Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Als Jezus jou niet vertrouwt (+ gesprekpunten)
titel : Als Jezus jou niet vertrouwt (+ gesprekpunten)
datum : 5 februari 2017
volledige onderwerp : Johannes 02 : 23 - 25
Download deze preek.

Preek over Joh.2,23-25 (Den Ham / Kampen-Z, 5-2-17)

Votum en groet
Opw.789
10 geboden
Ps.119:10-12
Gebed
L Joh.2,23-3,12
L Joh.4,39-54
Opw.518
Kindmoment (door Gerdieneke Alfing)
T Joh.2,23-25
Preek
Opw.616
Dankzegging en voorbede
Collecte (tijdens de collecte: Opw.707 door combo)
Ps.86:3-5
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

“Niemand hoefde Hem iets over de mens te vertellen, want Hij wist zelf wat erin een mens omgaat.” Dat lijkt een aansprekend woord: Jezus die je beter kent dan wie ook. Een andere tekst in de Bijbel zegt daarvan: “Wij hebben een hogepriester die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde. Daarom kan hij ieder die beproefd wordt ook bijstaan” (Hebr.4,15; 2,18).
Maar als je de hele tekst voor de preek op je laat inwerken, wordt het anders. Juist omdat Jezus de mensen allemaal kende, had Hij geen vertrouwen in hen. Het pijnlijke is dat Jezus geen vertrouwen in de mensen heeft, als zij tot geloof in Hem komen. Hij vertrouwt het niet. Hij vertrouwt hén niet. Nog pijnlijker wordt het als je beseft dat ‘geloven’ en ‘vertrouwen’ in het Grieks hetzelfde woord is.
Zou je in het Nederlands ook hetzelfde woord gebruiken, dan kreeg je: “Veel mensen geloofden in Hem. Maar Hij geloofde niet in hen”.
Ik heb deze tekst uitgekozen, omdat die me intrigeerde. Maar hoe langer ik erover nadacht, hoe moeilijker ik het ermee kreeg. Zou dat kunnen? Dat ik ervan overtuigd ben dat ik in Jezus geloof, maar dat Hij daar nog niet zo van overtuigd is? Maar afgezien van mijzelf, moet ik tegen u en jullie zeggen: “Je kunt wel denken dat je echt in Jezus gelooft, maar Jezus weet dat nog zo net niet?” Zelfs als ik dat niet tegen u en jullie allemaal kan zeggen, zou ik het dan wel tegen sommigen van u en jullie moeten zeggen? Ik weet dat dat wel de taak van een predikant kan zijn. In de catechismus staat immers dat in de preek het koninkrijk van God voor de gelovigen open moet gaan, maar voor de ongelovigen dicht. Maar toen het woord van God me weer bij die verantwoordelijkheid bepaalde, huiverde ik. Het verlamde me.
Ik ben daar uitgekomen, toen ik me realiseerde dat de oude vertaling me nog parten speelde. Daar stond namelijk: “En terwijl Hij te Jeruzalem was, op het Paasfeest, geloofden velen in zijn naam, doordat zij zijn wonderen zagen, die Hij deed; maar Jezus zelf vertrouwde Zichzelf hun niet tóe, omdat Hij hen allen kende”. Iemand niet vertrouwen of je niet aan iemand tóevertrouwen, het klinkt bijna hetzelfde. Maar er zit een groot verschil tussen. Want als je je niet aan iemand toevertrouwt, dan houd je diegene op afstand. Je wordt liever niet te vertrouwelijk, maar kijkt de kat nog even uit de boom. Het zou verschrikkelijk zijn als Jezus zo met je omging. Jij zoekt Hem, maar Hij ontwijkt jou. Maar dat staat er dus niet. Het feit dat Jezus nog niet zo zeker was van het geloof van de mensen in Hem, was voor Hem geen reden hen uit de weg te gaan. Hij zoekt juist de confrontatie.
Op de woorden die ik als tekst voor de preek heb uitgekozen, volgen drie van die confrontaties: met een Farizeeër, met een Samaritaanse vrouw en met een hoveling. Bij alle drie de confrontaties wil ik met u en met jullie stilstaan. Dat is niet mijn gewoonte. Ik zeg liever veel over weinig, dan weinig over veel. Toch wijk ik daar nu vanaf. Want Jezus zelf voorziet het geloof dat Hij tegenkomt van heel verschillende vraagtekens. Hij gooit het niet op de grote hoop van het geloof. Nee, Hij benadert die Samaritaanse vrouw anders dan die Farizeeër, en die hoveling weer anders dan die Samaritaanse vrouw. Hij wil hen alle drie tot echt geloof brengen. Maar juist omdat Hij hen kende, wist Hij dat er bij de een een andere blokkade zat dan bij de ander. Daarom benadert Hij hen op een manier die aansluit bij hen moeiten om hun hart aan hem te geven. Mocht je er zelf ook moeite mee hebben je hart aan Jezus te geven, dan hoop ik dat je je herkent in een van de personen met wie Jezus de confrontatie aangaat. Is dat niet in de een, dan wel in de ander.

***

Hij wilde eens rustig met Jezus van gedachten wisselen. Overdag kwam daar niets van. Al die mensen die met Jezus wegliepen. Al die collega’s die tegen Jezus opliepen. Hij kon zich ook nog wel voorstellen dat ze moeite met Hem hadden. Jezus had ook wel erg drastisch de bezem door tempel gehaald. Toch had zijn optreden iets profetisch. Alsof God zelf in die Jezus van Nazaret aan het woord en aan het werk was. Daar begon hij dan ook mee: “Rabbi, wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is”. Maar Nikodemus kreeg de wind van voren. “Wij weten? Wij weten? Jullie weten helemaal niets. Waarachtig, ik verzeker u: wíj spreken van wat wij weten en wij getuigen van wat wij gezien hebben, maar jullie accepteren ons getuigenis niet.”
Ik heb het gesprek tussen Jezus en Nikodemus wel erg kort samengevat, door het woord waar Nikodemus het gesprek mee opent: “Wij weten”, te laten volgen door het woord waar Jezus het gesprek mee afsluit: “Wíj weten”. Maar zo wordt wel duidelijk dat een normaal gesprek met Jezus niet mogelijk is. Hij heeft maling aan de gebruikelijke omgangsvormen. Zou Hij zich hieraan houden, dan zou Hij op een welwillend woord een welwillend antwoord geven. Nikodemus legt de eerste steen, Jezus de tweede, Nikodemus de derde, Jezus de vierde, en zo bouwen ze samen heel gezellig aan een toren van Babel die tot in de hemel reikt. Deze vuist op deze vuist en zo klim ik naar boven.
Misschien denk je zelf ook wel dat groeien in het geloof er zo uitziet. Je hebt van thuis, van school, in de kerk al een boel meegekregen, maar je bent er nog niet helemaal. Je mist het antwoord op vragen waar je maar niet uit komt. Je bent, zeg maar, een huis zonder dak. Je mist de motivatie om de keuzes te maken die je eigenlijk zou moeten maken. Je bent, zeg maar, een auto zonder benzine. Je mist het enthousiasme dat echte gelovigen wel hebben. Je bent, zeg maar, een haard zonder vuur. Als Jezus daar nu voor zou kunnen zorgen: voor dat dak, voor die benzine, voor dat vuur. Dat is toch niet te veel gevraagd?
Nee, het is te weinig gevraagd. Want Jezus is niet gekomen om je nét dat stukje kennis, dat stukje bezieling en dat stukje blijdschap te geven dat je nog nodig had. Misschien kom je daarvoor wel in de kerk. Misschien ga je daarvoor wel naar catechisatie. Het geloof interesseert je. Jezus boeit je.
Maar Jezus vertrouwt Nikodemus’ belangstelling niet. Want er spreekt geen enkel besef uit dat je zonder Jezus niets bent en zonder Jezus nergens blijft. Jezus zegt het zelf zo: ”Wat van beneden komt is menselijk, alleen wat van boven komt is geestelijk.” Alles wat jij, Nikodemus, zegt over boven, komt van beneden. Pas als jij zélf van boven was, sloegen je woorden ergens op. Maar nu praat je wel over de hemel, maar ondertussen klets je in de ruimte.
Stel je voor dat Jezus dat tegen u zegt, die in de kerk komt om iets te horen dat u nog niet wist. Denk je eens in dat Jezus dat tegen jou zegt die naar catechisaties komt voor interessante discussies over het geloof. Hoe zou u dan reageren? Wat zou je dan zeggen? We lezen niet hoe het gesprek tussen Jezus en Nikodemus is afgelopen. Het gaat Johannes ook niet om de reactie van Nikodemus, maar om de reactie van u en jou.
Wat kun je dan anders zeggen dan: “Here Jezus, ik ben van beneden. Maak mij dan tot wat ik nooit kan worden: van boven. Ik ben een kind van mij ouders. Maak mij dan tot wat ik nooit kan worden: een kind van uw Vader. Ik ben doordrenkt van de geest van deze wereld. Vul mij dan met de Geest waarover ik nooit kan beschikken: uw Geest.

***

Ze was op het heetst van de dag naar de bron van Jakob gegaan. Dat deed natuurlijk niemand. Maar ze wilde ook niemand spreken. Jammer genoeg zat er al iemand bij de bron. Een man die een heel gesprek met haar begon over water dat je dorst voor altijd stilt. Om maar van Hem af te zijn, zei ze: “Geef mij dat water, meneer, dan hoef ik hier nooit meer te komen om water te putten”. Maar toen reageerde Hij op een manier die ze niet verwacht had: “Ga je man eens roepen en kom dan weer terug.” “Ik heb geen man”, zei ze. “U hebt gelijk “, zei de man. U hebt vijf mannen gehad en die u nu hebt is uw man niet”.
Ook het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw heeft een open einde. De vrouw komt in elk geval niet tijdens dat gesprek tot geloof. Toch hebben Jezus’ woorden haar niet losgelaten. Want terug in de stad praat ze er met iedereen over: “Hij weet alles van mij”. Inderdaad, niemand hoeft Jezus iets over de mens te vertellen, want Hij wist zelf wat er in een mens omgaat. Maar die vrouw is daar blij mee. Het is of ze nu pas begrijpt wat Jezus bedoelt met water dat je dorst voor altijd stilt.
Het kan best zo zijn dat u of jij ook niet zo zit te wachten op levend water. Tot je erachter komt dat je inderdaad een verschrikkelijke dorst hebt. Er zit een gat in je leven dat je maar niet niet dicht krijgt. De Samaritaanse vrouw probeerde het wel. Ze viel van de ene relatie in de andere, maar vond geen man die haar kon geven wat ze zo nodig had. Misschien probeert u dat gat op een andere manier te vullen. Met uw eigen gelijk. Met hard werken. Met verdovende middelen. Met geforceerde vrolijkheid. Je kunt niet zonder omdat het leven anders te veel pijn doet. Wat zou je zeggen als Jezus je juist daarnaar vroeg? “Ik weet dat je iets hebt dat niet los kunt laten. Breng het eens bij Me en laat het Me eens zien”.
Misschien zou je net als die vrouw de boot nog even afhouden. “Nou, ik merk wel dat u een profeet bent.” Maar als je straks weer thuis bent? Haal je afgod eens tevoorschijn en kijk er samen met Jezus eens naar. Mag Hij hem van je hebben? Durf je het aan om zonder je geheime houvast verder te gaan? Misschien. Maar dan moet Hij die lege plek wel vullen met Zijn liefde. Vraag Hem daar dan maar om. Want Hij wil je dorst graag stillen.

***

Hij was wanhopig. Want zijn zoon was zo ziek. Tot hij hoorde dat Jezus van Nazaret weer terugkeerde van zijn reis naar Jeruzalem. Jezus kende hij nog wel. Van horen zeggen, natuurlijk. Maar zou een man die water in wijn veranderd had, ziekte niet kunnen veranderen in genezing?
Jezus leek er alleen geen oren naar te hebben. “Als jullie geen tekenen en wonderen zien, geloven jullie niet.” Maar het ging hem helemaal niet om een wonder, het ging hem om zijn zoon. “Kom!” Maar Jezus weigerde. Niet Hij moest komen, die man moest gaan. “Ga!”
Wat zou jij doen? Je zou gaan. Tenminste, als Jezus erbij zei wat Hij tegen die hoveling zei: “Ga, je zoon leeft.” Maar als Hij dat er nu eens niet bij zei? Kun je dan toch geloven dat je kind veilig is bij Jezus?
De laatste van de drie confrontaties is de moeilijkste. Of toch niet? Want wie vraagt je Hem te vertrouwen? Toch Hij die zijn leven gaf voor jouw leven? Toch Hij die zelfs de dood kan veranderen in een doorgang naar eeuwig leven?
Ga dus net als die hoveling vol vertrouwen op weg. Ook als je niet weet welk wonder er vóór je ligt. Maar dat er een wonder voor je klaarligt is zeker. Want dwars door de machten van beneden, gaan de krachten van boven werken. Daar is zelfs de diepste wanhoop niet tegen bestand.

***

Schenk Jezus dan je vertrouwen. Laat Hem de confrontatie aan mogen gaan met je zelfvertrouwen, met je schaamte, met je wanhoop. Voorwaar, ik zeg: Dan zul je nooit beschaamd uitkomen.

Amen.