Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Was u maar blind
titel : Was u maar blind
datum : 26 maart 2017
volledige onderwerp : Johannes 09 : 41
Download deze preek.

Preek over Joh.9,41 (Den Ham / Kampen-Z, 26-3-17)

Votum en groet
Ps.27:1,2 (NB)
10 geboden
Ps.27:3,4 (NB)
Gebed
L Joh.9
LB 534
T Joh.9,41
Ps.119:37-39
Dankzegging en voorbede
Collecte
LvK 168:1,2,5,6
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

“Was u maar blind”, zei Jezus. Ik had al besloten dat ik dat woord als uitgangspunt zou nemen voor deze preek over de genezing van de blindgeborene, toen ik een advertentie op Marktplaats zag: “Zelfgemaakt klavichord. Gratis ophalen”. Een klavichord is – zeg maar even – de voorloper van de piano. Nu had ik al twee snaarinstrumenten, dus waarom zou ik nog een derde aanschaffen? Maar als het niks kost… Omdat de verkoper maar op een half uur rijden woonde, besloot ik een afspraak te maken.
De man die de deur voor me opendeed had geen blauwe, bruine of groene ogen, maar witte ogen. Hij was blind. Deze man kon dat instrument natuurlijk nooit zelf gemaakt hebben. Dus wel. Hij ging me voor naar boven. “U begrijpt waarschijnlijk wel dat ik geen gebruik kon maken van een bouwtekening”, zei hij. “Het is dus mijn eigen ontwerp. U kunt waarschijnlijk wel zien dat de pennetjes waar de snaren langs lopen niet allemaal precies dezelfde richting op staan. Ik hoop niet dat u dat erg vindt. Het oog wil natuurlijk ook wat”. Dat vond ik een pijnlijke opmerking. Dus ik antwoordde: “Nee, het oor wil ook wat”. “Zo is het”, zei hij. “Speelt u eens wat”.
Ik heb nog nooit zo’n fijnzinnig instrument onder hand gehad. Het klonk niet piano, maar pianissimo. Niet zacht, maar heel zacht. Of ik dat wel mooi vond wist ik op dat moment nog niet. Maar dat het een heel bijzonder instrument was, wist ik al wel. Samen hebben we het de trap afgedragen.
Ik weet nog niet waar ik het zal laten. Voorlopig staat het op de bank van mijn orgel. Maar ik begin er wel verliefd op te worden. Want wat klinkt het teer. Vergeleken met dit klavichord zijn de beide instrumenten die ik al had lawaaibakken. Maar misschien moet je het gehoor van een blinde hebben, om de stem van dit instrument te kunnen verstaan.

“Was u maar blind”, zegt Jezus. Dat is geen verwensing, maar een verzuchting. Er klinkt medelijden in door. Alsof niet blinden, maar zienden gehandicapt zijn. Want zien staat geloven in de weg. “Eerst zien, dan geloven”, zei de ongelovige Tomas. Maar Jezus zei tegen hem: “Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven” (Joh.10,25.29). Het lijkt wel een zaligspreking. “Zalig de blinden, want zij zullen God zien” (vgl. Mt.5,8). Dat is geen goed nieuws voor mensen van nu. Want al zo’n tweehonderdvijftig jaar geldt het credo: meten is weten. Wat je niet kunt meten, kun je ook niet weten.
Maar die blinde klavichordbouwer dan? Hij kan inderdaad niet meten. Hij heeft niets aan een bouwtekening, omdat hij die niet kan lezen. Hij heeft niets aan een meetsnoer, omdat hij dat niet kan aflezen. Maar je zou met evenveel recht kunnen zeggen dat hij die hulpstukken niet nodig heeft. Hij kan immers kijken met zijn handen en zijn oren? Misschien zegt iemand: “Maar je kunt wel horen dat dat klavichord gebouwd is door een blinde bouwer”. Waarom dan? Omdat het zo zacht klinkt? Volgens mij kun je dan beter zeggen dat bij iemand die kan zien het gehoor niet zo goed ontwikkeld is als bij iemand die niet kan zien. Blinden horen beter dan zienden. Maar wat als je nu eens niet tot geloof kunt komen door wat je kunt zien, maar door wat je moet horen (Rom.10,17? Dan hebben blinde mensen een voorsprong op ziende mensen. Want als je kunt zien betekent dat nog niet dat je kunt waarnemen.
Dat blijkt niet pas in het gesprek tussen Jezus en de Farizeeën aan het eind van Johannes 9, maar al in het gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen aan het begin van Johannes 9. Het hoofdstuk opent namelijk met de woorden: “In het voorbijgaan zag Jézus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was”. Toch blijkt uit het volgende vers dat zijn leerlingen die man ook gezien moeten hebben. Ze vragen namelijk: “Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd?” Maar misschien moet je uit die vraag al de conclusie trekken dat de evangelist gelijk had toen hij schreef dat alleen Jezus die blindgeboren man zag. Want zijn leerlingen namen die man niet met hun ogen waar, maar legden hem slechts met hun ogen vast. Het label waarvan ze hem voorzien zal de meesten van u verbazen: “Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?” Hóe de blindheid van die man precies met zonde in verband gebracht moest worden, waren ze dus nog niet uit, maar dát de blindheid van die man met zonde in verband gebracht moest worden was voor hen bij voorbaat duidelijk. Maar ook al is dat verband voor ons wat minder duidelijk, het mechanisme dat dat verband legt is ons niet vreemd. Wie zichzelf als norm neemt, zal iemand die van die norm afwijkt al snel veroordelen. Als ik normaal ben, ben jij dus niet normaal. Stel je eens voor dat het andersom was. Dan zou het feit dat de ander ziek is dus een vraagteken zetten bij het feit dat ikzelf gezond bent. Als we zo gaan beginnen…
Jezus antwoordt: “Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet, maar Gods werk moet door hem openbaar worden”. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat: “Gods werk moet door hem zichtbaar worden”. Degene die dit woord van Jezus zo vertaald heeft is geen blinde geweest. Anders had hij of zij ‘openbaar worden’ nooit weergegeven als ‘zichtbaar worden’. Maar die vertaling sluit wel aan bij de gedachte dat iets wat niet zichtbaar is dus ook niet openbaar kan zijn. Toch heeft het ook een voordeel dat er in onze bijbels staat wat er staat, tenminste als je niet blind bent. Als Gods werk zichtbaar moet worden door de genezing van een blinde man, heeft God blijkbaar een blinde nodig om zienden te laten zien.
Maar als het tot je doordringt dat het doel van Jezus niet in de eerste plaats is om een blinde weer te laten zien, maar om zienden weer te laten zien, dan kun je best begrijpen dat die paar Farizeeërs tegen Jezus zeiden: “Wij zijn toch zeker niet blind?” Als dat de conclusie uit de genezing van de blindgeborene moet zijn, werpen ze die ver van zich. Toch antwoordt Jezus niet: “Jullie zijn wel degelijk blind”, maar: “Waren jullie maar blind, dan zou je zonder zonde zijn. Maar nu jullie zeggen: Wij kunnen zien, blijft je zonde”. Als je jezelf graag wilt wijsmaken dat je helemaal niet blind bent, laat Jezus dat dus maar zo. Je moet je wel realiseren dat Hij je dan niet kan genezen. Maar waar moet Hij je ook van genezen als je helemaal niet blind bent?

Het antwoord dat Jezus op die vraag gegeven heeft, komt je misschien ergerlijk bekend voor: “Als jij zegt dat je niet blind bent, blijft je zónde”. Daar gaan we weer. Wordt het zo langzamerhand geen tijd om toe te geven dat geloven in Jezus betekent dat je je eerst een probleem moet laten aanpraten, waar je je vervolgens weer van verlost mag worden? Misschien klinkt u dat wat spottend in de oren, maar zo bedoel ik het niet. Ik heb het hier zelf moeilijk mee gehad toen ik voor het eerst met een evangelisatieproject meedeed. Hoe leg je mensen die zich van geen zonde bewust zijn uit dat ze alleen door het geloof in Jezus gered kunnen worden?
Maar niet alleen het christendom geeft antwoord op een vraag waar veel mensen niet meer mee zitten. In de afgelopen week zag ik Jan Marijnissen, de voorganger van Emile Roemer bij de SP, met een vergelijkbare moeite worstelen. Hoe kan het dat de SP niet gewonnen heeft nu de PvdA zo dramatisch verloren heeft? Marijnissens conclusie was dat jongere generaties inmiddels zo vertrouwd zijn met het liberalisme, dat ze het probleem niet meer inzien van ontwikkelingen waar de SP zich nog tegen verzet. Marijnissen sloot zich daarmee aan bij Herbert Marcuse, een marxistische denker uit de jaren ’60. Volgens Marcuse is de arbeider van weleer inmiddels zo ingepakt door het kapitalisme, dat hij niet eens meer dóórheeft dat hij nog altijd onderdrukt wordt. Je zou op die analyse wat schamper kunnen reageren met dat je zo altijd gelijk hebt. Maar dat lijkt me toch wat te kort door de bocht als ik zie hoe Marcuse de moderne arbeider typeert: als een ééndimensionale mens, die zich de werkelijkheid alleen kan voorstellen zoals die is en daarom ook niet bereid is naar verandering te streven. Ik vind dat nog altijd een treffende typering. Want wat is dat nu: een ééndimensionale mens? Dat is een mens die geen antenne meer heeft voor een andere werkelijkheid dan de zichtbare werkelijkheid. Voor de mens van nu geldt dat nog sterker dan voor de mens van vijftig jaar geleden. Want de mens van nu is wel visueel, maar niet visionair ingesteld. Hij kan alleen nog náár de dingen kijken, niet meer dóór de dingen héén kijken. Hij kijkt veel, maar ziet weinig.
Juist mensen die zoveel meer te zien krijgen dan alle generaties vóór hen, zullen met de Farizeeën zeggen: “Wij zijn toch zeker niet blind?” Waar zouden wij dan oog voor moeten krijgen om niet langer blind te zijn? Voor het hogere, het geestelijke, het goddelijke? Misschien wel. Toch openbaart Jezus dat hogere, dat geestelijke, dat goddelijke aan het kruis waar Hij zelf aan opgehangen werd. Het wordt zichtbaar in het lagere, het aardse, het menselijke. Je kunt naar die gekruisigde Christus kijken zoals én Jezus’ leerlingen én de Farizeeën naar die blindgeborene keken. Zijn blindheid zegt alleen iets over hem, niet over mij. Hij is zondig, ik niet.
Toch zegt het woord van God dat die gekruisigde Christus ónze ziekten droeg en óns lijden op Zich nam. Om ónze zonden werden zijn handen en voeten doorboord, om ónze wandaden werd zijn lichaam gebroken (Jes.53,4.5). Maar dat wilden de Farizeeën niet horen. De verwerping van de gekruisigde Christus begint met de verwerping van die genezen blindgeborene. Voor de man die zag wat zij niet zagen is in hun synagoge geen plaats meer. Zo konden ze de illusie in stand houden dat zij én niet blind én niet zondig waren.

Hij zei tegen me: “Als u het klavichord in uw auto geladen hebt, komt u dan nog even terug. Ik wil u mijn werkplaats laten zien”. Samen liepen we de gang, de keuken en de bijkeuken door. Tussen de bijkeuken en de schuur was een waslijn gespannen. Hij taste naar die waslijn en liep blindelings naar de schuur. Daarbinnen heerste een en al orde. Alles stond op zijn plaats. Hij hoefde nergens naar te zoeken. Hij wees naar de draaibank voor het raam. “Zelfgemaakt”. “Wat maakt u hier allemaal?”, vroeg ik hem. “Ik maak radio’s”, antwoordde hij. “U repareert ze?” “Dat ook. Maar mijn grootste uitdaging was om er één echt zelf te maken. Dus geen radio in elkaar zetten, maar ook de onderdelen zelf maken. Dat is me gelukt”. Ik dacht: Als je zó blind kunt zijn, heb je ook geen ogen meer nodig.
Die gedachte houdt me nog steeds bezig. Als je zó blind kunt zijn… Kun je als mens ook op die manier blind zijn? Dan heb je inderdaad geen Jezus meer nodig. Je vindt je weg wel langs de waslijn van je ervaring. Wat je niet ziet, dat is er ook niet. Maar Jezus zegt tegen mensen die ziende blind zijn: “Waren jullie maar blind. Dan zou je zonder zonde zijn. Maar als jullie zeggen dat je kunt zien, dan blijft je zonde”.

Amen.