Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Jullie die voorbijgaan, raakt het jullie niet? (Goede Vrijdag)
titel : Jullie die voorbijgaan, raakt het jullie niet? (Goede Vrijdag)
datum : 14 april 2017
volledige onderwerp : Klaagliederen 1 : 12
Download deze preek.

Preek over Klaagl.1,12 (Den Ham, 14-4-17 (Goede Vrijdag))

Votum en groet
LB 562
Gebed
L Klaagl.1,1-14
Ps.38:1,2,5
L Mrc.15,20b-39
LB 576b:3,4,6
T Klaagl.1,12
Gez.89:1,2,4
Geloofsbelijdenis van Nicea
Gez.134:6
Dankzegging en voorbede
Collecte
LvK 476:2,4
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Ook dit jaar is door veel koren ‘The Crucifixion’ van John Stainer uitgevoerd. Als de Matthäus Passion van Bach wat te hoog gegrepen is, is ‘De kruisiging’ van Stainer een goed alternatief. Misschien hebben sommigen van u het muziekstuk ook weleens gehoord.
Tegen het einde, vlak voor Jezus het hoofd buigt en de geest geeft, klinkt ineens een woord uit het bijbelboek Klaagliederen: “Is it nothing toe you, all ye that pass by? Jullie die hier voorbijgaan, raakt het jullie niet?” Als het koor weer invalt, klinkt ineens de stem van Jezus zelf:

Aanschouw Mij en zie: geheel doorstoken
met talloze smarten en allemaal voor u;
voor u lijd ik, voor u sterf ik.
Raakt het u allen niet, voorbijgangers?

O! mensen, uw schaamteloze daden,
uw zonden zonder tal, reden en naam,
ik draag ze alle hoog aan het Kruis.
Raakt het u niet?

Raakt het u niet dat ik mijn hoofd buig?
Dat mijn bloed voor u vergoten wordt?
O! verloren zielen, ik roep tot u,
Raakt het u niet?


Aangrijpende muziek. Zeker als je haar beluistert tegen de achtergrond van het lijdensevangelie zoals het door Marcus is opgeschreven. Want het lijden van Jezus lijkt de voorbijgangers waar hij van vertelt totaal niet te raken. Ze kijken hoofdschuddend toe en drijven de spot met hem: “Ach, kijk nu toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red jezelf toch door van het kruis af te komen”. Ook de hogepriesters en de schriftgeleerden maken onder elkaar zulke spottende opmerkingen: “Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet; laat die messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven!” Zelfs de beide misdadigers die links en rechts van Hem gekruisigd waren beschimpen hem. Er lijkt slechts één geraakt te worden door de manier waarop Jezus zijn lijden draagt, en dat is die Romeinse hoofdman. Als hij ziet hoe Jezus zijn laatste adem uitblaast, zegt hij: “Werkelijk, deze mens was Gods Zoon”. Maar verder? Jezus’ lijden lijkt niemand te beroeren.
Maar hoe aangrijpend het ook mag zijn dat de muziek juist daarbij stilstaat, klopt het wel dat dat woord uit Klaagliederen Jezus in de mond gelegd wordt? “Jullie die voorbijgaan, raakt het jullie niet? Merkt toch op en zie: is er leed als het leed dat mij wordt aangedaan, dat de HEER op de dag van zijn toorn over mij heeft uitgestort?”, wie zegt dat? Als je die woorden in het boek Klaagliederen leest, dan worden ze niet door Jezus, maar door Jeruzalem uitgesproken. De stad is ingenomen door de Babyloniërs. Het huis van de HEER is betreden door heidenen. Jeruzalem is een rokende puinhoop geworden en haar inwoners zijn in ballingschap gevoerd. Het handjevol inwoners dat is achtergebleven is tot de bedelstaf vervallen. Ze zuchten en steunen op zoek naar wat brood.
Dán klinken die woorden: “Jullie die hier voorbijgaan, raakt het jullie niet?” Wie zijn die voorbijgangers? Misschien de Ammonieten, de Moabieten, de Edomieten, buurlanden die hun leedvermaak niet voor zich kunnen houden. Nee, het raakt hen niet dat Jeruzalem van de kaart geveegd is. Ze hebben er juist plezier van dat de vorstin van de gewesten tot slavernij is vervallen. Opgeruimd staat netjes.
Maar zelf als ze een sprankje medelijden voelden met de berooide achterblijvers van die eens zo koninklijke stad, zouden ze zich iets voor kunnen stellen bij de klacht die Jeruzalem hier slaakt: “Merk toch op en zie: is er leed als het leed dat mij wordt aangedaan?” Zo uniek was het lot van Jeruzalem toch niet? In de loop van de geschiedenis zijn er meer hoofdsteden verwoest. Zo gaat dat nu een keer. Soms zit het mee, soms zit het tegen. En als het tegen zit, wees dan blij dat het niet jou, maar een ander tegenzit.
Toch kan Jeruzalem het zo niet zien. Want waarom is het leed dat haar wordt aangedaan uniek? Omdat de HEER dat leed over haar heeft uitgestort op de dag van zijn toorn. De God van Israël heeft Zich tegen Israël gekeerd. Zo zullen de Ammonieten, de Moabieten en de Edomieten dat inderdaad niet zien. Ze zullen hooguit zeggen dat de god van Babel blijkbaar machtiger was dan de God van Jeruzalem. Maar dat Babel eigenlijk helemaal geen rol speelt bij de verwoesting van Jeruzalem, omdat Babel slechts de sloophamer in de hand van Israëls God was, nee, daar konden ze zich niets bij voorstellen.
Maar Israël vervulde in de heilsgeschiedenis dan ook een unieke rol. Door de mond van de profeet Amos zei de Here het zelf zo: “Uit alle volken op aarde heb ik alleen jullie uitgekozen, en daarom zal ik jullie voor al je wandaden straffen” (Am.3,2). Israël had een bevoorrechte positie in de volken wereld. Het was het volk waar God vertrouwelijk mee om wilde gaan. Hij wilde hén kennen en zij mochten Hém kennen. Maar Israël kon dat voorrecht niet aan. Zij waren niet beter dan andere volken en werden ook niet beter dan andere volken. Juist van hen kon God dat niet hebben. Had alle liefde die Hij hun geschonken had dan niets met hen gedaan? Hoe kon het dat een volk dat Hij uit Egypte, uit de slavernij had bevrijd, nog steeds slaaf was van zijn eigen verlangens? Via Jesaja zei de Here het zo: “Israël is de wijngaard van de HEER van de hemelse machten, de uitgelezen aanplant zijn de inwoners van Juda. Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht, hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting”. Daarom kondigde Hij toen al aan dat Hij zijn wijngaard zou laten verbranden en vertrappen. “Ik zal hem laten verwilderen, er wordt niet meer gesnoeid en gewied, dorens en distels schieten er op. De wolken zal ik opdragen geen regen op hem te laten vallen” (Jes.5,1-12).
Dat vonnis is voltrokken, nu Jeruzalem verwoest is. Hoe zou een voorbijganger kunnen peilen hoe diep het verdriet is dat achter die ramp schuil gaat? Niet alleen het verdriet van Israël, maar ook het verdriet van de God van Israël. De verwoesting van Jeruzalem betekent en verzegeld het failliet van het verbond dat Hij met mensen gesloten had. God en mens die samen optrekken, het werd niet wat, het wordt niet wat en het zal niet wat worden. De dichter van de Klaagliederen kan God niet eens ongelijk geven als Hij Jeruzalem met de grond gelijk maakt. Want we hebben het verdiend. Als Hij al onze overtredingen bundelt en vastmaakt als al een juk, dan drukken ze zwaar op ons en is onze kracht gebroken. Nu Hij ze niet langer vergeeft, voelen we pas wat we Hem in de loop van eeuwen hebben aangedaan met onze zonden. Het is een last waar we onder bezwijken.

Maar ook al is in die klacht uit Klaagliederen 1 Jeruzalem aan het woord, toch legt degene die de tekst voor The Crucifixion van John Stainer geschreven heeft deze woorden terecht Jezus in de mond. Want is er leed als het leed dat Hem werd aangedaan? Anders dan Jeruzalem droeg Jezus niet de straf voor de zonden die Hij zelf begaan had, maar voor de zonden die anderen begaan hadden. De apostel Johannes schrijft zelfs in zijn eerste brief: “Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld” (1Joh.2,2). Jezus gaat staan op de plaats die Israël moest verlaten. Hij neemt de taak op Zich die Israël niet kon dragen: de taak van uitverkorene en de taak van verworpene. Want blijkbaar wil God geen streep zetten onder het project dat Hij begonnen was: dat Hij God van mensen zou zijn en wij mensen van God zouden zijn. Wat nooit samen kan gaan, dat moet en dat zal samengaan: een heilige God en zondige mensen.
Wat daarvoor nodig was, het evangelie van Marcus laat het bij aanduiding dat er midden op de dag een duisternis viel over het hele land, die drie uur aanhield. Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem: “Eloï, Eloï, lema sabachtani? Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” Maar leg die woorden uit Klaagliederen 1 er eens naast: “De HEER liet uit de hoogte vuur neerdalen, dat in mijn gebeente brandt. Hij spande een valstrik voor mij, hij deed mij terugdeinzen. Hij verwoestte mijn leven en maakte me ziek, dag na dag”. Uit de mond van Jeruzalem is dat beeldspraak. Want al is het voor de dichter van de Klaagliederen of Hij het vuur dat de tempel in de as legt tot in zijn botten voelt branden, Hij voelt Gods toorn over zijn zonden toch niet aan den lijve zoals Jezus Gods toorn naar ziel en lichaam gedragen heeft.
In het prachtige derde Klaaglied zal de dichter dan ook zeggen: “Genadig is de HEER, wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen. Elke morgen schenkt hij nieuwe weldaden. – Veelvuldig blijkt uw trouw. Ik besef: mijn enig bezit is de HEER, al mijn hoop is op Hem gevestigd” (Klaagl.3,22-24). Maar dat gold zo niet voor Jezus. Zijn enig bezit is Hem ontvallen en Hij schreeuwt het uit: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?”
Ik houd veel van Klaagliederen 3. Bij sommigen van u heb ik er thuis weleens uit voorgelezen. Maar als ook wij zeggen: “Genadig is de HEER, wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen. Elke morgen schenkt Hij nieuwe weldaden”, dan om Jezus’ wil. Wij zijn nog in leven, omdat Hij moest sterven. Voor ons wordt het weer dag, omdat het voor Hem nacht werd.

“Jullie die hier voorbijgaan, raakt het jullie niet?” Ja, Jezus roept het ook ons vanavond toe, die op onze weg naar Pasen langs het kruis komen. “Merk toch op en zie”. Maar hoe zou je wat opmerken, hoe zou je wat zien, als je niet stil bleef en naar Hem opkeek. Misschien zou je dan toch ook even naar links en naar rechts kijken. Daar hangen toch ook twee mensen aan het kruis? Lijden zij niet wat Hij lijdt en lijdt Hij niet wat zij lijden? Nee! Want hoe verschrikkelijk veel pijn die beide misdadigers links en rechts van Jezus ook geleden hebben, zij droegen de straf voor hun eigen zonden. Maar alleen Jezus kan je met recht vragen: “Is er leed als het leed dat mij wordt aangedaan, dat de HEER op de dag van zijn toorn over mij uitgestort heeft?”
Wat kan je antwoord op die vraag anders zijn dan: “Nee, zulk leed als U wordt aangedaan is, is niemand anders aangedaan. Want God heeft zijn toorn over mijn zonden op U neergestort”. Ook het lijden van die beide misdadigers raakt je. Al droegen zij de straf voor hun eigen zonden, toch komt er een diep gevoel van medelijden over je, als je een medemens zo ziet creperen. Maar Jezus vraagt niet om je medelijden, als Hij tegen je zegt: “Jij die hier voorbijgaat, raakt het je niet?” Hij vraagt om je geloof. Als je beseft dat Hij Gods teleurstelling en Gods woede over jouw leven draagt, schaam je je. En toch, Hij draagt ze voor jou. De dag van Gods oordeel is geweest en jij gaat vrijuit.
U en jij die vanavond langs het kruis komen, raakt het je niet? Als dit je niet raakt, wat dan nog wel? Misschien haal je je schouders wel op als je Jezus hoort vragen of er leed is als het leed dat Hem werd aangedaan. Niet omdat je het er niet mee eens bent. Maar dat niemand zo geleden heeft als Jezus, het zegt je niets. Voor Hem was het natuurlijk wel erg. Maar voor jou… Maar luister dan eens wat beter: “Jij die hier voorbijgaat, raakt het je niet? Kijk toch aan en zie: is er grotere liefde dan de liefde die ik voor jou heb?”
Jezus’ lijden is Hem niet overkomen. Hij heeft het zelf op Zich genomen. Want Hij wilde niet dat jij in het duister zou sterven, maar in het licht zou leven. Daar had Hij alles voor over: zijn goddelijke heerlijkheid, zijn menselijke leven. Kun je je voorstellen dat jij dat over hebt voor een ander? Kun je je voorstellen dat een ander dat over heeft voor jou? Laat je dan raken door Jezus’ liefde voor jou. Want zonder zijn liefde zul je sterven. Maar met zijn liefde zul je leven.
Er is geen leven na de dood. Er is eeuwig leven na Jezus’ dood.

Amen.