Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Eén keer en nooit weer
titel : Eén keer en nooit weer
datum : 23 april 2017
volledige onderwerp : Hebreeën 09 : 27, 28
Download deze preek.

Preek over Hebr.9,27.28 (GZR, 9-10-05; Leiden, 16-10-05; opnieuw bewerkt voor Den Ham, 23-4-17)

Votum en groet
Ps.90:1,4,8
10 geboden
LvK 270:3,4 (melodie: Gez.106)
Gebed
L Hebr.9,11-28
Ps.49:4,5 (NB)
T Hebr.9,27.28 [ppt]
TT 152
Dankzegging en voorbede
Collecte
LB 754 (na collecte)
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

“Dat was één keer en nooit weer”. Soms zeggen mensen dat als ze ergens slechte herinneringen aan hebben. Zegt een ander dat over een actie van jou, dan wil je wel wegkruipen van schaamte. Ik herinner me dat Ruud Lubbers in de Tweede Kamer dat oordeel eens gaf over een uitspraak van zijn vicepremier Rudolf de Korte. Je zag de man heel klein worden toen de leider van ons land van hem zei: “Het viel in de categorie: Eén keer en nooit weer”. We hebben daarna ook nooit meer wat van Rudolf de Korte gehoord.
“Eén keer en nooit weer”. Dat zeg je van negatieve dingen. Nooit van positieve dingen. Dingen waar je blij van wordt, die kunnen zich immers niet vaak genoeg herhalen. Kinderen kunnen daarom geen ook afscheid van een toestel in de speeltuin waar ze plezier aan beleven. Als je zegt: “Kom, we gaan naar huis”, krijg je als antwoord: “Nog één keer”. En als die keer voorbij is: “Toen, nog één keer”.
We zijn soms net kinderen als we de Bijbel lezen. Want die mooie wonderen waar de Bijbel over vertelt, waarom gebeuren die nu niet meer? Zijn die dingen dan wel echt gebeurd? Want als ze nu niet meer gebeuren, zijn ze toen dan wel gebeurd? Vorige week was het Pasen. Maar je vraagt je af: Is Jezus wel echt opgestaan, als Hij Zich sinds die tijd nooit meer heeft laten zien?
Toch zijn de dood en opstanding van Jezus Christus heilsfeiten omdat ze daarna nooit weer plaatsgevonden hebben. Ze vallen in de categorie ‘één keer en nooit weer’, omdat ze ook niet herhaald hóeven te worden. Jezus’ werk op aarde is áf. Zó is het volmaakt. Er hoeft niets meer aan toegevoegd te worden. [ppt]

Eén keer en nooit weer
1. Ons leven
2. Jezus’ dood
3. God oordeel.

“Eenmaal”. Je zou kunnen zeg dat dat het belangrijkste woordje uit de brief aan de Hebreeën is. Tegenover de vele offers die onder het oude verbond gebracht moesten worden voor de verzoening van de zonden staat het ene offer van Christus. Christus heeft eens en voorgoed een offer voor de zonden van het volk gebracht, toen Hij het offer van zijn leven bracht (7,27). Hij is eens en voorgoed het hemelse heiligdom binnengegaan. Zo heeft Hij een eeuwige verlossing verworven (9,12). Wij zijn eens en voorgoed geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus (10,10). Door deze ene offergave heeft Hij hen die zich door Hem laten heiligen eens en voorgoed tot volmaaktheid gebracht (10,14). Op dezelfde manier wordt ook in onze tekst gezegd dat Christus eenmaal geofferd is om de zonden van velen te dragen. Eenmaal. Hij hoefde het geen tweede keer te doen. Die ene keer was genoeg. Die ene keer was definitief.
Maar vlak daarvoor lezen we dat dat eenmalige niet alleen geldt voor Christus’ dood. Niet alleen Christus stierf slechts eenmaal, ook wij sterven slechts eenmaal. Dat is natuurlijk een beetje vreemd gezegd. Soms zeggen mensen weleens, als ze geweldig in spanning gezeten hebben: “Ik stierf duizend doden”, maar dat is een overdrijving. Want je sterft uiteraard niet duizend doden, maar slechts één dood. Toch wil ik erop wijzen dat de schrijven van de brief aan de Hebreeën het hier letterlijk bedoeld, als Hij zegt: “Het is de mens beschikt éénmaal te sterven”. Hij bedoelt dus niet, wat er in de Nieuwe Bijbelvertaling staat: “Eens moeten mensen sterven”. Want dat betekent: Mensen moeten een keer sterven. Maar het staat er veel sterker. Niet: een keer, ooit een keertje, maar: slechts één keer.
Nu ik toch bezig ben: ook om een andere reden is de vertaling die we in de NBV vinden een verzwakking. “Eens moeten mensen sterven”. Dat roept toch de sfeer op van: “dat is nu eenmaal ons lot, het is niet anders, we gaan een keer dood”. Maar het gaat hier niet over ons lot, maar over ons vonnis. Dat wij moeten sterven is omdat God het zo beschikt heeft. Zo stond het terecht in de oude vertaling: “Het is de mensen beschíkt eenmaal te sterven”.
Hoe komt de schrijver van de Hebreeënbrief daarbij? Wel, al van den beginne heeft God tegen mensen gezegd: “Wanneer je Mij ongehoorzaam bent, zul je onherroepelijk sterven” (Gen.2,17). Ook vinden we in een van de eerste hoofdstukken van de Bijbel de merkwaardige woorden: “Toen dacht de HERE: Mijn levensgeest mag niet voor altijd in de mens blijven, hij is immers niets dan vlees; hij mag niet langer dan honderdtwintig jaar leven” (Gen.6,3). Toch zou het me niet verbazen als de schrijver van de Hebreeënbrief dacht aan een woord uit één van de apocriefe boeken, Jezus Sirach 14 vers 17 om precies te zijn, waar staat: “van oudsher geldt de beschíkking: jij moet sterven” (WBV).
Nu voegt onze tekst hier nog wel wat aan toe: “Het is de mens beschikt éénmaal te sterven en daarna het oordeel”. Terecht is dit woord door protestanten veel gebruikt om de roomse leer van het vagevuur te bestrijden. Volgens die leer zit er nog wel iets tussen hemel en hel. Er bestaat ook een mogelijkheid voor mensen die de hemel niet binnen mogen, om hun zonden te boeten in het vagevuur. Als je je straf gedragen hebt, mag je alsnog de hemel binnen. Maar onze tekst sluit die mogelijkheid af. Na je dood valt de beslissing over je eeuwige bestemming. Want het is de mensen beschikt éénmaal te sterven en daarna het oordeel. Ook de mogelijkheid dat je een herkansing krijgt in een volgend leven is daarmee afgesloten. Je sterft maar één keer, dus je leeft ook maar één keer.
Daar ligt ook de spits van die eerste zin van onze tekst. Niet dat je maar één keer sterft, maar dat je dus maar één keer leeft. Je leeft maar één keer. Daarom moet je in dit leven de goede keuzes maken, want dit leven is je enige leven. Daarna valt er niks meer recht te zetten. Wanneer je onze tekst zo leest, vervallen ook vragen die we toch allemaal weleens stellen. Wanneer vindt het oordeel over ons leven nu plaats: bij je sterven al of aan het einde van de tijd pas? Maar als bij je sterven de beslissing over je eeuwige bestemming al valt, wat heeft dat laatste oordeel dan nog voor zin? Waarom moeten er nog doden opgewekt worden, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd (Dan.12,2), als het oordeel over hun leven allang geveld is? Deze vragen kun je niet behulp van onze tekst oplossen. Want de spits van onze tekst is niet: het oordeel vindt meteen bij je sterven al plaats (en dus niet aan het einde der tijden), maar: na je sterven krijg je geen herkansing. Je leeft maar één keer en op basis van wat je met dat ene leven gedaan hebt zul je geoordeeld worden.

Ik denk dat ik daarmee voor de meesten van u niks nieuwe gezegd heb. Inderdaad, je leeft maar één keer en op basis van wat je met dat ene leven gedaan hebt zult je geoordeeld worden. Toch hè, als dat waar is, dan zou de schrik je toch om het hart slaan? Want zelfs als je geleerd hebt van je fouten, zelfs als je je bekeerd hebt van je zonden, je hebt die fouten wel gemaakt, je hebt die zonden wel begaan. Hoe kom je daar ooit vanaf?
Moslims hebben daar wel een oplossing voor. God zet je goede daden op de ene schaal van de weegschaal en je slechte daden op de andere. Zolang je maar meer goede dan slechte daden gedaan hebt, hoef je dus nergens over in te zitten. Maar dat is wel een beetje een oppervlakkige oplossing. Niet zozeer omdat je nooit weet of je meer goede dan slechte daden gedaan hebt, als wel omdat je niet weet hoe zwaar je goede en je slechte daden wegen. Misschien ben je voor je gevoel maar één keer echt vreselijk de fout ingegaan en kun je daar tegenover een heleboel goede dingen van jezelf vertellen. Maar is die ene fout daarmee dus weg? Kun je werkelijk de schade die je bij een ander, al is het er maar één, hebt aangericht met je woorden of met je daden goed maken door voor anderen wél liefdevol en behulpzaam te zijn, al zijn dat er veel meer? Daar komt nog bij dat je niet alleen dingen doet die je niet zo moeten doen, maar ook dingen níet doet die je wél zou moeten doen. Er dienen zich zo vaak kansen aan dat je iets voor een ander kunt betekenen. Maar je liet die kans lopen, omdat je even geen tijd had of even geen zin. Je had “andere prioriteiten”, zoals dat tegenwoordig zo mooi heet. Maar waren dat wel echt prioriteiten, d.w.z.: dingen die vóór gingen? Moeten we, als we eerlijk zijn, niet zeggen dat we eigenlijk ontzettend veel tijd vermorsen met zaken die geen enkel gewicht in de schaal leggen? Op welke schaal van de weegschaal moet je die tijd leggen? Op de kant van de slechte dingen? Maar je deed toch niks verkeerd? Nee, maar je deed ook niks goed. Moet je die zinloze tijdsbesteding dan niet aftrekken van je zinvolle tijdsbesteding? Blijft er dan wel genoeg goede dingen over om de balans niet naar de andere kant te laten doorslaan? Als je even goed nadenkt over de visie die moslims op het laatste oordeel hebben, blijkt al snel hoe oppervlakkig die visie is. Je kunt slechte daden helemaal niet compenseren met goede daden. Daarmee ónderschat je het gewicht van je slechte daden en óverschat je het gewicht van je goede daden.
Toch denken veel christenen diep hun hart net zo over het laatste oordeel als moslims. Misschien is dat een overlevingsstrategie. Je weet best wel dat je niet perfect bent. Je kunt ook best zonden in je leven aanwijzen. Maar dat is toch niet het hele verhaal? Je hebt toch ook je goede kanten? Het zou toch niet eerlijk zijn om die ineens te gaan ontkennen? Dan doe je jezelf toch onrecht?
Ik las daarover, bij de voorbereiding van deze preek, een woord dat me diep trof. Een woord van Kohlbrugge. [toelichten] Die zei eens in een preek over onze tekst: “Wij zijn raadselachtige mensen: wij geloven aan Gods oordeel en toch ook niet. Dat wij eraan geloven, bewijzen wij daarmee, dat wij van alles bij elkaar harken om onszelf te kunnen handhaven, om voor Gods gericht te kunnen bestaan. Maar dat we er tegelijk niet aan geloven bewijzen wij daarmee, dat wij best wel aanvoelen hoe alles wat wij bij elkaar harken ons niet kan helpen. Toch laten we het niet los. Want we durven onszelf nooit in alle eerlijkheid de vraag te stellen: Ben ik zo in feite niet bezig mijn leven in eigen hand te vinden?”
Ik denk dat Kohbrugge daarmee de spijker op zijn kop sloeg. Iemand die niet in een laatste oordeel gelooft, die stelt zich niet de vraag: “Wat zou God vinden van wat ik van mijn leven maak?” Hij is immers aan niemand verantwoording schuldig. Maar iemand die Zich wel tegenover God verantwoordelijk weet, die heeft de neiging om voor God te gaan denken: hier zal Hij vast wel bij mee zijn of daarmee. Maar Kohlbrugge zegt terecht: “Bij God kun je niet aankomen met: ‘Laat mij binnen, want ik ben zo vroom geweest. Ik was toch bekeerd. Ik heb toch vergeving van mijn zonden gekregen?’”. Waarom kun je daar niet mee aankomen? Omdat je dan nog steeds bezig bent je leven in eigen hand te vinden. Je verzamelt nú dingen waarmee je bij God kunt aankomen. Maar betekent dat niet dat je stráks je handen tot God uit wilt strekken om Hem iets van jezelf aan te bieden? Je voelt diep in je hart wel dat dat dwaasheid is, maar je kunt bijna niet anders, omdat er anders niks van je overblijft.

Dwaasheid. Waarom dwaasheid? Omdat je te groot denkt van jezelf? Ook daarom. Maar vooral omdat je te klein van Christus denkt. Onze tekst is niet afgelopen met de woorden: “Het is de mensen beschikt éénmaal te sterven en daarna het oordeel”. Nee, vers 27 is slechts een opstapte tot vers 28: “Zoals het de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook Christus, die éénmaal geofferd is om de zonden van velen te dragen, voor de tweede keer verschijnen om te redden wie hem verwachten”. Oftewel: Het is de mens beschikt eenmaal te sterven en daarna het oordeel. Maar onder die wet heeft ook Christus Zich gebogen. Wat geldt voor alle mensen, geldt ook voor Christus. Ook Hij leefde maar één keer. Ook voor Hem was er na zijn dood geen herkansing. Gesteld dat Hij zijn taak om ons te redden van onze zonden niet afgekregen had, omdat ook Hij soms even andere prioriteiten had, dan had ook Hij van God geen tweede kans gekregen om zijn werk af te maken. Geen enkel mens krijgt die kans van God, dus ook de mens Christus Jezus (1Tim.2,5) niet.
Maar Hij hoefde ook geen tweede kans. Want Hij heeft Zich éénmaal voor ons, zondaren, opgeofferd, dus waarom zou er een tweede maal moeten volgen? Zeker, Hij zal nog een tweede maal hier op aarde verschijnen, maar dan niet om ons van onze zonden te redden. Die zijn immers al verzoend. Als Hij voor de tweede keer verschijnt is dat om ons geloven te veranderen in zien.
Nu moeten we nog geloven dat alles goed is. Maar dan zullen we ook zien dat alles goed is. Nu ervaren we nog niet dat alles goed is. Wij doen nog zonden en dragen nog wonden. Maar dan zal ons geloven overgaan in ervaren. Het zal zijn alsof Christus het doek dat over een standbeeld hing met één ruk weghaalt. Het stond er al die tijd al, maar we hadden er nog nauwelijks een voorstelling van wat het inhield. We konden ook nauwelijks geloven dat er iets volmaakts onder zou kunnen schuilgaan. Want wij kennen niks dat volmaakt is. Wij zijn dat niet, de mensen om ons heen zijn dat niet, de wereld waar in we leven is dat niet. Maar als Hij het voorhang van de wolken scheurt, wordt alle creatuur in één keer nieuw (Lied 300:2,5). Zoveel kracht blijkt dat offer van Christus, éénmaal aan het kruis volbracht, dan te hebben: geen stukje schepping dat niet deelt in de wederoprichting van alle dingen, geen zieke die niet geneest, geen dode die niet opstaat.

Wat betekent dat voor nu? Ik kan het wel in mijn eigen woorden gaan zeggen, maar ik kan het toch niet beter dan Kohlbrugge. Die zegt, luister goed: “Als Christus de zonden van velen op Zich genomen heeft, dan hoef ik alleen maar zonden te hebben, om bij die velen te mogen horen”.
Als Christus de zonden van velen gedragen heeft, dan hoef ik alleen maar zonden te hebben, om bij die velen te mogen horen… Dat lijkt merkwaardig. Toch is het zo en niet anders. Christus zelf heeft toch gezegd: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars” (Mc.2,17)? Wie dus straks wil delen in het herstel van alle dingen, die moet niet zijn goede daden bijeen gaan harken, maar zijn slechte daden. Want Christus is niet naar de aarde gekomen om je verdiensten te belonen, maar om je zonden te vergeven. Draai jezelf dan geen rad voor de ogen door het oordeel tegemoet te reizen met de dingen die goed gegaan zijn. Dat is net zo dwaas als met een lekke uitlaat naar de Kwikfit rijden in de hoop van de monteur te horen te krijgen dat je banden nog goed zijn.

Het evangelie is een blijde boodschap. Niet voor mensen die al blij zijn met zichzelf. Maar voor mensen die beseffen: ik leef maar één keer en dat is niet genoeg. Tegen hen zegt het evangelie: Christus leefde ook maar één keer en dat was wél genoeg.

Amen.