Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Vrede, ook voor Arabieren (Oudjaar)
titel : Vrede, ook voor Arabieren (Oudjaar)
datum : 31 december 2016
volledige onderwerp : Jesaja 21 : 13 - 17
Download deze preek.

Preek over Jes.21,13-17 (Den Ham, Oudjaar 2016)

Votum en groet
Ps.90:1,2,6 (NB)
Gebed
L Jes.21,1-12
LB 445:1,2,3
T Jes.21,13-17
Ps.31:11-14
Geloofsbelijdenis van Nicea
Gez.108
Dankzegging en voorbede
Collecte
LB 103c
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

[ppt]
Hoort gij die stemme,
roepend uit de verte
smekend om redding?
’t Is een stem der smarte;
’t Klinkt als een angstkreet,
afgeperst aan ’t harte,
biddend en klagend.

Een lied dat de ouderen misschien nog wel kennen. Maar misschien hebben jongeren het ook weleens gehoord. Want er zijn nog steeds koren die het zingen. Het is ook best een aangrijpend lied. Je wordt opgeroepen om te luisteren naar een stem die tot je roept vanuit de verte. Denk niet meteen dat dat dan wel de stem van God zal zijn. Want als je het hele lied hoort, blijkt het te gaan om de stem van hen die Jezus niet kennen. Als ze in hun nood schreeuwen om redding, roepen ze – zonder zich er zelf bewust van te zijn – om de redder die in Betlehem geboren is: Jezus Christus, die ook hun Heer is.
Wat is er dan ook in het afgelopen jaar geschreeuwd om Jezus Christus. Ik denk vooral aan de noodkreten die ons bereikten vanuit de Syrische stad Aleppo. Vloggers die zich in de steek gelaten voelden door hun volgers in het Westen en verwachtten dat elke videoboodschap die ze de wereld in stuurden de laatste kon zijn. Maar al voor de val van Aleppo is er een stroom aan vluchtelingen op gang gekomen die met de moed der wanhoop het Westen probeerden te bereiken op gammele bootjes. We horen er niet veel meer van sinds de Europese Unie en Turkije hun vluchtelingendeal gesloten hebben. Maar nog altijd wagen mensen de oversteek. Is het niet vanuit Turkije, dan wel vanuit Noord-Afrika. In 2016 zijn daarbij meer mensen omgekomen dan in 2015. Maar al zouden we ons doof willen houden voor de stem die roept uit de verte, we kunnen het niet. De oorlog waarvoor zoveel mensen op de vlucht slaan woedt ook hier. We werden opgeschrikt door bomaanslagen op het vliegveld en een metrostation in Brussel. We werden geschokt door aanslagen met een vrachtwagen die inreed op mensen in Nice en in Berlijn. We waren ontzet over het lot van die oude priester in een kerk in Frankrijk die werd afgeslacht als een schaap voor het offerfeest. Wat komt de verschrikking dichtbij.
Hoort gij die stemme, roepend uit de verte? Jesaja hoorde die stem wel. Want we lazen zijn profetie over Duma. “Vanuit het gebergte van Seïr roept men naar mij: [ppt] ‘Wachter, hoe lang nog duurt de nacht? Wachter, hoe lang nog duurt de nacht?’” Het is een noodkreet uit de Arabische wereld van zo’n 2700 jaar geleden. Maar het is alsof ze nog altijd klinkt. Niet alleen in onze oren, maar ook in ons hart. Want stelt die stem uit de verte niet een vraag die ook in ons eigen hart leeft? “Wachter, hoe lang nog duurt de nacht?”

Duma was een zoon van Ismaël (Gen. 25,14). [ppt] De afstammelingen van Duma woonden ergens in een oase in het noorden van de Arabische woestijn, zo’n beetje halverwege Jeruzalem en Babel. Duma, ook een beetje een onheilspellende naam. Want Duma betekent: stilte. Niet zomaar stilte: de stilte van de dood. In twee psalmen wordt het woord duma gebruikt als een ander woord voor dodenrijk: “Niet de doden loven de HEER, niet wie zijn afgedaald in de stilte” (Ps.115,17; vgl.94,17). Duma. Ergens in Groningen ligt een gehucht met dezelfde naam: Doodstil.
Heeft de profeet Jesaja niks beters te doen dan een woord van troost te richten tot Duma, een plek, letterlijk en figuurlijk, zo obscuur, dat men al voor het jaar nul van onze jaartelling niet meer wist waar dat wel mocht liggen? Wat moeten wij vandaag nog met al die godsspraken over volken die allang niet meer bestaan? Al die zogenaamde volkenprofe¬tieën, ze beslaan een groot stuk van het oude testament. Maar als je die profetieën aan tafel leest, bekruipt je weleens de gedachte: Dit is toch allemaal allang achterhaald?
Toch niet. Want als één ding blijkt uit die profetieën, dan wel dat God niet slechts de Koning van Israël of Juda is, maar de Koning van de hele aarde. En dat zal het volk van God, Juda toen en wij nu, weten ook. Ook al was Jesaja dan misschien burger van een landje dat je met een vergrootglas op de kaart moest zoeken, dat betekende nog niet dat zijn God slechts een lokale grootheid was. Zijn machtsgebied was groter dan Juda alleen. Als Jesaja het woord richt tot andere volken dan Juda, dan zit daar voor het volk van God als zodanig al een bemoediging in: ook al zijn wij op het oog slechts een speelbal voor de machten in deze wereld, zij zijn op hun beurt weer een speelbal voor onze God.
Bovendien, als Duma roept tot Jesaja: “Wachter, hoe lang nog duurt de nacht, wachter, hoe lang nog duurt de nacht”, dan spitst ook Juda de oren. Want zij zaten in hetzelfde schuitje als Duma. Ook Juda had Doodstil kunnen heten. Want Juda zat onder dezelfde plak als Duma, en Juda kon net als Duma elk moment onder de voet gelopen worden door de supermacht van die dagen: Assyrië. Als Jesaja nu een woord van hoop had voor Duma, kon ook Juda opgelucht ademhalen. Want ze zaten in een geweldige spanning, zeker na de woorden die ze net uit de mond van Jesaja gehoord hadden: “Gevallen, gevallen is Babel”. Dat zijn woorden die ons nogal positief in de oren klinken, omdat ze ook in het bijbelboek Openbaring aangehaald worden (Opb.14,8; 18,2). Daar staat Babel voor het rijk van de boze, de antichrist. Maar die naam had Babel in die dagen nog niet. Babel was eerder de enige groot¬macht die Assyrië nog zou kunnen stoppen. Dus als Jesaja vanaf zijn wachtto¬ren de boodschap hoort: “Gevallen, gevallen is Babel”, dan is, menselijk gesproken, alles verloren. Duma ziet de bui al hangen, en vraagt Jesaja hoe de weersverwachtingen zijn: “Wachter, hoe lang nog duurt de nacht, wachter, hoe lang nog duurt de nacht?”
En de wachter antwoordt: “De morgen komt, en ook de nacht”. Het is wel een antwoord. Want het eerste dat de wachter zegt is: “De morgen komt”. Maar het is ook een raadselachtig antwoord. Want het tweede dat de wachter zegt is: “en ook de nacht”. Waarom moet dat tweede erbij gezegd worden? Waarom niet volstaan met te zeggen dat de morgen komt? Komt die dan niet? Wel degelijk. Maar ook de nacht. Het moet een woord zijn dat verwachtingen schept. Maar wat je precies kunt verwachten? Het licht, ook als de duisternis nog niet geweken is. De vrede, ook als de oorlog nog niet beëindigd is. Het leven, ook als de dood nog niet ontkracht is. Het is een antwoord waarmee je wel even vooruit kunt. Misschien moet je gelóven dat het een antwoord is om te kunnen erváren dat het een antwoord is.

Toch laat God het niet bij dat raadselachtige antwoord. Want Jesaja moet het woord niet alleen tot Duma richten, maar tot de hele Arabische wereld. Hij spreekt Dedan aan [ppt], een zoon van Abraham en Ketura, en hij spreekt Tema aan [ppt], een zoon van Ismaël en dus een broer van Duma. Het zijn plaatsen die ons weinig zeggen. Maar kijk maar eens op de kaart. [ppt] Dedan en Tema liggen op de route naar Medina [ppt], de plaats waar Mohammed duizend jaar later een veilig heenkomen vond toen hij uit Mekka verdreven was.
Wat zou er door een Arabier heengaan, als hij Jesaja hoorde zeggen: “Sla jullie kamp op in het woud van Arabië, karavanen van de Dedanieten. Breng de vluchtelingen brood, inwoners van Tema, geef de dorstigen water. Zij zijn de oorlog ontvlucht, het getrokken zwaard en de gespannen boog, gevlucht voor het geweld van de strijd”? Vorig jaar sprak een geestelijke uit Saoedi-Arabië er zijn schaamte over uit dat die duizenden en duizenden vluchtelingen uit Syrië hun toevlucht in Europa zochten en niet Saoedi-Arabië, het heilige land van de moslims. Moet je niet zeggen dat Jesaja’s profetie over Arabië blijkbaar nooit bij de Arabieren geland is? Terwijl God toch ook tot hen gesproken had. Niet alleen een raadselachtige bemoediging, maar ook een eenvoudige opdracht: “Breng de vluchtelingen brood, geef de dorstigen water”. Blijkbaar wordt het al een beetje dag als mensen de hulp die ze elkaar kunnen geven niet aan God overlaten.
Maar ook al richt Jesaja zijn woord tot de Arabieren, zijn profetie is opgenomen in het woord van ónze God. Als wij horen dat God ook oog heeft voor de nood in de Arabische wereld, mogen wij ons oog dan ook niet voor die nood sluiten. Of zoals dat oude versje het zei: [ppt]

Hoort toch gij Christ’nen,
’t Heidendom vraagt hulpe;
ziet! ’t heft ten hemel
de gebonden handen.
O, ’t zijn uw broeders,
denkt aan hunne banden,
brengt hun uw Heiland.

Maar misschien kun je beter zeggen: toont hun uw Heiland, die met vijf broden en twee vissen vijfduizend man te eten gaf, zonder dat zijn leerlingen tekortkwamen. Twaalf manden met brokken hielden ze over, voor elke leerling één (Mc.6,41-44). Waarom zouden wij dan bang zijn dat er niet genoeg voor onszelf overblijft als wij ons brood met de hongerigen delen? Wij die niet alleen meer dan vijf broden en twee vissen hebben, maar ook het levende brood kennen dat onze honger voor altijd stilt: Jezus Christus die Zichzelf aan ons uitgedeeld heeft (Joh.6,35).

Laten ook wij dus luisteren naar wat God de Arabieren nog meer te zeggen heeft. Zijn laatste woord is gericht tot Kedar, [ppt] ook een zoon van Ismaël en dus een broer van Duma en Tema. Dit zei de Heer: “Nog een jaar en Kedars roem is ten einde. Van de boogschutters van Kedars leger zal nog maar een klein aantal overblijven. De HEER, de God van Israël, heeft gesproken”.
Een heel andere boodschap dan voor Duma, Dedan en Tema. Maar Kedar speelde ook een heel ander rol in de Arabische wereld. De afstammelingen van Kedar waren bedoeïenen die de kost vooral verdienden met het beroven van karavanen. Maar ze waren ook niet te beroerd hun boogschutters aan de koning van Assyrië te verhuren. De Kedarieten waren de terroristen van hun tijd. Wat doet het ons dan goed te horen dat met hun roem bijna gedaan is. Er blijft weliswaar een klein aantal van hen over, maar toch. De tijd dat ze dood en verderf zaaiden is voorbij.
Laten we niet te vroeg juichen. Want de Kedarieten zijn niet het enige volk waarvan God zegt dat er maar een rest van overblijft. Misschien weet u nog hoe Jesaja’s oudste zoon heette: [ppt] Sear-Jasub (7,3). Dat betekent: Een rest keert terug. Niet een rest van Kedar, maar een rest van Israël. Die naam speelde me in het afgelopen jaar regelmatig door het hoofd. Want zal die naam ook voor onze gemeente in vervulling gaan? Het aantal kerkgangers neemt af. Niet alleen ’s middags, maar ook ’s avonds. Zelfs ’s morgens. Maar bij activiteiten naast de kerkdiensten kom je altijd hetzelfde groepje mensen tegen. En steeds vaker bekruipt me het gevoel: Is dat de rest waar het woord van God van spreekt? Ik kan die vraag niet beantwoorden, maar ik weet wel dat als we in het woord van God lezen over de rest niet, er een mens als Jesaja aan het woord is die somber is over de toekomst van zijn volk. Nee, het is God zelf die voorzegt dat van een volk dat langzaam maar zeker van Hem vervreemdt er maar een rest over zal blijven.

Merkwaardig genoeg vinden we de remedie tegen die vervreemding ook in het woord dat Jesaja moest richten tot de Arabieren. Want wat zei hij ook maar weer tegen Duma? “De morgen komt, en ook de nacht. Wilt u iets vragen, kom dan terug en vraag het”. Jesaja zei het eigenlijk nog wat korter en krachtiger. De Herziene Statenvertaling geeft zijn woorden zó weer: [ppt] “Wilt u vragen, vraag! Keer terug, kom!”
Het is of God er rekening mee houdt dat we teleurgesteld zijn door zijn antwoord dat de morgen komt, maar ook de nacht. Maar als we al aanstalten maken om weer naar huis te gaan, krijgen we te horen: “Vraag, keer om, kom”. Alsof God wil zeggen: “Draai Me niet de rug toe, als je hoort dat de nacht nog niet voorbij is. Als je bij jezelf zegt: “Gods woord zegt me zo weinig, ik merk zo weinig van Hem, ik voel zo weinig bij Hem”, zeg dat dan niet bij jezelf. Zeg het tegen Mij. Keer op je schreden terug, kom weer bij Me en stel Me je vragen. Want ook als de nacht van niets horen, niets merken, niets voelen maar duurt, wil Ik er al die tijd voor je zijn”.

“De morgen komt, maar ook de nacht”. We lezen die woorden nadat we het kerstfeest gevierd hebben. Moet je dan niet zeggen dat de morgen al gekomen is, ook als het nog nacht is? Ja, dat moet je zeggen. God en wij leven niet langer in twee werelden: God in zijn licht en wij in onze duisternis. Gods licht is op aarde gaan schijnen sinds zijn Zoon een mens werd als wij. Ons leven werd zijn leven, ons lijden zijn lijden, onze dood zijn dood.
Sinds God in zijn Zoon Jezus Christus onze nood tot zijn nood maakte, gaat deze roep de wereld over: “Vraag, keer om, kom. Pak niet alleen om met wat je kwelt. Belast Mij er mee. Zadel Mij er mee op. Maak jouw probleem tot mijn probleem”. En als wij op deze oudejaarsavond roepen: “Blijf bij mij, Heer, want de avond is nabij” (Lc.24,29), dan antwoordt Hij: “Blijf bij Mij, m’n kind, want de morgen is nabij”.

Amen.