Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Als je het over een engel hebt...
titel : Als je het over een engel hebt...
datum : 26 augustus 2018
volledige onderwerp : 2 Koningen 08 : 1-6
Download deze preek.

Preek over 2Kon.8,1-6 (Den Ham, 26-8-18)

Votum en groet
LB 8a
10 geboden
Gez.9
Gebed
Opw.710 (na dopen Wessel Veurink)
L 2Pt.1
Ps.146:3,7,8
T 2Kon.8,1-6
Preek
Ps.102:8,9,10
Dankzegging en voorbede
Collecte
ELb 270
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

“Als je het over de duivel hebt, dan trap je op zijn staart”, zeggen we wel eens in het Nederlands, wanneer je een verhaal over iemand vertelt en diegene komt net op dat moment langs. Het is een wat merkwaardige uitdrukking. Want waarom is degene over wie je zat te praten een duivel die je op zijn staart trapt? Er zal vast een verklaring voor deze uitdrukking zijn, maar die ken ik niet. Ik weet wel dat de Engelsen een variant hebben, die me meer aanspreekt. Zij zeggen: “Als je het over een engel hebt, dan hoor je zijn vleugels ruisen”. Maar ze bedoelen daar hetzelfde mee. Net als je het over iemand hebt, komt hij eraan.
Zoiets gebeurt er in het bijbelverhaal waar we vanmorgen bij stilstaan. De koning van Israël hoort Gechazi uit over zijn meester, de profeet Elisa. Net als Gechazi aan het vertellen is over die zoon van de vrouw uit Sunem, die door Elisa uit de dood was opgewekt, komen moeder en zoon bij de koning langs. Als je het over een engel hebt… Gechazi zegt verrast: “Dit zijn ze, mijn heer en koning. Dit is de vrouw over wie ik het had en dat is de jongen die Elisa tot leven heeft gewekt”.
Je zou zeggen: Dat is ook toevallig. Als je niet in het toeval gelooft, zei je misschien: “Nou, dit heeft zo moeten zijn”. Maar ook als je gelooft dat God het zo geleid heeft dat die twee mannen het net over moeder en zoon uit Sunem hadden toen die beiden zich melden, blijft de vraag waarom dat zó belangrijk is dat wij er een kleine negenentwintighonderd jaar nog steeds over moeten lezen. Vorige week stonden ook wij stil bij het verhaal dat Gechazi net aan het vertellen was. Als u die preek gehoord hebt, dan hoop ik dat u gevoeld hebt dat dat verhaal zelf het waard is om nog altijd doorverteld te worden. Maar wat voegt het toe dat wij weten dat de koning van Israël niet alleen het verhaal over de vrouw en haar zoon gehoord heeft, maar die vrouw en haar zoon ook zelf ontmoet heeft?
Ik kan er maar één verklaring voor bedenken en dat is dat wij ons geloof dus niet baseren op vernuftige verzinsels. Zo zegt Petrus het in zijn tweede brief: “Toen wij u de glorierijke komst van onze Heer Jezus Christus verkondigden, baseerden wij ons niet op vernuftige verzinsels – integendeel, wij hebben met eigen ogen zijn grootheid gezien”.

Voor het woord ‘verzinsels’ staat er in het Grieks een woord dat wij in het Nederlands ook kennen: mythen. Mythen zijn verhalen waarin gebeurtenissen beschreven worden uit een ver verleden. In die verhalen spelen goden, vreemde wezens, helden de hoofdrol. Die verhalen worden doorverteld omdat ze antwoord geven op de grote vragen waar elk mens tegenaan loopt: Wat doe ik hier, waar is dit goed voor, waar gaat het heen? Maar of de dingen die in die verhalen verteld worden wel echt gebeurd zijn, doet er niet toe. Want ze bevatten geen informatie over het verleden, maar een boodschap voor het heden. De Griekse godenverhalen worden daarom nog altijd doorverteld. Niet omdat er nog iemand is die in de afgoden uit de klassiek oudheid geloofd, maar omdat die mythen gaan over problemen die nog altijd spelen.
Op dit moment kun je in veel boekhandels het boek ‘Mythos’ zien liggen van de Engelse schrijver Stephen Fry. Daarin worden die oude godenverhalen op een spannende manier naverteld. Misschien heeft iemand van u het al wel gelezen. Dan zul je het met Petrus eens zijn dat die mythen vernuftig in elkaar zitten. Ze zijn niet alleen knap geschreven, maar gaan ook nog eens ergens over. Neem het verhaal over koning Midas, die waarschijnlijk echt geleefd heeft. Het verhaal gaat dat hij van de goden de macht kreeg om alles wat hij aanraakte in goud te veranderen. Dat klinkt wel mooi, maar als dus je ook voedsel of je kind in goud verandert, dan blijkt wat een zegen lijkt een vloek te zijn. Natuurlijk is dat verhaal niet echt gebeurd. Maar daarom is het nog wel waar.
Toch kun je dat zo van de verhalen uit de Bijbel niet zeggen. Niet omdat een verhaal echt gebeurd moet zijn om waar te kunnen zijn. Want stel, je bezoekt Israël en je gids vertelt je dat dáár de herberg stond waar de barmhartige Samaritaan die man heen bracht die in de handen van rovers gevallen was. Dan zul je waarschijnlijk zeggen: “Maar dat is niet echt gebeurd. Het verhaal van de barmhartige Samaritaan is een gelijkenis”. Dat sluit natuurlijk niet uit dat er langs de weg van Jeruzalem naar Jericho een herberg gestaan heeft. Maar voor de waarheid van Jezus’ gelijkenis maakt dat niet uit.
Maar zou je ook van het verhaal dat Gechazi aan de koning van Israël vertelt kunnen zeggen dat het niet uitmaakt of de zoon van de vrouw uit Sunem op het gebed van de profeet Elisa uit de dood is opgestaan? Nico ter Linden, een dominee die begin dit jaar overleed en bekend werd door zijn bijbelvertellingen, besluit zijn verhaal over die jongen die dood was en weer leven werd zo: “De jongen groeide voorspoedig op. Zijn moeder kende mooie verhalen over de liefde van God die de dood overwint. En altijd wist die jongen dat kamertje boven zich, met die stoel, die tafel, de kandelaar, en met het bed waar hij weer tot leven kwam”. Ik vind dat prachtig. Want die mooie verhalen over de liefde van God die de dood overwint zijn geen vernuftige verzinsels. Die jongen hoefde maar naar het plafond te kijken of hij dacht: “Daarboven staat het bed van de man van God. Daar heeft moeder heeft mij op gelegd toen ik stierf. Daar heeft moeder mij af gehaald toen ik weer levend werd”. Toch noemt Nico ter Linden dat het verhaal over die moeder en die zoon een legende. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat hij in zijn bijbelvertellingen het gedeelte waar deze preek over gaat weglaat.
Op zichzelf is dat ook geen spannend verhaal. Hoewel, dat zul je toch meemaken. Iemand ontmoeten die dood geweest is. Misschien heb je wel eens iemand ontmoet die bijna dood geweest is. Ik in elk geval wel. Voor hem is het een ervaring geweest die zijn leven veranderd heeft. Want hij voelde een vrede waar hij nog heimwee naar kan hebben. Wat zou iemand die niet bijna dood, maar echt dood geweest is dan wel niet kunnen vertellen? Maar dat verhaal staat niet in de Bijbel. Wat er wel staat, lijkt alleen bedoeld te zijn om nog maar eens te onderstrepen dat het verhaal over die jongen echt gebeurd is.
Maar maakt dat voor ons dan wat uit? Voor sommigen is het misschien zelfs pijnlijk om in te lezen dat een moeder haar zoon uit de dood terugkreeg. Want als dat echt gebeurd is, roept dat toch ook de vraag op waarom zoiets in het echt dan niet meer gebeurt? Wat bewijst zo’n verhaal nu helemaal? Dat als het toen kon, dat het dan nu ook kan? Dat gelooft toch niemand?
Of niemand dat gelooft, weet ik niet. Maar ik weet wel dat het verhaal over die vrouw en die zoon niet twee keer in de Bijbel staat om ons te laten geloven dat zulke wonderen vroeger heel normaal waren, en al helemaal niet dat het aan ons ongeloof ligt dat zulke wonderen nu niet meer gebeuren. God doet nog steeds wonderen op het gebed van zijn kinderen. Maar vorige week was de boodschap van het verhaal over die jongen die op het gebed van Elisa opstond uit de dood niet dat ook wij om zo’n wonder moeten bidden als wij geconfronteerd worden met het vroegtijdige overlijden van iemand van wie we houden. Als iemand stervende is, moet je niet meer bidden om genezing. Als iemand al gestorven is, moet je al helemaal niet meer bidden om genezing. Toch vertelt de Bijbel dat Elisa dat wel deed en dat God zijn gebed nog verhoorde ook. Want die kant gaat het op, als de Messias komt en Gods nieuwe wereld aanbreekt waarin er geen dood, geen rouw, geen jammerklacht en geen pijn meer zal zijn (Opb.21,4). Dan zullen niet alleen de mensen die dan nog leven niet meer sterven, maar ook de mensen die dan al gestorven zijn weer opstaan. Niemand sterft te vroeg om nog door de Messias gered te kunnen worden.

Maar zou je misschien wel te laat kunnen sterven om nog door de Messias gered te kunnen worden? Want de Messias is toch al gekomen: Gods Zoon, Jezus Christus? Toch lijkt zijn komst er niets aan veranderd te hebben dat mensen sterven. Slechts drie mensen hebben het geluk gehad dat ze door Jezus uit de dood zijn opgewekt: de jongen uit Naïn (Lc.7,11-17), het dochtertje van Jaïrus (Lc.8,49-56) en Lazarus, de broer van Martha en Maria (Joh.11,32-44). Hoewel, ook zij zijn weer gestorven.
Maar Jezus Christus zelf niet! Hij heeft de dood overwonnen door zijn leven zelf af te leggen om het zelf weer terug te nemen (Joh.10,17.18). Hij is even echt opgestaan als Hij is gestorven. De apostel Paulus schrijft aan mensen in Korinte die niet geloven in de opstanding van doden: “Hij is verschenen aan Petrus en vervolgens aan de twaalf leerlingen. Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven” (1Kor.15,5.6). Paulus noemt nog meer mensen die Christus gezien hebben na zijn opstanding. Maar hij vraagt aandacht voor de getuigen die nog leven, omdat er dus een tijd geweest is dat je die mensen nog kon spreken. Zoals er ook een tijd geweest is dat je die vrouw en haar zoon nog kon spreken. Want het gaat hier niet om mythen, maar om feiten.
Maar die feiten worden ons niet verteld om ons ervan te overtuigen dat het dus kan, opstaan uit de dood. Nee, ze worden ons verteld omdat het niet kan, opstaan uit de dood. Dat kon toen niet, dat kan nu niet en dat kan straks niet. Toch gebeurde het toen wel en toch gebeurt het straks wel, omdat Jezus Christus net zo dood geworden is als die jongen uit Sunem. Misschien verbaas je je meer over de opstanding van de zoon van die vrouw dan over de dood van de Zoon van God. Toch is dat niet terecht. Want alleen omdat de Zoon van God de dood doorstaan heeft, is er leven voor mensen als wij, echte mensen uit Sunem en echte mensen uit Den Ham.
Ik geloof dat het verhaal over de ontmoeting van de koning van Israël met die moeder en haar zoon daarom in de Bijbel staat. Want het evangelie is geen verhaal dat boven ons concrete, zichtbare en sterfelijke leven zweeft, maar een wereld van leven die midden in dat concrete, zichtbare en sterfelijke leven van ons landt. Het geeft geen lessen waarvan je kunt leren, maar het geeft redding waarvan je kunt leven.
Daarom spreken we bij de geboorte van een kind als Wessel Veurink niet de wens uit dat hij maar lang en gelukkig mag leven, maar dopen we het in water dat net zo gewoon is als het water uit de Regge of uit de Jordaan. Maar dat water staat voor verlossing die net zo echt gebeurt als Jezus’ dood en opstanding echt gebeurd zijn. Je beweegt met Jezus mee, die neerdaalt in de dood en opstijgt uit het graf. Ook tegen jou zegt Hij: “Ik ben degene die leeft; ik was dood, maar ik leef, nu en in eeuwigheid” (Opb.1,18). En jij mag antwoorden:

Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,
mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.
U levert mij niet over aan het dodenrijk
en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.
U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde (Ps.16,9-11).

Een hart dat zich verheugt, een ziel die juicht en een lichaam dat zich veilig voelt. Want God is de God heel mijn bestaan en Jezus is de Heer van mijn ziel en mijn lichaam. Daarom kan de apostel Paulus ook ergens schrijven: “U bent gekocht en betaald, dus bewijs God eer met uw lichaam” (1Kor.6,20).

Dat het evangelie gaat over ons concrete bestaan, blijkt ook al uit het slot van het verhaal dat wij vanmorgen overdenken. Want als God voor die vrouw en haar zoon zorgt, kan de koning niet achterblijven. Hij zegt tegen een van zijn dienaren: “Zorg ervoor dat ze al haar bezittingen terugkrijgt, en ook alles wat haar grond heeft opgebracht vanaf de dag dat ze het land verliet tot nu toe”.
Ook toevallig dat die vrouw en haar zoon net bij de koning aankomen op het moment dat hij hoort dat God haar zoon uit de dood heeft opgewekt… Maar als je gelooft dat God als een Vader voor je zorgt, zul je dat soort toevalligheden wel vaker opmerken. Dan hoor je de vleugels van zijn engelen ruisen.

Amen.