Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De vrees voor de Joden
titel : De vrees voor de Joden
datum : 24 december 2017
volledige onderwerp : Ester 08 : 17
Download deze preek.

Preek over Est.8,17 (Den Ham, 24-12-17)

Votum en groet
Gez.80
Gebed
L Est.8,3-17
LvK 45:1,3,6
T Est.8,17
Ps.99:1-4
Apostolische geloofsbelijdenis
Gez.167
Dankzegging en voorbede
Collecte
LB 461
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Vrede op aarde. Morgen zingen we er weer van. Omdat we geloven dat met de geboorte van Jezus de vrede is aangebroken. Toch wordt elk jaar weer de viering van het kerstfeest voorafgegaan door een periode van advent. Want ook al is Jezus al gekomen, toch moeten wij ons nog steeds instellen op zijn komst. Anders wordt ‘vrede op aarde’ een loze kreet uit de mond van mensen die die vrede niet kennen, en dus ook nergens herkennen.
Dit jaar lezen we in de adventstijd uit het bijbelboek Ester. Zet dat boek ons nu op het spoor van de vrede met Jezus zal komen? Zeg niet dat het niet zo is. Want in dat boek lijkt Gods wereld onze wereld soms toch even te raken. Dat gebeurde toen koning Wasti ‘nee’ zei tegen het bevel van koning Ahasveros om zich door een zaal vol dronken mannen te laten bekijken. Met haar ‘nee’ maakte ze ruimte voor Ester, door wie God zijn volk wilde verlossen. Ze werkte mee met God door niet mee te werken met haar man. Ook zagen we een glimp van Gods nieuwe wereld, toen hij die zichzelf verhoogd had juist vernederd werd. “Dit valt eenieder ten deel aan wie de koning eer wil bewijzen”, riep Haman voor Mordechai uit. Maar in die woorden klonk toch ook het omgekeerde door: “Dit valt eenieder ten deel die zichzelf eer wil bewijzen”. Aan de paal die Haman voor Mordechai had laten klaarzetten in zijn achtertuin zou hij zelf opgehangen worden. Zijn plaats werd ingenomen door Mordechai, de man die hij zó haatte, dat hij het hele Joodse volk had willen uitroeien.

Maar ook al is Haman inmiddels gevallen, de wet die hij in de naam van de koning had uitgevaardigd is niet komen te vervallen. Op de dertiende dag van de twaalfde maand moeten alle Joden worden gedood en volledig uitgeroeid, jong en oud, vrouwen en kinderen inbegrepen. Ester smeekt de koning om een schrijven te laten uitgaan waarin die wet herroepen wordt. “Want hoe zou ik het uit onheil dat mijn volk treft kunnen aanzien? Hoe zou ik het uitroeien van mijn familie kunnen aanzien?” Maar het antwoord dat koning Ahasveros geeft klinkt wat ontwijkend. “Stel zelf, in naam van de koning, een verordening op schrift die volgens u in het belang van de Joden is, en verzegel die met de koninklijke zegelring. Want wat geschreven is in naam van de koning en verzegeld met de zegelring van de koning kan niet herroepen worden”.
Op het eerste gehoor lijkt het of de koning Ester met die woorden haar zin geeft. Toch is dat niet zo. Want ook de wet die Haman had laten uitgaan om de Joden uit te roeien was geschreven in naam van de koning en verzegeld met de zegelring van de koning. “Stel zelf een verordening op schrift die volgens u in het belang van de koning is”, daarin klinkt de machteloosheid door van een koning die gevangen zit in zijn eigen rechtssysteem. Want hoe was het ook maar weer? Een wet van Meden en Perzen kan niet herroepen worden (1,19; vgl. Dan.6,9).
In het Nederlands zijn zulke wetten nog steeds spreekwoordelijk. Als iemand zijn gelijk wil halen met een regel van vroeger, kunnen ook wij zeggen: “Kom op zeg, dat is toch geen wet van Meden en Perzen?” Als wij het hebben over een wet van Meden en Perzen, bedoelen we dat niet positief. Een wet van Meden en Perzen is voor ons hét voorbeeld van starheid. Als iets vroeger goed was, betekent dat nog niet dat het vandaag ook nog goed is. In Nederland worden oude wetten daarom aangepast aan de eisen van deze tijd en soms zelf ingetrokken.
Toch hadden die wetten van Meden en Perzen ook iets goeds. Want ze beschermden het volk tegen de willekeur van hun vorst. Die kon niet de ene dag een wet uitvaardigen om die de andere dag weer in te trekken. Soms voel je even heimwee naar die wetten van Meden en Perzen als je ziet dat onze regering wetten terugdraait als ze haar te veel geld kosten. Kopen er wat al te veel mensen een elektrische auto, dan wordt de subsidie op de aanschaf van zo’n auto snel weer teruggedraaid. Maar ook onze boeren kunnen over zulk zigzagbeleid meepraten. Hoeveel bedrijven zijn er in de afgelopen tijd niet over de kop gegaan, nadat het melkquotum werd afgeschaft, maar het mestquotum aangescherpt?
Maar al valt er van die wetten van Meden en Perzen dus ook wel iets goeds te zeggen, we moeten niet doorslaan door te zeggen dat de wet van God een wet van Meden en Perzen is, die niet veranderd kan worden. Want de apostel Paulus schrijft in zijn brief aan de Galaten: “De wet hield toezicht op ons totdat Christus kwam, zodat we door ons vertrouwen op God als rechtvaardigen konden worden aangenomen. Maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht, want door het geloof en in Christus Jezus bent u allen kinderen van God” (Gal.3,24-26). Gehoorzaamheid aan de wet is dus geen doel in zichzelf, maar een middel om ons bij Christus te brengen. Sinds Christus de wet voor ons vervuld heeft, kunnen we ons niet langer beroemen op de stiptheid waarmee we ons aan Gods houden, net zomin als we ons kunnen beroemen op de vrijheid waarmee we ons níet meer aan Gods wet houden. Want in beide gevallen zijn trots op onszelf. Onze zekerheid ligtn Christus alleen. Bij alle keuzes die we maken moeten we onszelf dan ook afvragen of het ons dichter bij Hem brengt of juist niet. Want Gods richtlijnen vinden in Christus hun doel (Rom.10,4).

Maar wetten van Meden en Perzen kun je zo niet lezen. Als er een bevel uitgevaardigd is vanwege koning Ahasveros dat de Joden op de dertiende dag van de twaalfde maand uitgeroeid moeten worden, dan kan zelfs de koning daar niets meer aan doen. Toch weet Mordechai een wet te bedenken waarmee het onheil misschien afgewend kan worden. Want voor het hele Perzische rijk werd een wet uitgevaardigd die de Joden het recht gaf zich te verdedigen.
Als wij dat horen kunnen we ons haast niet voorstellen hoe die wet het naderende onheil zou kunnen afwenden. Zonder deze wet hadden de Joden zich toch ook kunnen verdedigen? Of ging men er bij voorbaat vanuit dat zij zich wel als schapen naar de slachtbank zouden laten leiden? Eigenlijk is die wet van Mordechai niet meer dan een poging de beeldvorming te beïnvloeden. Hij laat de vraag rondzingen in het rijk of mensen die de Joden graag ombrengen zich wel realiseren dat ze het risico lopen dat ze zelf om het leven komen. Mordechai’s nieuwe wet wekt de indruk dat dat risico heel reëel is als de Joden immers de mogelijkheid krijgen een leger te vormen. Maar zou de Joden echt een vuist kunnen maken tegen de mensen uit al die andere volken in het Perzische rijk die de Joden haatten? Misschien als dat Joodse legers van wapens voorzien werd. Maar dat staat niet in die nieuwe wet. Toch wekt die wet wel de indruk dat de Joden zich kúnnen verdedigen, als ze zich mógen verdedigen.
Mordechai bedrijft hier een vorm van politiek die nog niet uitgestorven is. Toen Rusland Afghanistan binnenviel zorgden de Amerikanen er achter de schermen voor dat de Afghanen zich tegen de Russen konden verdedigen. Maar met die wapens werden de Amerikanen zelf weer bestookt, toen zij op hun beurt probeerden in dat land orde op zaken te stellen. De wereld is dan ook nogal huiverig voor het bewapenen van rebellen, of het nu het vrije Syrische leger is dat vecht tegen Assad of het vrije Koerdische leger is dat vecht tegen IS. Want voor je het weet volgt de ene onafhankelijkheidsoorlog de andere op. Mordechai speelt dus met vuur door in het hele rijk rond te laten bazuinen dat het oorlog wordt wanneer de slachting onder de Joden begint.
Het messiaanse vrederijk waarin geen volk nog het zwaard zal trekken tegen een ander volk en geen mens meer weet wat oorlog is, verdwijnt hier achter de horizon. Zwaarden die worden omgesmeed tot ploegijzers en speren tot snoeimessen (Jes.2,4)? Mordechai wil iedereen juist laten geloven dat de Joden hun zwaarden al gewet en hun messen al geslepen hebben. Maar misschien doe ik Mordechai meer recht als ik zeg dat zolang de eerste dingen nog niet voorbijgegaan en de laatste dingen nog niet gekomen zijn, de zwaarden en de messen nog steeds een noodzakelijk kwaad zijn. Maar hoe noodzakelijk het ook is dat die nieuwe JSF er komt en dat ook de Nederlandse bijdrage aan de NAVO fors omhooggaat, het blijft een noodzakelijk kwaad. Als dat besef ontbreekt, wordt het leger een broedplaats van het kwaad. De excessen die zich voorgedaan hebben op kazernes in Schaarsbergen en Assen laten dat op beschamende wijze zien. Mensen die getraind worden in het uitoefenen van geweld blijken er behagen in te scheppen hun medemensen te vernederen en te kleineren. Verkrachters vind je niet alleen bij IS en Boko Haram, maar ook bij onze eigen luchtmobiele brigade. Niet alleen de oorlog, ook de voorbereiding daarop haalt blijkbaar het slechtste in mensen naar boven.
Ik kan me dan ook best voorstellen dat bijvoorbeeld de doopsgezinden en de quakers vinden dat een christen niet in het leger mag dienen, al ben ik het daar niet mee eens. Ik geloof juist dat het leger soldaten nodig heeft die verlangen naar het koninkrijk van Jezus Christus, waarin geen mens meer weet wat oorlog. Maar met dat ik dit zeg, besef ik dat ik zelden bid voor onze jongens en meiden. Dan heb ik in elk geval iets om me van te bekeren. Maar misschien gaat het u ook wel zo.

Mordechai’s tactiek slaagt. Want wat lezen we in het laatste vers van Ester 8? “In alle provincies en in alle steden heerste er onder de Joden vreugde en blijdschap zodra het bevel en de wet van de koning er bekend werden; er werden maaltijden aangericht en er werd feestgevierd. En uit alle volken van het land sloten zich velen bij de Joden aan, want angst voor de Joden had zich van hen meester gemaakt”. Toch lees ik die woorden met gemengde gevoelens. Ik zou niet graag willen dat er later in de geschiedenisboeken geschreven werd: “Veel mensen sloten zich bij de kerk aan, want angst voor de christenen had zich van hen meester gemaakt”. Maar het zou best een kunnen zijn dat het er wel in komt te staan.
Er wordt wel eens gesproken van een Joodse lobby, maar er is net zo goed een christelijke lobby. In Amerika in elk geval wel. Elke president van de Verenigde Staten dient dan ook rekening te houden met die christelijke lobby, omdat die een machtsfactor van betekenis is. In Nederland is dat veel minder het geval. Toch zie je wel dat christenen, als ze mee mogen regeren, hun macht gebruiken om voor hun eigen belangen op te komen. Dan mogen op zondag wel de kerken, maar niet de winkels open. Ook al leidt dat er niet toe dat angst voor de christenen zich van de mensen meester maakt, het leidt er wel toe dat irritatie over de christenen zich van de mensen meester maakt. Terwijl christenen niet bekend moeten staan als irritante mensen, maar als vriendelijke mensen.
Zo schrijft de apostel Paulus het ons voor in zijn brief aan de Filippenzen: “Laat iedereen u kennen als vriendelijk mensen. De Heer is nabij”. Een bijbelwoord dat over de hele wereld gelezen wordt in de adventstijd. Dat is natuurlijk om die woorden: “De Heer is nabij”. Maar ze volgen meteen op die woorden dat iedereen je moet kennen als een vriendelijk mens. Zou het geheim van die verbinding misschien kunnen zijn dat jij Gods koninkrijk niet op aarde hoeft te brengen als je gelooft dat de Heer zelf dat elk moment kan komen doen?
Met onze gedrevenheid om mensen te overtuigen van de vrijheid die een leven naar Gods geboden je geeft, kunnen we mensen afstoten in plaats van ze aan te trekken. Voor we het weten doen we mee aan dezelfde machtsspelletjes die overal in deze wereld al gespeeld worden. Maar als Petrus wil zijn meester met het zwaar wil verdedigen, zegt Jezus tegen hem: “Steek je zwaard terug op zijn plaats. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen. Weet je niet dat ik mijn Vader maar te hulp hoef te roepen en dat hij mij dan onmiddellijk meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zou stellen? Maar hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, waar staat dat het zo moet gebeuren?” (Mt.26,52-54)
God vestigt zijn rijk niet met de menselijke middelen van krachtdadig en gewelddadig optreden, maar door zijn dienaar: Jezus, die hulpeloos in een kribbe lag en weerloos aan een kruis hing. Of zoals een paaslied het onder woorden brengt:

De donkere weg die Hij betrad
komt uit in ’t hemelrijk,
en wie Hem volgen op dat pad,
worden aan Hem gelijk (LB 642:5).

Amen.