Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Toen ze het kind zagen (Kerst)
titel : Toen ze het kind zagen (Kerst)
datum : 25 december 2016
volledige onderwerp : Lucas 02 : 17 - 19
Download deze preek.

Preek over Lc.2,17-19 (Den Ham / Gramsbergen, kerst 2016)

Votum en groet
LB 483 (LvK 143)
Gebed
L Lc.2,1-13
Gez.50 (v.m.)
L Lc.2,16-20
LB 480 (melodie: Ps.128)
T Lc.2,17-19
LB 468 (LvK 140)
De 10 geboden kort en krachtig (v.m.)
Geloofsbelijdenis van Nicea (n.m.)
Gez.133:5
Dankzegging en voorbede
Collecte
LB 475 (LvK 141)
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

“Ze gingen haastig op weg en vonden Maria en Jozef en het kind dat in de voederbak lag”. Ook het kerstverhaal maakt ineens haast. Want al werden de herders in de velden van Betlehem omgeven door het stralende licht van de Heer, de bron van dat licht was in Betlehem zelf te vinden, gewikkeld in een doek en liggend in een voederbak. Daar moeten we zijn, bij Hem moeten we zijn. Het is alsof de herders nog niet op weg gegaan zijn of ze zijn al aangekomen. Terwijl er toch geen ster voor hen uitging die stil bleef staan boven het huis waar het kind was. De herders moesten het doen met het woord van de engel: “Jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt”. Dat was het teken waaraan ze hun Heer konden herkennen. Zijn signalement was blijkbaar duidelijk genoeg. Zo’n Heer, daar is er maar een van.
Toch zien ze eerst Maria, dan Jozef en dan pas het kind. Blijkbaar mogen wij Maria en Jozef niet over het hoofd zien, als wij het kindje in de kribbe vóór ons willen zien. Jezus is geen Melchisedek, zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom, die verschijnt alsof hij nooit geboren is en verdwijnt alsof hij nooit gestorven is (Hebr.7,3). De Zoon van God is niet uit de lucht komen vallen. Hij is ter wereld gekomen uit de schoot van zijn moeder. Via Maria gaat zijn stamboom gaat terug tot Adam. Maar via Jozef gaat zijn stamboom terug tot David. Daarom was Hij ook niet in Nazaret, maar in Betlehem geboren. Toen iedereen zich moest laten inschrijven, was Jozef met zijn aanstaande vrouw, afgereisd naar Betlehem, omdat hij nog van David afstamde. Waarschijnlijk hebben de herders dat niet allemaal bedacht, toen ze Maria, Jozef en het kind zagen. Maar als wij door de ogen van de herders rondkijken in die stal in Betlehem, zien ook wij het kindje in de kribbe pas liggen nadat we Maria en Jozef hebben zien staan. We kunnen niet om hen heen, omdat God niet om hen heen wil.
De geschiedenis van God en mens begint niet in de kerstnacht. God en mens gaan al zolang met elkaar, maar het is of ze elkaar nooit helemaal gevonden hebben. God laat die geschiedenis van liefde en haat, van toenadering en vervreemding, van zegen en vloek niet achter Zich als Hij een nieuw begin met mensen maakt. Want de nieuwe mens die in de kerstnacht geboren is, staat niet op Zichzelf, maar in een lijn: de lijn van Adam en de lijn van David.
Als je niet van Joodse afkomst bent, zegt die laatste lijn je misschien niet zoveel. Je wilt graag horen van God die Zich onder de mensen begeeft. Als Hij maar met ons is. Dan zijn we niet alleen met onszelf en niet aan onszelf overgelaten. Maar God die lijn van David weer oppakt? Wat hebben wij met David te maken? (1Kon.12,16) Maar dan vergeten we dat God de God van Israël is en blijft. In een wereld die God vergeten was, mocht dat volk zijn naam kennen. Tussen de wereldmachten die de aarde beheersten mocht de koning uit het huis van David in zijn naam regeren. Israël zou Gods bruggenhoofd naar de wereld zijn. De koning uit het huis van David zou Gods vrederijk tot aan de einden van de aarde brengen. Zo moest het gaan. Zo zal het gaan, ook als Israël inmiddels een provincie van het Romeinse rijk geworden is en de koning uit het huis van David een timmerman.

In een roman die ik eens las, wordt de herinnering opgehaald aan een kerstpreek van vlak voor de oorlog. De dominee was blijkbaar een aanhanger van Adolf Hitler. Want hij had het kerstevangelie als volgt samengevat: “Christus’ vleeswording als vernedering. Punt 1: Christus werd mens: een diepe vernedering. Punt 2: Christus werd jood: de diepste vernedering” . Ik ga ervanuit dat hier niemand zit die het eens is met het tweede punt van die preek. Maar misschien ben je het wel eens met het eerste punt: “Christus werd mens: een diepe vernedering”. Want zeg nu zelf: God zijn en mens worden, dat is toch een enorme achteruitgang? Dat is nog erger dan koning zijn en timmerman worden. Want koning en timmerman zijn beiden mensen. Maar God zijn of mens zijn, dat lijkt toch een wezenlijk verschil.
Dat is het ook. Toch klinkt dat bijna alsof het met het wezen van God in strijd zou zijn om mens te worden; alsof dat tegen Gods natuur inging, maar er voor Hem gewoon niets anders op zat als Hij mensen wilde verlossen van zonde en dood. Ik geloof niet dat dat waar is. Het is een vernedering voor God als Hij in voerbak gelegd en aan een kruis gehangen wordt. Maar het is geen vernedering voor God om mens te worden. In het mensenkindje dat de herders in die voerbak zagen liggen ontmoetten zij hun God. Johannes zegt het in zijn kerstevangelie zo: “Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen” (Joh.1,18). Passen we die woorden toe op wat we bij Lucas lezen, dan zien de herders God recht in het hart als zij een kindje zien liggen in een kribbe. Het is geen schande voor God om mens te worden. Want wat hadden de herders de engelen ook meer weer horen zingen? Niet: Schande voor God in de hoogste hemel, maar: “Glorie aan God in de hoogste hemel en op aarde vrede, Hij heeft in mensen behagen” (GK 49).
Wij hebben geen andere oren om de engelen te horen zingen van glorie voor God en vrede voor mensen dan de oren van de herders. Zoals wij ook geen andere ogen hebben om het kind in de kribbe te zien dan de ogen van de herders. We horen met hun oren en zien met hun ogen. Als we met onze eigen oren willen luisteren, horen we niets en als we met onze eigen ogen willen kijken zien we niets. Het kerstverhaal uit Lucas 2 maakt dat pijnlijk duidelijk. Want wat staat er in die woorden die ik als tekst voor de preek heb uitgekozen? “Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind gezegd was. Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden”. Dat betekent dat allen die het hoorden wel de herders hoorden, maar niet de engelen. Misschien hebben de herders het Gloria in excelsis Deo dat hun in de velden voorgezongen was bij de kribbe wel nagezongen. Maar de mensen die zich slechts verbaasden hoorden dan nog steeds geen engelen, maar herders zingen. Daarom zagen ze ook niets. Ja, een kind dat in doek gewikkeld in een voederbak lag. Maar dat in dat kind God zelf bij hen gekomen was, dat konden zij er met geen mogelijkheid aan afzien.
Kunt u dat er wel aan afzien? Kun jij in dat schepseltje de Schepper wel herkennen? Ik hoor nog weleens zeggen dat geloven minder moeilijk zou zijn als je Jezus zelf kon zien. Zou het? Stel je eens voor dat je het kindje in de kribbe met eigen ogen had gezien. Zou je dan wel kunnen geloven dat God in alle dingen die je meemaakt bij je is? Zou je je leven dan wel aan Hem durven toevertrouwen? Maar aan dat kindje is helemaal niets goddelijks te zien. Tenzij je net als de herders in Jezus’ menselijkheid Gods heerlijkheid ziet stralen. Maar ja, die herders waren ook omgeven door het stralende licht van de Heer toen er ineens een engel van de Heer bij hen stond. Had je dan liever die engel dan dat kindje gezien? Toch is God niet in die engel, maar in dat kindje bij je gekomen. De herders hebben dan ook niet genoeg gezien als de engelen weer teruggegaan zijn naar de hemel. Ze hebben helemaal nog niets gezien. Daarom zeggen ze ook tegen elkaar: “Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt”.
Ze gingen haastig op weg en vonden Maria en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. En toen ze het zagen… Ze zágen het. Wat zagen ze? Een baby die in een trog lag. Niet meer? Niet meer. Dat is alles? Dat is alles. Och, als je toch zo eens kon kijken: alles zien als er niets te zien is. Toch leert het kerstevangelie je zo kijken. Je meende altijd dat je God moest herkennen aan alles wat zich onttrekt aan het gewone. Daarom herkende je Hem ook bijna nooit. En de keren dat je Hem misschien wél herkende, bleven keren dat je Hem misschíen wel herkende. Want was wat je overkwam wel bijzonder genoeg om een wonder te mogen heten? Maar omdat jij Gods aanwezigheid wilde zien in wat zich onttrekt aan het gewone leven, heb je niet gezien hoe Gods aanwezigheid zich juist voltrekt in het gewone leven. Hij is er niet pas als alles verandert. Hij is er al als alles nog hetzelfde blijft.

Er is weleens gezegd dat de vrede tussen God en mensen al hersteld is op het moment dat God zelf mens wordt. Maar dat is niet waar. Jezus staat nog aan het begin van zijn weg. Maar zijn tijd is niet gekomen als Hij eenmaal groot en sterker is, maar als Hij nog kleiner en zwakker is. Hij moet delen in de vervreemding die er tussen God en ons ontstaan is. Pas als God en mensen hun handen van Hem aftrekken, is Hij een met ons geworden. Alleen met Zichzelf zal Hij sterven. Hij die begon als een kind dat in een voederbak lag, zal eindigen als een mens die in een graf ligt. Zo diep moet Hij gaan om voor ons leven te brengen dat niet meer stuk kan. En dan nog is dat leven alleen te vinden voor mensen die het aandurven te vertrouwen op Iemand die zoveel van hen hield dat Hij voor hen wilde sterven.
Maar ook al is kerst een begin, dat begin is er wel. Een begin dat nooit meer ongedaan gemaakt kan worden. God is naar een wereld toegekomen die vastgelopen is in zijn eigen kwaad. Hij ontfermt Zich over mensen die niet meer weten hoe het verder moet. In de vertedering die wij voelen als wij dat weerloze kindje vóór ons zien, voelen we iets van de vertedering waarmee God naar weerloze mensen kijkt. Hij geeft echt om je, niet een beetje, maar met heel zijn hart.
In het kerstverhaal zoals het door Lucas verteld wordt, vindt die blijde boodschap alleen weerklank bij Maria. Want hoeveel mensen er ook verbaasd mogen staan over wat de herders tegen hen zeiden, alleen Maria bewaarde hun woorden in haar hart en bleef erover nadenken. Bijzonder is dat. Want Maria was al zo begenadigd. Maandenlang had zij de Zoon van God onder haar hart mogen dragen. Toch moet ook zij leren geloven in Gods liefde voor haar, terwijl ze die toch aan den lijve had ervaren. God kon blijkbaar nog veel dichter bij haar komen dan ze al beleefd had. Zijn nabijheid blijft een geheimenis waarover je niet uitgedacht raakt.
Verwonder je dan met Maria over God die zo dichtbij je is. Je bent niet alleen. Je bent niet verloren. God is onvoorstelbaar dicht bij je gekomen. Hij heeft Zich verbonden met jouw leven, waaraan zoveel onaf is en waarin zoveel gemis is.
Voor veel mensen zijn de kerstdagen een tijd van warmte en gezelligheid. Juist daarom is kerst voor evenveel mensen een tijd van kou en eenzaamheid. Juist nu wil je niet alleen zijn. Juist nu moet het leven goed zijn, als is het maar voor even. Hoe kwetsbaar de warmte en de gezelligheid die wij zelf scheppen is, zijn we echter deze week weer bij bepaald. Er hoeft maar één gek op een kerstmarkt in te rijden, of er is van die warmte en die gezelligheid niets meer over.
Maar geen macht op aarde kan er ook maar iets aan veranderen dat God in onze kapotte levens is neergedaald om ons te laten delen in een vrede waar je met je verstand niet bij kunt. Hij is dichter bij je dan je je voor kunt stellen, juist als Hij verder weg lijkt te zijn dan ooit. Denk nog maar eens aan die kribbe, die middenin een wereld staat waarin keizer Augustus de dienst lijkt uit te maken. Maar het is niet waar. Gods liefde maakt de dienst uit en niets en niemand kan verhinderen dat zijn vrede ook jouw hart vervult. Zing dan tegen de verdrukking in met de engelen, met de herders, met Maria:

Glorie aan God in de hoogste hemel
en op aarde vrede,
Hij heeft in mensen behagen.

Ook in mij.

Amen.