Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Een diaconaal wonder
titel : Een diaconaal wonder
datum : 12 februari 2017
volledige onderwerp : Lucas 07 : 11 - 17
Download deze preek.

Preek over Lc.7,11-17 (Den Ham, 12-2-17; Noardburgum (Frysk), 30-14-17; Daarlerveen, 7-5-17)

Votum en groet
Gez.133
10 geboden
LvK 175:1,2,3
Gebed
L Ex.22,20-26
Ps.68:2,6a7b (NB)
L Luc.7,1-10
T Lc.7,11-17
Ps.56:3,4
Dankzegging en voorbede
Collecte
ELb 125
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

U zult het allemaal weleens meegemaakt hebben. Terwijl je onderweg bent ergens naar toe, kom je een rouwstoet tegen. Voorop de lijkwagen en daarachteraan een lange rij volgauto’s. Ze zijn op weg naar de begraafplaats. Als het een lange stoet is, word je misschien wat ongeduldig. Je hebt haast. Toch haal je het niet in je hoofd om op te trekken en de stoet te doorbreken. Een verkeersovertreding zou het niet zijn: een rouwstoet heeft geen voorrang. Maar het zou wel respectloos zijn. Gaan de dingen waar jij zo druk mee bent dan altijd voor? Zou je ook eens een pas op de plaats kunnen maken als je geconfronteerd wordt met het verdriet van anderen? Zou je er ook eens bij stil kunnen staan dat je even sterfelijk bent als degene die op zo’n moment naar z`n laatste rustplaats hier op aarde gebracht wordt?
Ik ben ook predikant in Den Haag geweest. Daar was het onmogelijk om in één stoet naar de begraafplaats te rijden. Alleen die eindeloze hoeveelheid stoplichten zorgde er al voor dat de stoet uiteenviel. Maar ook als de andere deelnemers aan het verkeer best even zouden kunnen wachten, deden ze dat vrijwel nooit. Ik vond het moeilijk dat te accepteren. Voor mij was het of het helemaal niemand interesseerde dat er iemand gestorven was. Het leven gaat zonder jou ook wel door. Waarschijnlijk heeft niemand het zo bedoeld. Het verkeer zou vastlopen als aan een rouwstoet voorrang verleend moest worden. Toch leek het daardoor of iedereen zo druk was dat er geen tijd te verliezen was. Ook niet aan bezinning op de vergankelijkheid van je eigen drukke bestaan.

Bij de poort van het stadje Naïn kruist de weg van de ene stoet die van de andere. Aan het hoofd van de ene stoet een lijkbaar. Aan het hoofd van de andere stoet jezus. Hij werd op handen gedragen. Niet alleen zijn groepje leerlingen, maar een hele schare mensen volgende hem. Het zal een vrolijk gezelschap zijn geweest. Allemaal mensen die de boel de boel gelaten hadden om maar bij Hen in de buurt te kunnen zijn. Op grond van wat ze gehoord en gezien hadden verwachtten ze veel van Hem. Als Hij inderdaad de beloofde koning van Israël was, wilden ze erbij zijn als Hij zijn rijk vestigde. Ondertussen waren ze al blij als Hij hen even aankeek, even aansprak. Maar hun blijde rumoer valt stil als ze de stoet zien die hun tegemoetkomt.
Het is geen stille stoet. Achter de baar schreeuwt een moeder haar verdriet uit om het verlies van haar zoon, haar enige zoon. Nog steeds roept zo`n overlijden verzet bij ons op. Ook als we geloven dat de dood niet bij het leven hoort, kunnen we er vrede mee hebben dat oude mensen sterven. Maar jonge mensen? Een zoon hoort zijn moeder te begraven, een moeder niet haar zoon. Als dat toch gebeurt, ervaren we dat als een vorm van onrecht. Zo hoort het gewoon niet. Maar bij wie wou je je beklag doen over wat jij ervaart als onrecht? Bij God? Wilde je tegen Hem zeggen dat het niet hoort als Hij een zoon vóór zijn moeder uit dit leven wegneemt? Maar al zou je dat tegen Hem zeggen, werd het er anders van? Ja, het werd er misschien wel anders van. Maar of het er beter van werd? Als er verbittering tussen jou en God in kwam te staan, was je nog verder van huis. Dan sta je er helemaal alleen voor. Je kunt beter nazeggen wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis je in artikel 13 vóór zegt: “In alle ootmoed en eerbied aanbidden wij de rechtvaardige beslissingen van God, die voor ons verborgen zijn. Wij stellen ons er tevreden mee, dat wij leerlingen van Christus zijn, om slechts te leren wat Hij ons onderwijst in zijn woord, zonder deze grenzen te overschrijden”.
Maar wat onderwijst Christus ons dan in dit woord, Lucas 7 vers 11 tot 17? “Hij kwam dichterbij, raakte de lijkbaar aan – de dragers bleven stilstaan – en zei: “Jongeman, ik zeg je: sta op!” Alle onderdelen van dit vers zijn even ongehoord. “Hij kwam dichterbij”. Je leest er zomaar overheen. Maar denk het je eens in. Er komt je een rouwstoet tegemoet. Zelf zet je je auto in de berm. Maar tot je verontwaardiging zie je dat er iemand is die het respect niet kan opbrengen aan de kant te blijven staan. Sterker nog, hij houdt de lijkwagen zelfs aan. Niet Hij moet stilstaan bij de dood, de dood moet stilstaan bij Hem. Wie denkt Hij wel dat Hij is? Maar de toeschouwer die nu nog verontwaardigd is, zal straks God loven met de woorden: “God heeft zich om zijn volk bekommerd!” Deze toeschouwer heeft helemaal gelijk. In Jezus treedt de God, wiens rechtvaardige beslissingen voor ons verborgen zijn, in de openbaarheid. Dan blijkt Hij hardop te zeggen wat wij denken: Als een weduwe haar enige zoon naar het graf moet brengen is dat een groot onrecht.

Dat Hij er zo over denkt hadden we overigens al kunnen vermoeden. We lazen immers in Exodus 22: “Wezen en weduwen mag je niet uitbuiten. Doe je dat toch en smeken ze mij om hulp, dan zal ik zeker naar hen luisteren: Ik zal in woede ontsteken en ieder van jullie doden, en dan zullen jullie eigen vrouwen weduwen worden en jullie kinderen wees “.
Op het eerste gehoor een nogal grimmige wet. Maar je kunt er toch al wel in beluisteren hoezeer de nood van weduwen en wezen God ter harte gaat. Zij hebben niemand meer. Geen man die voor je opkomt, geen vader of moeder die voor je zorgen. Maar God trekt zich hun lot aan. Speciaal voor hen doet Hij zijn naam eer aan: Ik zal er zijn. In Psalm 68 staat zelfs: “HEER is zijn naam, jubel als Hij verschijnt: vader van wezen, beschermer van weduwen” (Ps.68,5.6). Maar dat is Hij niet door zelf in het levensonderhoud van weduwen en wezen te voorzien. Want elke drie jaar moesten de Israëlieten tien procent van de oogst afstaan aan de HEER (Deut.14,29; 26,12.13) Dat deel was niet alleen bedoeld voor de Levieten, maar ook voor de weduwen en wezen. Als je dat weet, begrijp je ook hoe Jakobus in zijn brief kan schrijven dat alleen dit reine en zuivere godsdienst is: weduwen en wezen bijstaan in hun nood (Jak.1,27). De Here dienen betekende immers in de praktijk: voor de weduwen en de wezen zorgen. Maar als de mensen in plaats van de Here zichzelf gaan dienen, zullen de weduwen en de wezen daar als eerste het slachtoffer worden. Dat maakt God woedend. “Als dat gebeurt, kom Ik zelf”, zegt Hij in Exodus 22.
Tegen deze achtergrond krijgt het wonder dat Jezus verricht in Naïn een bijzondere lading. Hij geeft niet aan een jongen het leven terug, Hij geeft aan een moeder haar zoon terug. Want wat staat er, als Jezus tegen die jongeman zegt: “Jongeman, ik zeg je: Sta op!”? “De dode richtte zich op en begon te spreken en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder”. Dit is niet zomaar een wonder. Dit is een diaconaal wonder.
Als wij zeggen: het hoort niet dat een moeder haar enige zoon naar het graf moet brengen dan is Jezus het met ons eens. Als Hij haar huilend achter de baar ziet lopen, wordt Hij met ontferming bewogen. Dat zij eerst haar man en nu haar enige zoon naar het graf moet brengen ervaart Hij als onrecht. Want die God die een vader is voor wezen en een beschermer voor weduwen, dat is Hij. Daarom hebben de mensen ook helemaal gelijk als ze zeggen: “God heeft zich om zijn volk bekommerd”. Ze herkennen Hem, als Hij een zoon aan zijn moeder teruggeeft. Dit is God! Zo is God!

Toch zit de vreugde van de mensen die getuige waren van het wonder dat Jezus verrichtte me nog niet helemaal lekker. Ze hebben gelijk als ze zeggen: “God zélf heeft zich om zijn volk bekommerd”. Maar hebben ze ook gelijk als ze zeggen dat God zich om zijn vólk bekommerd heeft? Hij heeft zich toch alleen om die ene weduwe bekommerd, toch niet om alle weduwen, laat staan om alle mensen. Wat moet je met dit verhaal, als je zelf een kind naar het graf moest brengen zonder dat Jezus ingreep? Welke troost zit er in dit verhaal voor mensen die helemaal geen kind hebben om naar het graf te brengen; die zich soms afvragen wie er naar hen om zal zien als ze oud zijn en niet meer voor zichzelf kunnen zorgen?
Bij de voorbereiding van deze preek las ik een uitleg, waarin ik deze zin tegenkwam: “De begrafenis wordt afgelast: vandaag blijft er een graf leeg in Naïn”. Ik zette een uitroepteken in de kantlijn: mooi! Maar nu ik er wat langer over nadenk vraag ik me af: Zet dit wonder echt zoden aan de dijk? Want het graf in Naïn is niet leeg gebleven. Misschien is de moeder er later in begraven en heeft haar zoon een graf naast haar gekregen toen hijzelf oud en van het leven verzadigd was. Zo hoort het, zeiden we net. Maar menen we dat ook? Hoort het echt zo?
Toch zette die opmerking over dat lege graf in Naïn me wel op een spoor. Want ook al is het graf waar die jongen uit Naïn ingelegd zou worden niet leeg gebleven, het graf waarin Jezus zelf gelegd is, is wel leeg gebleven.
Het is een groot wonder dat die jongeman uit Naïn niet begraven hoefde te worden. Maar het is in groter wonder dat die jongeman uit Nazaret wél begraven moest worden. Want Hij was toch niet alleen net zo sterfelijk als wij, maar ook net zo onsterfelijk als God? In Jezus is God zelf toch naar de aarde gekomen? “God heeft zich om zijn volk bekommerd” zeiden de mensen uit Naïn en omstreken. Maar die belijdenis houdt veel meer in dan zij konden denken. Wie hadden kunnen bedenken dat God onze dood in zou gaan opdat wij zijn leven zouden ingaan? Ja, God, helpt als niemand je nog kan helpen. Hij gaat mee, als niemand meer met je mee kan gaan.
Op de paasmorgen bleek het graf waar Jezus in gelegd was leeg te zijn. Maar het is op het heel andere manier leeg dan dat graf in Naïn. Want die jongen uit Naïn is opgestaan om weer te sterven. Maar Jezus van Nazaret is opgestaan om nooit meer te sterven. Ook al moest dat toen allemaal nog gebeuren, de evangeolist Lukas wijst er toch alnaar vooruit, als Hij schrijft dat de Heer die weduwe zag en met ontferming bewogen werd. De Heer, dat is de opgestane Heer. Hij die als enige kan zeggen dat Hij dood gewéést is en leeft tot in alle eeuwigheden (Opb.1,18) Hij is het die zegt: “Jongen, ik zeg je: Sta op!”
Maar dan zegt Hij dat niet alleen tegen die jongen, dan zegt Hij dat ook tegen u en jou. De evangelist Lucas geeft ons daarom slechts een hint door te zeggen dat Heer hier aan het woord is. Maar bij de evangelist Johannes komen we tegen dat de Here Jezus zegt: “Waarachtig, ik verzeker u, wie luistert naar wat ik zeg en hem gelooft die mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven. Ik verzeker u: er komt een tijd, en het is nu al zover, dat de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en dat wie hem horen zullen leven” (5, 24.25.)
De tijd dat de doden de stem van Gods Zoon zullen horen, die tijd is nu al. Niet pas als Jezus terugkomt, mar nu al. die stem klinkt al sinds Jezus is opgestaan. Nu al zegt Hij tegen mensen: “Jongen, meisje, ik zeg je: sta op!” Dat lijkt vreemd. Want je bent toch helemaal nog niet gestorven? Bovendien, de graven van hen die in Jezus geloven raken net zo goed vol als de graven van hen die niet in Hem geloven. Maar ook al gaat het dwars tegen je ervaring in, luister naar die vreemde stem: “Ik zeg je, sta op!” Dan zul je merken dat het waar is. Je krijgt deel aan een leven dat niet meer stuk kan. Eén van de Psalmen voor Nu zegt het zo: “Ik leef, ik leef naast God ik val niet uit zijn hand”. Hoor dan naar de stem van Gods Zoon, die ook naar jou heeft omgezien. Hoor en leef!

Toch mogen we niet vergeten dat de opwekking van die jongen uit Naïn een diaconaal wonder was. Het formulier voor de benoeming van diakenen zegt: “De heer roept ook nu op tot het betonen van gastvrijheid, offervaardigheid en barmhartigheid, om zwakken en hulpbehoevenden volop te laten delen in de blijdschap van Gods volk. In de gemeente mag niemand ongetroost leven in ziekte, eenzaamheid of armoede”. Dan heeft de kerk zich niet altijd van haar beste kant laten zien.
Een oom van me is opgegroeid in een gezin waarvan de vader en de moeder al overleden waren. Maar als de diaken langskwam, keek hij eerst in de suikerpot. Want zolang die kinderen nog suiker konden kopen, hoefde de kerk niet bij te springen. Maar ik heb zelf meegemaakt dat een steunaanvraag aan iemand in de gemeente toegekend werd op voorwaarde dat diegene wat vaker in de kerk kwam. Ook daar herken ik Jezus niet in die met ontferming bewogen werd omdat Hij alleen oog had voor de ellende van die weduwe.
Wij kunnen Jezus niet navolgen als Hij doden opwekt. Maar we kunnen Jezus wel navolgen als Hij oog heeft voor mensen die niemand meer hebben. Nog steeds is dat reine en zuivere godsdienst: omzien naar elkaar, zoals God in Jezus naar ons omgezien heeft. Want

Wij zijn onderweg als pelgrims,
vinden bij elkaar houvast.
Naast elkaar als broers en zusters
dragen wij elkanders last.

Ik zal blij zijn als jij blij bent,
huilen om jouw droefenis.
Al mijn leeftocht met je delen
tot de reis ten einde is (Opw. 378:2,4).

Amen.