Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Heimwee naar de Heer
titel : Heimwee naar de Heer
datum : 30 oktober 2016
volledige onderwerp : 2 Korintiërs 05 : 6 - 9
Download deze preek.

Preek over 2Kor.5,6-9 (Den Ham, 30-11-16)

Votum en groet
Ps.61:1,2,3,6
10 geboden
Ps.25:8,9,10
Gebed
L 2Kor.4,6-5,10
Ps.89:1,3,7
Kindmoment (door Gerdieneke Alfing)
T 2Kor.5,6-9
LB 835
Dankzegging en voorbede
Collecte
LB 23c
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Uit en thuis, het zou fijn zijn als dat samen kon gaan. Want je hebt er soms zo’n behoefte aan er even uit te zijn. Al je drukte, al je zorgen even te laten voor wat ze zijn en tot jezelf komen. Maar wat zou je ermee opschieten als je je op die andere plek compleet ontheemd voelde. Je zou het gevoel hebben dat je van de regen in de drup gekomen bent. Nee, ook een andere omgeving moet wel veilig en vertrouwd aanvoelen. Ook als je uit bent, wil je je toch thuis voelen. Er zijn dan ook nogal wat vakantieparken en -huizen met de naam ‘Uit en thuis’.

Uit en thuis, speelt ons hele leven zich niet af in dat spanningsveld? Toen ik in Kampen ging studeren, werd ik voor de wet op de studiefinanciering van thuiswonend uitwonend. Maar ben ik dus uitwonend geweest tot het moment dat ik mijn eerste pastorie betrok? Voor mijn gevoel ging dat sneller. Toen ik na een weekend in Drachten weer terug zou gaan naar mijn kamer in Kampen, zei ik eens: “Nou, ik ga weer naar huis, hoor”. Mijn moeder reageerde verontwaardigd: “Naar huis? Dat is hier!” Ze had gelijk. Nog veel meer dan ik toen besefte. Want ook al zijn wij thuis in Den Ham, als we naar Drachten of Grootegast gaan, gaan we naar huis. Zolang een van je ouders nog leeft, kun je nog thuiskomen. Ook als je ouders wonen in een huis waar je zelf nooit gewoond hebt. Maar als ze allebei gestorven zijn, is ook het ouderlijk huis weg. Wat kun je je dan ineens verloren voelen. De plaats waar alle lijnen van de familie samenkwamen is er niet meer. Vroeger zag je je neven en nichten nog als oma jarig was. Maar nu zie je elkaar alleen nog bij de begrafenis van ooms en tantes. Het lijkt wel een reünie. Maar dat lijkt het, omdat het gezin van opa en oma met hun overlijden uit elkaar gevallen is. Je vervreemdt van elkaar, omdat er geen gezamenlijk huis meer is.

Het gedeelte uit Paulus tweede brief aan de kerk in Korinthe is doortrokken van heimwee naar het ouderlijk huis. Daar woont zijn Vader: God. Daar woont zijn broeder: Jezus. Maar hij? “We weten dat we ver van de Heer wonen, zolang dit lichaam onze woning is”. Dat is best mooi vertaald. Toch wil ik vanmorgen de Herziene Statenvertaling er eens naast leggen. Niet omdat die beter is. Wel omdat die goed laat zien hoe Paulus zijn leven beleeft als een spanningsveld tussen uit en thuis. Heel de tekst voor de preek, de verzen 5 t/m 9 dus, wordt beheerst door die spanning. Luister maar eens.
“Wij hebben dus altijd goede moed en weten dat wij, zolang wij in het lichaam inwonen, uitwonend zijn van de Heere, want wij wandelen in geloof, niet door aanschouwing. Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heer in te wonen. Daarom stellen wij er ook een eer in om, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, Hem welbehaaglijk te zijn”.
Het is geen soepel Nederlands. Maar door steeds dezelfde woorden te gebruiken laat de Herziene Statenvertaling wel zien hoe de apostel worstelt met de vraag of hij nu inwonend of uitwonend is. Je zou zeggen dat hij zich vooral uitwonend voelt. Want hij woont niet bij zijn Heer in. Maar dat gaat toch te snel. Want ook al is hij uitwonend als het gaat om de vraag waar zijn ouderlijk huis staat, hij heeft toch wel degelijk een plek waar hij zich thuis voelt: zijn lichaam.
Ik denk dat de apostel wel in zou kunnen stemmen met de typering die Franciscus van Assisi later van zijn lichaam zou geven: broeder ezel. Waarom broeder ezel? Omdat je lichaam soms zo koppig is als een ezel. Het wil niet wat jij wilt. Het hort en stoot, het bokt en schopt. Toch is het wel jouw ezeltje. Ook als je lichaam je dwars zit, wat zou je zijn zonder? Jij en je lichaam, ze vormen een twee-eenheid. Jij kunt niet bestaan zonder je lichaam en je lichaam kan niet bestaan zonder jou. Daarom noemde Franciscus zijn lichaam liefkozend: broeder ezel. Want dat koppige ezeltje was wel zijn ezeltje. Hij wist zich er tot in al zijn vezels mee verbonden.
Paulus vergelijkt zijn lichaam niet met een ezel, maar met een tent. Maar hij is even gehecht aan zijn tentje als Franciscus aan zijn ezeltje. Want wat blijft er van hem over als de tent waarin hij woont afgebroken wordt? Helemaal niets. Daarom horen we hem ook in vers 4 zeggen: “Zolang we in onze aardse tent verblijven, zuchten we onder een zware last, omdat we niet ontkleed willen worden”. Als dan het ene huis plaats moet maken voor het andere, laat dat dan gelijk op mogen gaan: de afbraak van het ene huis met de opbouw van het andere huis. Anders zouden we naakt komen te staan. Maar dat is een schrikbeeld voor ons. “We willen niet ontkleed maar overkleed”, niet uitgekleed maar aangekleed worden.

Veel mensen zullen iets van Paulus woorden herkennen. Wat net als Paulus zien ze niet zozeer op tegen de dood, als wel tegen het sterven. Moet ik dat hele mensonterende proces van aftakeling door? Als ik lees van de aardse tent die word afgebroken, moet ik denken aan mijn moeder die op de eerste Paasdag van 1996 verzuchtte: “Er blijft helemaal niets van me over”. Maar ook als je niet lijdt aan een ziekte die je langzaam maar zeker sloopt, kan de angst je bekruipen dat je lichaam het zomaar laat afweten. Je bent helemaal hersteld van een TIA of een hartaanval, en toch raak je die onzekerheid niet kwijt dat bepaalde lichaamsfuncties dus zomaar kunnen uitvallen of dat je hart zomaar kan stoppen met kloppen. Die onzekerheid is erger dan een nieuwe TIA of een nieuwe hartaanval. Het is of je rijdt op een ezel die je elk moment van zijn rug kan gooien.
Maar ook al herkennen veel mensen wel iets van wat Paulus schrijft, wie herkent het helemaal? Hij zegt immers niet alleen: we willen niet helemaal uitgekleed worden, maar ook: wij willen helemaal aangekleed worden. Ik ben bang dat heel veel mensen dat laatste verlangen niet meer hebben. Niet alleen mensen buiten de kerk niet, maar ook mensen binnen de kerk niet. Terwijl God ons juist dáárvoor bedoeld heeft. Niet voor uitkleden, maar voor aankleden. Niet voor afbreken, maar voor opbouwen. Als voorproefje van dat einddoel heeft Hij ons zijn Geest gegeven. Zou die Geest dan niet degene zijn die afbraak doet ervaren als opbouw? Het lijkt er wel op, als je ziet hoe Paulus in onze tekst de woorden inwonend en uitwonend omdraait. Wij zijn uitwonend zolang wij nog in het lichaam wonen. Maar we worden uitwonend, zodra we bij de Here wonen.
Ik zei eerder dat dit gedeelte van Paulus brief doortrokken is van heimwee. Maar dat is geen heimwee naar wat geweest is, het is heimwee naar wat komt.

Als je daar even over nadenkt: heimwee naar wat komt, zeg je misschien wel bij jezelf: Hoe kan dat nou? Je kunt alleen heimwee hebben naar geluk dat je al ervaren hebt. Toch niet naar geluk dat je nog niet ervaren hebt?
Toch heeft de kerk van alle tijden deze bijzondere vorm van heimwee gekend. Niet de kerk van het nieuwe testament pas, maar ook de kerk van het oude testament al. Je kent vast de berijming van Psalm 84 nog wel: “U weet hoe heimwee mij bevangt, omdat geheel mijn hart verlangt U in uw heiligdom te loven”. Ziet de dichter van die Psalm hoe zelfs een mus een huis vindt en de zwaluw een nest, dan zingt hij: “Laat mij bij U zo thuis zijn Heer, want daar is vrede, ik begeer bij U te zijn mijn God en koning”.
Het lijkt wel of dat heimwee de Psalmen doortrekt. Want neem Psalm 27: “Een ding wil ik steeds van de HERE vragen, een enkel ding dat heel mijn hart begeert: om in zijn tempel al mijn levensdagen bij Hem te zijn, te wonen bij mij HEER”. Die Psalm moet Paulus wel door het hoofd gespeeld hebben, toen hij schreef in vers 7: “Wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen”. Want waarom wil de dichter van Psalm 27 zo graag in Gods huis wonen? “Om de liefde van de Here te aanschouwen, hem te ontmoeten in zijn tempel” (Ps. 27,4).
Maar blijkbaar is dat verlangen ook voor Paulus nog steeds niet in vervulling gegaan. Toch schrijft hij zijn in het eerste vers van hoofdstuk 5: “Wij wéten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel”. Let op, Paulus zegt dus niet dat híj dat weet, maar dat wíj dat weten. Hij geeft dus niet een openbaring door die bij zijn lezers nog onbekend was. Nee, hij bemoedigt ons met wat we weten, maar misschien nooit goed tot ons doorgedrongen was. Want in die Psalmen vol heimwee naar het huis van God is maar niet het oude Israël aan het woord. Het is de Geest zelf die met die Psalmen bij Gods kinderen het verlangen wekt om bij God te mogen wonen. In het heimwee van Gods kinderen naar hun Vader klinkt het heimwee van de Vader naar zijn kinderen door.
God voedt het verlangen van zijn volk bovendien met zijn beloften. Als David God vraagt of hij voor Hem een huis mag bouwen waarin God voor altijd bij zijn volk kan wonen, antwoordt God: “Nee, Ik zal voor jullie een huis bouwen, waarin jullie voor altijd bij Mij mogen wonen” (2Sam.7,11). Aan die belofte wordt God herinnerd in Psalm 89: “Uw goedertierenheid rijst op en gaat zich welven, een altijd veilig huis, vast als de hemel zelve”. Sla je de Griekse vertaling van Psalm 89 op, dan staat daar: “tot in eeuwigheid zal uw huis gebouwd worden, in de hemelen zal uw waarheid gereedgemaakt worden”. Precies dezelfde Griekse woorden gebruikt Paulus als hij schrijft dat we in de hemel een gebouw van God hebben.
Psalm 89 is een Psalm die schreeuwt om vervulling. Want hij eindigt met de woorden: ”Het spoor is uitgewist van uw gezalfde koning. Herstel in heerlijkheid het land van melk en honing. Laat Davids zoon de spot der heidenen beschamen. Geloofd zijn God, de Heer, voor eeuwig. Amen, amen”. Maar door de dood en opstanding van Jezus valt er wel een nieuw licht op die woorden. Want heeft Davids Zoon de spot der heidenen dan niet beschaamd toen Hij op de derde dag opstond uit het graf? Zorgt zijn opstanding tot eeuwig leven er dan niet voor dat het heimwee naar Gods nabijheid is veranderd in vertrouwen op Gods nabijheid? Jezus is toch die goede herder die met jou het dal van diepe duisternis doorgaat, om je naar groene weiden en vredig water te brengen? Hij geeft je toch alle reden om met die oude, geliefde Psalm 23 te zingen: “Ik zal wonen in het huis van de HEER tot in lengte van dagen”. Dat weten we toch, jullie net zo goed als ik? Ja, dat weten we helemaal op het moment dat de aardse tent waarin wij wonen wordt afgebroken. Dan worden we niet steeds onzekerder, maar steeds zekerder: We hebben een gebouw dat niet uit mensenhanden komt, maar uit Gods handen: een gebouw in de hemel, een eeuwig huis.
Als onze aardse tent stukje bij beetje wordt afgebroken zuchten we onder een zware last. Maar de Geest zucht met ons mee (Rom. 8, 23-27). En onze heimwee naar wat voorbij is, verandert in heimwee naar wat nooit voorbij gaat: niet langer uitwonend zijn in het lichaam, maar inwonend zijn bij de Heer.

En opnieuw vraag ik u en jou: Herken je wat Paulus schrijft? Dat je zo diep verbonden bent met het aardse leven, maar dat je door de Heilige Geest nog dieper verbonden bent met Jezus, die het leven zelf is? Ken je niet alleen het verdriet om wat was, maar ook de vreugde om wat zal zijn: een altijd veilig huis, vast als de hemel zelve?
Veel mensen kennen alleen het eerste: verdriet om wat er was. Sommige mensen worden zo oud, dat ze voor hun gevoel niets meer hebben dan een lichaam dat het maar niet op wil geven. Zij kennen nog maar een verlangen: uitwonend te worden, zonder inwonend te worden. Als ik daar met oudere catechisanten over spreek, schrik ik ervan dat ze daar eigenlijk wel begrip voor hebben. Waar leef je ook nog voor als je alles al meegemaakt hebt en iedereen overleefd hebt? Maar kun je je echt voorstellen dat er een moment komt dat je ernaar verlangt om niet alleen buiten je lichaam, maar ook buiten de Heer te zijn? Dat is toch de hel: voor altijd naast het leven, voor altijd naast de Here te staan? Hoe kun je nu meer van de duisternis houden dan van het licht (Joh.3,19)? Dat kun je toch alleen als je wel de duisternis, maar niet het licht kent?
Ik begrijp best dat jonge mensen het Paulus niet meteen nazeggen dat hij liever zijn lichaam zou verlaten om zijn intrek bij de Heer te nemen. Maar komen ze dan helemaal geen mensen tegen die dat verlangen wel kennen? Niet alleen oude mensen, maar ook ouders bij wie dat verlangen begint te groeien? Is er dan niemand die van harte die Psalmen meezingt waarin heiligen die ons zijn voorgegaan zingen van hun heimwee naar het ouderlijk huis? Doet het ons dan helemaal geen verdriet dat we, zolang dit lichaam onze woning is, ver van de Heer wonen?
Voel je je hier zo thuis dat je er geen last van hebt dat je Heer ver weg is? Heb je de haringen van je aardse tent zo diep in de grond geslagen, dat je leven instort als God die haringen toch een voor een losmaakt? Als je zucht op de rug van broeder ezel, voel de Geest van broeder Jezus dan met je mee zuchten. Ja, laat het zo mogen zijn dat de Geest niet alleen met jou mee zucht, maar dat jij ook met de Geest mee zucht. Laat je heimwee naar wat was omzetten in heimwee naar wat komt. Je hoeft niet bang te zijn dat er niets van je overblijft. Want zelfs als je je lichaam hier op aarde moet achterlaten, heb je al een gebouw in de hemel, een eeuwig huis.
“2 Kor. 5:1”. Meer staat er niet op het graf van mijn moeder. Meer hoeft ook niet. Want als ik bij die steen sta, weet ik dat ik op de drempel sta van het Vaderhuis. Zij is er al binnen gegaan en ik zal haar volgen.

“Daarom ook stellen we er een eer in het de Heer naar de zin te maken, of we nu uitwonend of inwonend zijn”. Inwonend of uitwonend wat doet het ertoe? “Als Hij maar van mij is en ik ben van Hem, als ik, tot de dood nabij is, luister naar zijn trouwe stem, vrees ik niet voor lijden, leef ik met een innerlijk verblijden” (LvK 455:1). Want ik volg maar niet mijn moeder, ik volg Jezus op zijn weg. Hij kwam mij achterop. Hij ging voor mij uit. Door mijn dood heen, naar mijn leven toe.

Uit en thuis, wat zou het mooi zijn als dat samen kon gaan. Maar door Jezus gaat het samen. Hij is met ons, of we nu uitwonend of inwonend zijn. Samen uit, samen thuis.

Amen.