Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Welzalig de man. Alles mislukt (voor biddag)
titel : Welzalig de man. Alles mislukt (voor biddag)
datum : 14 maart 2018
volledige onderwerp : 1 Koningen 22 : 49
Download deze preek.

Overdenking van 1Kon.22,49 (Den Ham, biddag 2018)

Bij de afkondiging van het overlijden van zr. Mina Veurink – van der Vegt
Lezen: Joh.17,24
Zingen: LB 17:7
Votum en groet
Ps.1
Gebed
L 1Kon.22,41-51
Ps.90:7,8
T 1Kon.22,49
Ps.107:8,11 (NB)
Gebed voor gewas en arbeid
Stil gebed
LB 1006
Collecte
NGez.220
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Ter voorbereiding op ons gebed, staan we stil bij een gebeurtenis uit de regeringstijd van koning Josafat van Juda. We lezen in 1 Koningen 22 vers 49: “Josafat bouwde een handelsvloot om goud te halen in Ofir, maar de reis ging niet door want de schepen vergingen al bij Esjon-Geber”. Als je het hele stuk leest waar die tekst in staat, krijg je het gevoel dat die er wat los bij hangt. Alsof de bijbelschrijver dit debacle niet kwijt kon in het verhaal dat hij over Josafat wilde vertellen, maar het ook niet ongenoemd wilde laten.
Toch intrigeert het juist daardoor. Want het beeld dat de Bijbel oproept van deze vierde koning van het tweestammenrijk Juda is voluit positief: “Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn vader Asa en deed wat goed is in de ogen van de HEER”. Je zou verwachten dat je nu van Josafat kon zeggen wat we aan het begin van de diensten zongen uit Psalm 1: “De HERE zegent hem met overvloed, zijn voorspoed blijkt in alles wat hij doet”. Maar blijkbaar werkt het niet altijd zo. Al deed Josafat wat goed is in de ogen van de HEER, toch mislukte zijn plan om zelf goud uit Ofir te halen. Je krijgt de indruk dat het vergaan van zijn vloot voor hem een teken van de Here geweest is. Want als zijn collega, koning Achazja van Israël, hem voorstelt om een nieuwe poging te doen, weigert Josafat dat. Hij laat het erbij, omdat hij tot de overtuiging is gekomen dat er geen zegen rust op deze onderneming.
In het bijbelboek 2 Kronieken is een gebed van koning Josafat bewaard gebleven dat veel indruk op me gemaakt heeft. Als zijn land wordt aangevallen door een alliantie van Overjordaanse volken, bidt Josafat tot de Here: “Wij weten niet wat we moeten doen, op u zijn onze ogen gevestigd” (2Kron.20,12). Hij doet dat niet in de binnenkamer, maar in de voorhof van de tempel. Iedereen mocht horen hoe weinig hij van zichzelf en hoeveel hij van God verwachtte.
Maar in 2 Kronieken lezen we ook dat het de HEER was die de vloot van Josafat liet vergaan omdat Josafat zulke goede relaties met de goddeloze koningen van het tienstammenrijk Israël had. Ook bij de bouw van de vloot die op Ofir moest varen had zijn collega Achazja hem geholpen door hem het timmerhout te leveren: cederhout van de Libanon, dennenhout van de Hermon en eikenhout uit Basan. Als tegenprestatie zou Josafat zijn collega dan laten delen in de winst. Maar een profeet met de naam Eliëzer, voorzegde Josafat dat de HEER zijn onderneming zou laten mislukken omdat hij een overeenkomst met Achazja gesloten had. En zo is het dus ook gegaan, zegt de kroniekschrijver (2Kron.20,35-37).
Ook al beantwoordt het verhaal dat we in Kronieken vinden vragen die opkomen als we het verhaal in Koningen lezen, er rijzen toch ook nieuwe vragen. Want was Josafats onderneming dan wel geslaagd als hij niet samengewerkt had met die goddeloze koning van Israël? Ik heb geen redenen om eraan te twijfelen of het wel terecht is dat schrijver van het boek in Kronieken het vergaan van de vloot van Josafat uitlegt als een straf van God. Maar dat betekent nog niet dat je altijd kunt zeggen dat het een straf van God is als een plan waar je vol goede moed aan begonnen bent mislukt. Om die reden kies ik vanavond niet voor de versie uit Kronieken, maar voor die uit Koningen. Want daarin staan beide dingen naast elkaar: dat Josafat deed was goed is in de ogen van de Heer én dat er toch op die vloot naar Ofir geen zegen rustte. Zo kan het gaan in het leven van iemand die oprecht probeert de Here te dienen. Van de plannen die je gemaakt had komt niets terecht. Misschien heb je er in sommige gevallen zelf aanleiding voor gegeven, maar waarschijnlijk kun je in de meeste gevallen geen goede reden geven waarom de Here een andere weg met je wil gaan dan je zelf had willen gaan.
Als ik in 1 Koningen 22 lees dat Josafat een handelsvloot bouwde om goud uit Ofir te halen, komt het mij voor dat Josafat een poging doet om de tijden van Salomo te laten herleven. We lezen in de laatste verzen van 1 Koningen 9: “Koning Salomo had ook een vloot laten bouwen, in Esjon-Geber bij Elat, aan de kust van de Rode Zee, in Edom. Chiram [de koning van Tyrus] stuurde ervaren zeelieden met Salomo’s vloot mee om de bemanning bij te staan. De vloot voer naar Ofir, van waar ze vierhonderdtwintig talent goud voor koning Salomo meebrachten”.
[ppt] Esjon-Geber ligt bij de huidige badplaats Eilat, in het uiterste zuiden van Israël en aan een uitloper van de Rode Zee. Ofir ligt waarschijnlijk in het huidige Jemen. Maar er wordt ook wel gedacht aan Ethiopië, dat aan de overkant van de Rode Zee ligt en zelfs aan landen die veel zuidelijker aan oostkust van Afrika lagen. Het is bekend dat in de bijbelse koningentijd schepen uit Tyrus al om Afrika heen gevaren zijn om die kusten te bereiken. Maar vanuit Esjon-Geber was de reis veel korter. Door het goud zelf te halen, was Salomo bovendien niet afhankelijk van karavanen die het na een barre tocht door de woestijn in Jeruzalem brachten. Salomo’s goudvloot zal mee de basis van zijn macht en zijn rijkdom gevormd hebben. Maar toen zijn koninkrijk na zijn dood in tweeën scheurde, stortte ook de handelsrelatie met Ofir in.
Josafat doet een poging om de handel nieuw leven in te blazen. Maar zijn vloot vergaat al voor zij goed en wel de haven verlaten heeft. Toen begreep Josafat dat zijn plannen niet Gods plannen en zijn wegen niet Gods wegen (Jes.55,8). Josafat wilde zo groot als Salomo worden, maar God wilde dat Josafat zou klein als Josafat zou blijven: de man die niet wist wat hij moest doen en daarom zijn ogen op God gericht hield. Toen zijn collega Achazja hem aanspoorde een nieuwe poging te doen – hij kon wel aan zeelui uit Tyrus komen die hun schepen ook in een storm drijvende wisten te houden – , zei Josafat nee. Voortaan was het hem genoeg genade te vinden in de ogen van God (vgl. 2Kor.12,9). [ppt]
Wij worden in deze dagen allemaal bepaald bij de waarheid van een van de Spreuken van Salomo: “Een mens stippelt zijn weg uit, de HEER bepaalt de richting die hij gaat”. Hebben wij dus niks in te brengen? Wel degelijk. Want God heeft graag dat we bij Hem komen om alles wat wij nodig denken te hebben aan Hem voor te leggen. Wat gaat God daar vaak in mee. Laten we ook dat verwonderd erkennen. Maar God gaat er soms ook niet in mee. Kun je dan, niet met de grote, maar met de kleine Josafat zeggen: “Ik weet niet wat ik moet doen, mijn ogen zijn op U gevestigd”?
Laat ook dat vandaag onze bede mogen zijn. Of om een gebed van Josafats voorvader David aan te halen:

Maak mij, HEER, met uw wegen vertrouwd,
leer mij uw paden te gaan.
Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij,
want u bent de God die mij redt,
op u blijf ik hopen, elke dag weer (Ps.25,4.5).

Amen.