tegen Gechazi: ‘Vraag haar wat we voor haar kunnen doen in ruil voor de moeite die zij zich voor ons getroost heeft. Kunnen we voor haar bij de koning pleiten, of bij de bevelhebber van het leger?’” Die vrouw staat dus al op het platte dak voor de kamer van Elisa. Toch praat hij niet mét haar, maar óver haar. Als de vrouw antwoordt: “Ik leef te midden van mijn volk”, vraagt Elisa opnieuw aan Gechazi: “Kan ik echt niets voor haar doen?” Als Gechazi antwoordt: “Jawel, ze heeft geen zoon, en haar man is al oud”, laat Elisa haar binnenroepen. Maar ze blijft in de deuropening staan, als de godsman tegen haar zegt: “Vandaag over een jaar zult u een zoon in uw armen houden”.
Merkwaardig hoe afstandelijk de communicatie tussen Elisa en die grote vrouw verloopt. Toen ik dat las, wist ik niet meer zo zeker of ik wel zo jaloers op Elisa moest zijn. Ik was dat wel. Mensen hoeven mij niet interessanter dan een ander te vinden omdat ik toevallig dominee ben. Maar als ik die vrouw van Elisa hoor zeggen dat hij een heilige man is, voel ik toch een steek van jaloezie in mijn hart. Ik zou willen dat u dat van mij konden zeggen. Want dat zou toch betekenen dat u aan alles merkt dat God in mij woont. Maar ‘aan alles’? Ik weet wel zeker dat dat niet zo is. Niet dat ik nooit aan God doe denken, maar altijd? Ik dacht dat ik dat graag zou willen. Maar als ik dit verhaal uit 2 Koningen 4 lees, weet ik dat niet meer zo zeker. Want Elisa leeft zo dicht bij de Here, dat hij op afstand van de mensen komt te staan. Ik meende altijd dat dat alleen voor Elisa’s voorganger, de profeet Elia, gold. Die stond zo radicaal aan Gods kant, dat hij nauwelijks onder de mensen kon zijn. Daarom had ik altijd meer met Elisa dan met Elia. Want Elisa was niet alleen een godsman, maar ook een mensenmens. Maar uit het verhaal dat we vanmorgen overdenken blijkt dat én dicht bij God én dicht bij de mensen leven toch minder makkelijk samengaat dan we wel zouden willen.
Juist zo bepaalt dit verhaal ons bij Hem die God en mens in één persoon is: Jezus Christus. Hij is de enige die we kunnen bezingen met de woorden: “één met God de Vader en verenigd met uw volk” (Gez.161:2). Maar dan moeten we nog steeds zeggen dat Hij die eenheid tussen God mens niet bereikte door als mens onder de mensen geboren te worden, maar door als mens onder de mensen gekruisigd te worden. Veel mensen dromen, bewust of onbewust, van een leven in harmonie met God. Maar het christelijk geloof zegt dat die harmonie alleen te vinden is in de grootste dissonant die ooit geklonken heeft: de kruisdood van Hem die Zoon van God en zoon van de mens was. Daar raken de hemel en de aarde elkaar, daar worden God en mens met elkaar verzoend. Niet door ons goede leven, maar door zijn kwade dood.

Toch spreekt ook het verhaal over die grote vrouw al van het lijden dat je leven binnen komt als je dicht bij God wilt leven. Ze had niet gevraagd om een zoon. “Ik leef te midden van mijn eigen volk”, had ze gezegd. Die genade was haar genoeg. In het bouwen van een kamer waarin de man van God zich terug kon trekken had ze een manier gevonden om haar dankbaarheid aan God te kunnen uiten. Het was goed zo. Alsnog een zoon krijgen, zou dat niet wat al te mooi zijn? “Nee, spiegelt u me toch niets voor”.
Zie haar nu eens zitten met haar zoon op haar schoot. “Mijn hoofd, mijn hoofd”, had de jongen geroepen. Nu kreunt hij alleen nog wat, tot hij in de armen van zijn moeder sterft. Alles in haar roept: “Mijn zoon, mijn zoon”, maar ze houdt zich groot, legt de jongen op het bed van de godsman en sluit het vertrek. Zelfs aan haar man vertelt ze niet dat hun zoon gestorven is. Ze zegt alleen dat ze even bij de godsman langsgaat. Alsof ze nog snel een boodschapje moest doen.
Vanaf de berg Karmel ziet Elisa haar aankomen. Hij zegt tegen zijn knecht Gechazi: “Kijk, daar heb je de vrouw uit Sunem. Ga haar vlug tegemoet en vraag haar: “Vrede voor u? Vrede voor uw man? Vrede voor uw zoon?” “Vrede”, zegt ze tegen Gechazi, omdat ze aan hem geen boodschap heeft. De godsman moet ze hebben en niemand anders. “Hoho, dat gaat zomaar niet”, zegt Gechazi. Maar de godsman zegt: “Laat haar maar, ze heeft verdriet. En ik wist daar niets van, de HEER heeft het voor mij verborgen gehouden”.
Ik vond het in eerste instantie zo’n merkwaardig woord, dat ik het tot tekst voor preek uitkoos. Maar zo merkwaardig is dat toch niet, dat Elisa van niets weet? Want ook al is Hij Gods man, Hij is God niet. Ook hij moet erkennen dat zijn plannen niet Gods plannen zijn en zijn wegen niet Gods wegen (Jes.55,8). Het doet haast wat ironisch aan dat Elisa juist op de berg Karmel moet ontdekken dat Gods gedachten hem vreemd zijn. Want dat was toch de plek waar God door middel van zijn voorganger Elia aan heel het volk had laten zien dat Hij God was (1Kon.17,37-39). Maar als Elisa zich daar terugtrekt om met God alleen te zijn, komt Hij erachter dat God niet alleen tot hem spreekt, maar ook tot hem zwijgt.
Toen zei de vrouw: “Heb ik u soms om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd dat u geen valse hoop moest wekken?” Niet God, maar die vrouw moet Elisa openbaren dat haar zoon gestorven is, ook als ze dat niet eens met zoveel woorden zegt. Maar Elisa zal meer tussen de regels door gehoord hebben dan dat de jongen blijkbaar gestorven is. Want het lijkt of die vrouw Elisa verwijten maakt: “Heb ik ú soms om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd dat ú geen valse hoop moest wekken?” Toch zal Elisa aangevoeld hebben dat ze geen moeite had met de man van God, maar met God zelf. Zij leefde toch te midden van haar eigen volk? Waarom kwam Hij die vrede dan verstoren, eerst met vreugde waar geen woorden voor zijn en dan weer met verdriet waar geen woorden voor zijn?
Zou het leven niet een stuk minder ingewikkeld worden als God Zich er niet mee zou bemoeien? Dan zou je van wat je overkomt kunnen zeggen dat het zo heeft moeten zijn. Maar als God ingrijpt, gebeuren er dingen die niet zo hadden moeten zijn. Die jongen, hij had toch niet aan haar gegeven hoeven worden? Die jongen, hij had toch niet van haar genomen hoeven te worden? Beide dingen waren toch niet nodig geweest? Die grote vreugde niet en dat diepe verdriet niet? Dan kan iemand als Job wel zeggen: “Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?” (Job 2,10), maar die vrouw is Job niet. Zoals ze eerst niet kon geloven dat God zó goed voor haar kon zijn, zo kan ze nu niet geloven dat God zo slecht voor haar zou zijn.
Ook bij Elisa wil dat er niet in. Hij geeft zijn knecht Gechazi de opdracht om de staf van de profeet te nemen en op de jongen te leggen. Verwachtte hij daar soms wonderen van? Gechazi wel, want als de godsman later aankomt met de vrouw, zegt hij: “De jongen is niet wakker geworden”. Maar de staf van een godsman is geen toverstaf. Misschien liet Elisa die staf alleen maar op de jongen leggen als teken dat men hem zo moest laten liggen tot hij zelf kwam. Maar als die de deur achter zich gesloten heeft, gaat hij bidden tot de HEER.
Je zou het bijna vergeten als je daarna leest hoe Elisa op de jongen gaat liggen, mond op mond, ogen op ogen, handpalmen op handpalmen. Het is of hij zich helemaal met die jongen identificeert. Alsof hij de dood van die jongen op zich wil nemen en zijn eigen leven aan die jongen wil geven. Goed beschouwd is dat een groot gebed om Christus, die met ons ruilt: Hij onze dood, wij zijn leven. En al duurt het dan nog honderden jaren voor Christus komt, toch laat God al zien dat Hij ons zó wil redden: door één met ons worden tot in de dood. Het is Hem niet om het even of wij leven of sterven. Want als eerst die vrouw en vervolgens Elisa zich niet neerleggen bij de dood van die jongen, dan omdat ze weigeren te geloven dat God zich er wel bij neerlegt. Hij kan het kwade toch niet willen zoals Hij het goede wil? Zo is Hij toch niet?
“Uiteindelijk niesde de jongen wel zeven keer, en opende zijn ogen. ‘Roep de moeder’, riep Elisa tegen Gechazi. Gechazi waarschuwde haar, en toen ze boven kwam zei Elisa: ‘U kunt uw zoon meenemen’”. Dat zal ze doen. Maar pas nadat ze op haar knieën gegaan is om God te danken voor het leven van haar zoon, dat nu een nog veel groter wonder geworden was.

Zonder God heb je niemand om te bedanken en niemand om je beklag bij te doen. Dat maakt het leven een stuk eenvoudiger. Als er toch geen antwoorden zijn, hoef je ook geen vragen te stellen. Maar als je gelooft in God rijzen er vragen waar je geen antwoord op krijgt en krijg je antwoorden waar je niet om gevraagd had. Toch zal de liefde die God ons in Jezus Christus geschonken heeft het laatste woord hebben, ook als we niet zien waar die liefde is en niet begrijpen hoe die liefde werkt. Als je dat tegen alles in blijft geloven, is er vaak wat om over te klagen en altijd wat om voor te danken. Of zoals Paulus het ergens zegt: “Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat je nodig hebt en dank hem in al je gebeden. Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, je hart en gedachten in Christus Jezus (beschermen en) bewaren” (Flp.4,6.7).

Amen.