Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Bijbel zonder achterkaft
titel : Bijbel zonder achterkaft
datum : 2 september 2018
volledige onderwerp : HebreeŽn 11 : 35
Download deze preek.

Preek over Hebr.11,35 (Den Ham, 2-9-18)

Votum en groet
GK17 163
10 geboden
Ps.139:1,5,11
Gebed
L Hebr.11,8-16
L Hebr.11,32-12,3
LB 728
T Hebr.11,35
Preek
LB 23C
Dankzegging en voorbede
Collecte
Gez.147

Gemeente van de Here Jezus,

Maarten van der Weijden. Had ik die naam drie week geleden genoemd, dan zouden sommigen van u weten over wie ik het had. Maarten van der Weijden, dat was die man die op de Olympische spelen in 2008 een goede medaille veroverde op het onderdeel tien kilometer openwaterzwemmen. Een prestatie, zeker als je weet dat hij een paar jaar daarvoor nog kanker had. Maar na zijn poging de Elfstedentocht zwemmend af te leggen [ppt], zal vrijwel iedereen van hem gehoord hebben. Hoe zwaar de opgave die Maarten van der Weijden zich gesteld had was, bleek toen hij na vijfenvijftig uur zwemmen op moest geven. [ppt] Het heeft hem, denk ik, alleen maar tot een grotere held gemaakt. Want nu besef je pas echt hoe hij zwaar hij heeft moeten afzien. Nog maar acht kilometer naar Dokkum, nog maar zevenendertig kilometer naar Leeuwarden. Maar na honderddrieënzestig kilometer ging het echt niet meer.
Wat drijft iemand om zo diep te gaan? Voor Maarten van der Weijden was het zwemmen van de Elfstedentocht geen doel op zich. Want hij wilde met zijn tocht zoveel mogelijk geld ophalen voor de bestrijding van de ziekte die zijn eigen leven bedreigd had. In sommige media werd de Elfstedentocht van Maarten van der Weijden dan ook een religieuze gebeurtenis genoemd. Want was hij niet een soort Christusfiguur, die leed voor anderen? Ook als je dat wat overdreven vindt, kun je nog altijd zeggen dat hij bezield werd door het ideaal van een wereld zonder die kanker. Hij ging zo diep, omdat hij door dat ideaal gedreven werd.
De Elfstedentocht van Maarten van der Weijden stelt iedereen, gelovig of ongelovig, de vraag: Hoe diep wil jij gaan voor je ideaal? Het enige verschil tussen gelovigen en ongelovigen is dat gelovigen zich mogen afvragen: Kan ik me voorstellen dat ik zoveel overheb voor mijn geloof in God? Is het voor mij denkbaar ik zo geïnspireerd word door het bijbelse visioen van een wereld waarin geen dood, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn meer zal zijn (Opb.21,4), dat het de keuzes die ik in mijn leven maak bepaalt? Wordt in mijn leven zichtbaar dat ik in de eerste plaats Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid zoek, in het vertrouwen dat alle andere dingen die ik nodig heb me wel geschonken zullen worden (Mt.6,33)? [ppt]

Dat is in elk geval wel de vraag waar de schrijver van de brief aan de Hebreeën ons over na wil laten denken. Want hij schrijft aan het begin van hoofdstuk 12: “Nu wij door zo’n menigte geloofsgetuigen omringd zijn, moeten ook wij de last van de zonde, waarin we steeds weer verstrikt raken, van ons afwerpen en vastberaden de wedstrijd lopen die voor ons ligt”. Met die ‘menigte van geloofsgetuigen’ bedoelt hij alle gelovigen die hij in het vorige hoofdstuk van zijn brief had genoemd. Die vergelijkt hij dus met sporters als Maarten van der Weijden. Net als hij waren die geloofsgetuigen mensen die een zware weg durfden te gaan, omdat ze een ideaal hadden dat aan hen trok.
Een van die geloofsgetuigen was Abraham. Ook hij had zo’n ideaal: de stad met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd. Maar is hij ooit in die stad aangekomen? De brief aan de Hebreeën zegt van mensen die in het spoor van Abraham gegaan zijn: “Zij allen zijn in geloof gestorven; wat hun beloofd was zagen ze geen werkelijkheid worden, ze hebben slechts een glimp ervan begroet”. Ook daarin lijken ze op Maarten van der Weijden. Want net als hij hebben ze hun doel niet gehaald. De conclusie van het beroemde hoofdstuk 11 uit de brief aan de Hebreeën luidt zelfs: “Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan”.
Misschien word je er wel boos van dat dit zo schaamteloos eerlijk in de Bijbel staat. Want is al die mensen die om hun geloof geprezen worden dan geen worst voorgehouden? Een beeld dat ontleend is aan de boeken over Dik Trom. Die won een wedstrijd voor hondenkarren, omdat hij met zijn zweep zijn hond een worst voorhield waar het beest net niet bij kon. [ppt] Kijk het beest eens rennen om die worst te grijpen. In het verhaal van Dik Trom krijgt de hond die worst natuurlijk wel als de race gelopen is. Maar voor de gelovigen die ons in de brief aan de Hebreeën tot voorbeeld gesteld worden was dat er ook niet bij. Ze zijn allemaal in het geloof gestorven en hebben alleen uit de verte iets gezien van de vervulling van Gods beloften. Moet ik daar een voorbeeld aan nemen? [ppt]
Toch voel je misschien wel aan dat je dan te snel bent met je oordeel. Want denk nog maar eens aan Maarten van der Weijden. Zou hij pas een voorbeeld zijn geworden als hij Leeuwarden wél gehaald had? Of is hij juist een voorbeeld omdat hij gegaan is voor een doel waarvan het nog maar de vraag was of het wel haalbaar was? Zou je van die geloofsgetuigen uit Hebreeën 11 kunnen zeggen dat zij net als Maarten van der Weijden helden zijn omdat ze op weg gegaan zijn zonder zich de vraag te stellen of ze wel aan zouden komen? Eén ding wordt wel duidelijk als de schrijver van de brief aan de Hebreeën de gelovigen die ons zijn voorgegaan vergelijkt met een sportman als Maarten van der Weijden: geloven is afzien. Als je denkt dat jij fluitend over de finish zult gaan, mag je je dus afvragen of je wel aan dezelfde wedstrijd meedoet als Abraham en al die andere gelovigen.
Terwijl dat dus wel Gods bedoeling was. Want hoe eindigde Hebreeën 11 ook maar weer? Niet met de woorden die ik net voorlas: “Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan”. Want er komt nog een zin achteraan. “Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan… omdat God voor ons iets beters had voorzien, en hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken”.
Ik vind dat dus een verbijsterende zin. Want hoezo is de Bijbel van kaft tot kaft Gods woord? Er zit helemaal geen kaft aan de achterkant van de Bijbel. Zonder het verhaal over ons geloof blijft het verhaal over het geloof van alle bijbelheiligen uit het oude en nieuwe testament onaf. Dan ga je met heel andere ogen naar de wonderverhalen in de Bijbel kijken.

Neem nu dat verhaal waar ik in de afgelopen twee weken met u bij stilgestaan heb, over die vrouw uit Sunem en haar zoon. [ppt] De schrijver van de brief aan de Hebreeën verwijst naar dat verhaal in het vers dat ik als tekst voor de preek heb uitgekozen: “Vrouwen kregen hun doden terug doordat die uit de dood opstonden”. [ppt] Alleen zo’n samenvattend zinnetje geeft ons al het gevoel dat die vrouw en wij in twee werelden leven. Want in onze wereld krijgen vrouwen hun doden niet terug doordat die uit de dood opstaan. Maar de schrijver van de brief aan de Hebreeën noemt dat voorbeeld niet om afstand te scheppen tussen die vrouw uit Sunem en ons. Hij wil ons met dit voorbeeld juist aanmoedigen om net als die vrouw uit Sunem tegen de klippen op te blijven geloven in God. Hij kan niet de God van de dood zijn. Hij moet de God van het leven zijn.
Zeg nu niet: “Maar als wij dat tegen de klippen op blijven geloven, krijgen wij onze geliefden niet uit de dood terug”. Want ook in het wonder van de opstanding van die jongen uit Sunem werd slechts een glimp zichtbaar van de nieuwe wereld die God beloofd had. Al was het alleen omdat die jongen inmiddels allang weer gestorven is. Maar ook al is er door de opstanding van die jongen aan de wereld waarin wij leven niets veranderd, in deze oude wereld werd toch wel degelijk een glimp zichtbaar van Gods nieuwe wereld. Een glimp die niet alleen de moeder van die jongen gezien heeft, maar die ook wij over de schouder van die moeder heen gezien hebben. [ppt]
De schrijver van de brief aan de Hebreeën is er niet op uit om ons aan te praten dat wij op ons geloof dezelfde wonderen mogen verwachten als die vrouw uit Sunem op haar geloof. Dat blijkt als je het hele vers leest: “Vrouwen kregen hun doden terug doordat die uit de dood opstonden”. Anderen werden gemarteld tot de dood erop volgde en wilden van geen vrijlating weten, omdat ze uitzagen naar een betere opstanding. Voor je gevoel is de overgang tussen de eerste en de tweede helft van dit vers groot. Want in de eerste helft gebeurt er een wonder: een zoon staat op uit de dood, terwijl er in de tweede helft juist geen wonder gebeurt: een zoon wordt gemarteld tot de dood erop volgt. Maar ik denk dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën dan zou zeggen: “Het wonder is juist dat beide vrouwen tegen de verdrukking in hun vertrouwen op God stelden”.
Ik denk dus dat het niet alleen in de eerste, maar ook in de tweede helft van onze tekst gaat over een moeder en haar zoon. Maar over welke moeder en haar zoon mag het dan in de tweede helft van de tekst gaan. Want wij kennen wel een verhaal over een vrouw die haar zoon terugkreeg uit de dood, maar niet een verhaal over een moeder die nog liever had dat haar zoon doodgemarteld werd en van geen vrijlating wilde weten, omdat ze uitzag naar een betere opstanding. Toch lag dat voor de Hebreeën waarschijnlijk anders. Want zij kenden zo’n verhaal wel. Het is het verhaal van de zeven broers en hun moeder, dat in het apocriefe boek 2 Makkabeeën staat. Alle uitleggers zijn het erover eens dat de schrijver van de Hebreeënbrief dit verhaal bedoelt. Je kunt een verwijzing naar 2 Makkabeeën 7 al vinden in de kanttekeningen bij de Statenbijbel.
In de Makkabeeënboeken gaat het over de vervolging van de joden die het plaats gevonden rond 150 voor Christus onder de Syrische koning Antiochus Epifanes. Die ontwijdde de tempel van de HEER door varkensvlees op het brandoffer te brengen en ontwijdde het volk van de HEER door het te dwingen varkensvlees te eten. In 2 Makkabeeën 7 wordt verteld hoe dat ging. Om een voorbeeld te stellen liet de koning een moeder en haar zeven zonen arresteren, om hen in het openbaar te dwingen varkensvlees te eten. [ppt] Toen de oudste zoon weigerde, werd hij op een verschrikkelijk manier afgeslacht. Maar als de koning dacht dat de tweede zoon nu wel zou toegeven, vergistte hij zich. Want die zei: “U beneemt ons nu wel het tegenwoordige leven, maar de koning van de wereld zal ons na onze dood tot een nieuw, eeuwig leven opwekkend, omdat we omwille van zijn voorschriften gestorven zijn” (2Mak.7,9). Zo getuigden alle zonen van die vrouw van hun geloof in de opstanding voor ze onder verschrikkelijke pijnigingen stierven. Als de zevende zoon aan de beurt is, vraagt de koning de moeder het leven van haar laatste zoon te redden door hem over te halen toe te geven. Maar zij zegt tegen haar zoon: “Wees niet bang voor de beul, maar laat zien dat je je broers waardig bent en aanvaard de dood, dan zal ik door Gods barmhartigheid jou en je broers terugkrijgen”. [ppt]
Als u dit verhaal kent, voelt u de lading die die woorden van onze tekst hebben: “Anderen werden gemarteld tot de dood erop volgde en wilden van geen vrijlating weten, omdat ze uitzagen naar een betere opstanding”. Maar als het zowel in het verhaal over die vrouw die haar zoon terugkreeg uit de dood als in het verhaal over die vrouw die haar zonen níet terugkreeg uit de dood gaat over het wonder van het geloof, dan is de vraag dus niet: Zou dit daar en toen echt gebeurd zijn, maar: Zou dit hier en nu echt gebeuren? Niet ergens anders, maar hier in Den Ham. Niet bij iemand anders, maar bij jou. De schrijver van de brief aan de Hebreeën daagt je uit om ‘ja’ op die vraag te zeggen: “Ja, ook ik sluit me aan bij eindeloos lange rij van mensen die, hoe verschillend ze ook zijn, één ding gemeen hebben: een grenzeloos vertrouwen op God en zijn woord”.

Maar het is net of hij zich ineens realiseert dat het misschien ook wel eens ontmoedigend zou kunnen werken om zijn lezers te wijzen op al die medegelovigen die net als Maarten van der Weijden alles gegeven hebben en net als Maarten van der Weijden het doel niet gehaald hebben. Want in plaats van te zeggen: Kijk maar eens naar al die Maarten van der Weijdens, zegt hij: [ppt] “Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof”.
Grondlegger en voltooier. Beide woorden zijn opvallend. Want ook al kwam Jezus na die vrouw met haar ene zoon en na die vrouw met haar zeven zonen, toch was Hij de dragende grond onder hun geloof.

Had de Here Jezus ons niet opgezocht,
mens onder de mensen, en ons vrijgekocht,
Hij alleen tot sterven voor anderen bereid, –
wij waren verloren in alle eeuwigheid (LvK 175:2),

Dat geldt voor die geloofshelden uit Hebreeën 11 niet minder dan voor ons.
Maar dat geen van hen de voltooier van het geloof is, mag duidelijk zijn. Want geen van hen is opgestaan op nooit meer te sterven. Daarvan is er maar één: Jezus Christus. Toch mag je door het geloof in Hem al delen in zijn zondeloosheid, ook als je nog steeds zonde doet. Toch mag je door het geloof al delen in zijn onsterfelijkheid, ook als je nog steeds sterven moet.
Dat Jezus de voltooier van het geloof is, wil niet zeggen dat er sinds Jezus is gestorven en opgestaan niets meer te geloven valt. Nee, sinds Jezus is gestorven en opgestaan valt er pas echt wat te geloven. Of zoals een bekend opwekkingslied het zegt:


Als ik de weg niet weet,
de hoop opgeef,
toon mij dat Christus
heel mijn weg gelopen heeft (Opw.687).

Als je Christus maar voor je blijft zien, zal het wonder van het geloof zich in jouw leven net zo goed voltrekken als in het leven van die vrouw met haar ene zoon en die vrouw met haar zeven zonen. Dan zullen zij niet zonder jou de volmaaktheid bereiken, maar met jou ingaan in het feest van de Heer.
[[ppt] Volgende week bereiden we ons op dat feest voor door samen het avondmaal te vieren. We komen in beweging om Hem vast te grijpen die ons vastgegrepen heeft. Dan kunnen we weer verder, samen verder, met elkaar en met hen die ons zijn voorgegaan.]

Amen.