Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De brakke bron en de flauwe jeugd
titel : De brakke bron en de flauwe jeugd
datum : 16 oktober 2016
volledige onderwerp : 2 Koningen 02 : 19 - 25
Download deze preek.

Preek over 2Kon.2,19-25 (Den Ham, 16-10-16)

Votum en groet
Gez.158
10 geboden
Ps.75:1,2,3
Gebed
L 2Kon.2
LB 36:2,3
Kindmoment (door Els Timmerman)
T 2Kon.2,19-25
LvK 115
Dankzegging en voorbede
Collecte
LB 686
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Voordat meester begon met het vertellen van een verhaal uit de Bijbel, overhoorde hij eerst altijd het bijbelverhaal dat hij de vorige dag verteld had. Eén van de kinderen moest voor de klas komen en het verhaal navertellen. Gister had meester het verhaal verteld over die twee berinnen en die tweeënveertig kinderen. De jongen die voor de klas moest komen vond het blijkbaar een geweldig verhaal. Want hij begon enthousiast te roepen: “Kom op, kale Kojak, kom op, kale Kojak!” Voor wie niet begrijpt waar dat ‘Kojak’ ineens vandaan kwam: in die was er op televisie een politieserie met een rechercheur die zo kaal als een biljartbal was: Kojak. Nog altijd moet ik glimlachen als ik het verhaal over die twee berinnen en die tweeënveertig kinderen teruglees. Want meteen hoor ik mijn klasgenoot weer roepen: “Kom op, kale Kojak, kom op, kale Kojak!”
Maar ondertussen valt er natuurlijk niets te lachen. Beren die kinderen verscheuren, wat een gruwelijke geschiedenis. Je hoort ook maar zelden dat beren mensen aanvallen. Het gebeurt eigenlijk alleen als moeder beer haar kinderen wil beschermen. Daarom wordt er in een land als Canada wel gewaarschuwd voor beren. Vooral Grizzlyberen zijn onberekenbaar. Toch zijn er altijd mensen die zo vertederd zijn door de knuffelbeertjes die ze tegenkomen, dat ze het gevaar vergeten. Maar als het dan mis gaat is dat nog steeds omdat mensen de wreedheid van de natuur onderschatten. In het bijbelverhaal worden die twee berinnen echter tegen die tweeënveertig kinderen opgehitst door een man. Een man van God nog wel. Schelden kinderen hem uit, dan vervloekt hij ze in de naam van de HEER. Wat is dan erger? Kinderen die een man van God uitschelden, dat is erg. Maar een man van God die kinderen vervloekt, is dat niet nog veel erger?
Nu is die man van God de profeet Elisa. Ik houd van de verhalen waarin hij een rol speelt. Want waar hij verschijnt gebeuren altijd van die vriendelijke wonderen. Een kruikje waaruit zoveel olie uit komt, dat een arme weduwe genoeg heeft om voortaan schuldenvrij te leven (4,1-7). Een bijl die boven komt drijven als Elisa een takje laat vallen op de plaats waar een onhandige timmerman zijn bijl in het water heet laten vallen (6,1-7). Een vijandig leger dat beschaamd afdruipt als het door Elisa de stad Samaria wordt binnengeleid en daar niet in de pan gehakt wordt, maar een maaltijd voorgezet krijgt (6,18-23). Over al die verhalen heb ik in de loop van mijn predikantschap gepreekt. En steeds moest ik bij Elisa denken aan Jezus. Ook geen Man die aandacht vraagt voor Zichzelf. Maar ondertussen bloeit het leven weer op als Hij waar Hij verschijnt. In zijn aanwezigheid komt het goed. Maar in een man van God die kinderen vervloekt herken ik Jezus niet meer, die toch zei: “Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij” (Mc.10,14). Nee, deze Elisa heb ik niks mee. Maar mag ik dat wel denken?
Ik zou het mezelf gemakkelijk kunnen maken door net als sommige bijbeluitleggers dit verhaal met een korreltje zout te nemen. Het is een sprookje dat bedacht is om kinderen bang te maken. “Eerbiedig”, zegt moeder voor het slapengaan tegen een kind dat een veel te grote mond heeft, “anders komt er geen olifant met een hele lange snuit, maar een beer met een hele grote bek”. Maar dat is mij wat al te gemakkelijk. De Bijbel is geen automatiek waar je alleen de snacks uit kunt halen die je lust: wel die lekkere kroket, niet die vieze gehaktstaaf.
Daar komt nog bij dat het verhaal over Elisa die kinderen vervloekt er niet maar wat bijhangt in het grotere verhaal over wat de Here door Elisa gedaan heeft. Het staat meteen aan het begin. “Eerste optreden van Elisa”, staat er in onze Bijbels boven. Blijkbaar is dit verhaal over Elisa’s optreden in Betel typerend voor Elisa’s hele optreden. Maar laten we er dan ook op letten dat het niet het eerste, maar het tweede verhaal over Elisa’s optreden is. Want voordat hij de kinderen van Betel vervloekt, maakt hij het water in Jericho gezond. Beide verhalen horen bij elkaar. Ze vormen een tweeluik. Het tweede verhaal laat de keerzijde van het eerste verhaal zien. Ik zou het hele verhaal over Elisa’s eerste optreden dan ook als titel mee willen geven: de brakke bron en de flauwe jeugd.

Elisa was op de terugweg. Hij ging langs dezelfde plaatsen als hij op de heenweg langsgekomen was. Maar er was een groot verschil. Toen liep Elia nog naast hem. Of beter gezegd, hij liep naast Elia. Want wie was hij nu helemaal, naast de grote Elia? Hij droeg dan nu zijn mantel wel, maar of de mensen hem ook als de opvolger van Elia zouden accepteren? Op de heenweg hadden de profeten uit Betel en uit Jericho hem toegefluisterd: “Weet je wel dat de HEER vandaag je meester boven je hoofd vandaan zal opnemen?” Natuurlijk wist hij dat. Hij was toch ook een profeet? Maar blijkbaar hadden de profeten uit Betel en Jericho daar zo hun twijfels bij. Hijzelf kende die twijfels niet meer. Hij had immers met eigen ogen gezien hoe Elia in een stormwind werd meegevoerd naar de hemel? Dat was voor hem het teken dat een dubbel deel van de geest die op Elia gerust had nu op hem rustte. Maar de inwoners van Jericho waren daar geen getuige van geweest.
Toch klampten ze hem meteen aan, toen ze hem in de mantel van Elia de stad binnen zagen komen. “De ligging van de stad is goed, zoals u ziet, maar het water is slecht en de grond veroorzaakt misgeboorten”. Merkwaardig dat ze met dat probleem bij de man van God kwamen. Stel dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij door mag gaan met de injecteren van afvalwater in de bodem van Twente en over een paar jaar is ook hier het grondwater verziekt. Zouden de Twentenaren dan met hun probleem naar een priester of een dominee gaan met de vraag of hij tot God wilde bidden om genezing van het land? Toch deden de inwoners van Jericho dat wel. Want het land waar ze woonden was zo ziek dat ze er zelf ziek van werden. In ons waterrijke land zijn we zo gewend aan schoon drinkwater, dat we niet meer beseffen hoe gezegend we daarmee zijn. Maar in het oude Israël was dat besef er nog wel. Hoe kun je leven zonder water? Water en leven, voor de mensen waren dat twee woorden voor hetzelfde. Als je gelooft dat God de bron van het leven is, is het niet zo vreemd om Hem de bron van levend water te noemen.
“Bij U is de bron van levend water”, wij hebben dat wel op de preekstoel staan, maar dat zal niet zijn omdat we allemaal meteen aan God moeten denken als we de kraan opendraaien. Nee, het staat zo op de preekstoel omdat het zo in de Bijbel staat. Maar of we het ook zo beleven dat de bron van het leven afgesloten is als het contact met God verbroken is? Jezus is gekomen om het contact met God weer te leggen. Hij zegt in de gelijkenis van de goede herder: “Ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid” (Joh.10,10). Maar wie beseft nog dat een leven zonder Jezus ten dode op geschreven is? Als je leven eigenlijk maar een dooie boel is, zoek je je vertier misschien liever in de kroeg dan in de kerk. Hoe zou Jezus je daar ook bij kunnen helpen? Drank en drugs helpen nog beter tegen dat dat lege gevoel.
Elisa zei: “Breng me een nieuw schaal, met wat zout erop”. Dat hij vraagt om een nieuwe schaal is wel te begrijpen. Want hoe goed een oude schaal ook afgewassen mag zijn, hij is wel afgewassen met dat ziekmakende water. Maar zout? Natuurlijk, zout is bederfwerend. Vlees en groenten die met zout zijn ingemaakt blijven lang goed. Maar water zouten? Er zijn landen waarin ze dan doen. Jaren terug stond ik eens met vrienden op een camping in Griekenland. We hadden de tent vlak bij de kraan gezet. Maar we durfden het pas te gebruiken nadat we de campingbaas gevraagd hadden of het water op de camping drinkbaar. “Ja hoor, het is alleen een beetje zout”. Een béétje zout? Je kon er nog net je rijst of je macaroni inkoken, maar verder…
Toch brachten ze Elisa zonder bezwaar te maken de schaal met zout waar Elisa om gevraagd had. Hij ging naar de bron en strooide daar zout in terwijl hij zei: “Dit zegt de HEER: Hierbij zuiver ik dit water. Het zal geen sterfgevallen of misgeboorten meer veroorzaken”. En de bijbelschrijver tekent aan: “Tot op de dag van vandaag is het water daar zuiver, zoals Elisa heeft gezegd”. Dat is alles. Zelfs geen opdracht om wat water uit de bron te scheppen en naar de leider van de stad te brengen. Het wonder dat Jezus eens verricht hebt op de bruiloft in Kana is al gebeurd voor je er erg in hebt. Maar daar proeft ceremoniemeester nog met eigen mond dat het water wijn geworden is (Joh.2,9). Maar als in Jericho het brakke water zoet geworden is door een handjevol zout, hoeft er blijkbaar niet verteld te worden dat de inwoners niet wisten wat ze proefden. Terwijl niet alleen het water goed geworden was, maar ook het leven. Wij moeten zelf maar de conclusie trekken dat via het woord van zijn dienaar God zelf een stad uit de greep van de dood haalde. Het hele leven bloeit op als Hij mensen genadig is.

Vol goede moed maakt Elisa de klim naar Betel. Maar daar zit niemand op hem te wachten. Ja, een groepje hangjongeren bovenaan de helling. “Kaalkop, kaalkop! Zet ‘m op, zet ‘m op!” Alle uitleggers hebben hun hoofd erover gebroken waarom die jongeren Elisa voor ‘kaalkop’ uitscholden. Hadden profeten dan een kruinschering? Rooms-katholieke monniken hadden tot voor kort wel zo’n kale plek op hun hoofd. Maar dat betekent niet dat Elisa dat dus ook had. Ik denk eerder dat onze kennis van het Hebreeuws te klein is om te kunnen verklaren waarom Elisa voor kaalkop uitgescholden werd. Want vrijwel al onze kennis van het Hebreeuws ontlenen we aan de Hebreeuwse Bijbel. Maar er zal ongetwijfeld ook Hebreeuws gebruikt zijn dat de Bijbel niet gehaald heeft. Schuttingtaal bijvoorbeeld. Ik ga er daarom vanuit dat dat woord ‘kaalkop’ schunnig bedoeld geweest is. Dat ‘zet ‘m op’ is makkelijker uit te leggen. Die jongeren zouden bedoeld kunnen hebben wat we in de Bijbel in Gewone Taal vinden: “Klimmen maar, kale! Klimmen maar, kale!” Maar in Hebreeuws klinkt het wat dubbelzinniger. Hetzelfde woord is namelijk net nog gebruikt voor de hemelvaart van Elia. Zou ik dat in het Nederlands ook doen, dan stond er in vers 11: “Elia klom in een storm naar de hemel”. Dan doet die scheldwoorden van de jeugd van Betel ineens wel pijn. Want ze klinken als: “Vlieg op, kaalkop! Vlieg op, kaalkop!”
Bij de voorbereiding van deze preek heb ik een preek gelezen waarin de jongeren uit Betel vergeleken worden met moderne cabaretiers, die menen de ongestraft de spot kunnen drijven met God en zijn geboden. Maar dat lijkt me wat te veel eer voor de jongeren uit Betel. Want zij die dan zo kritisch op het geloof in God? Ik zou zeggen: Was dat maar waar. Want zolang je je tegen het geloof afzet, ben je er nog niet los van. Maar vanaf je heuveltop naar beneden schreeuwen: “Klimmen, kale! Klimmen, kale!”, dat is niet scherp, maar flauw. Een verveeld clubje jongeren heeft blijkbaar niets beters te doen dan wat vieze woordjes naar het hoofd slingeren van een man van God. Maar uit die vieze woordjes blijkt meteen dat ze hem niet zien als een man van God. Elisa laat hun volkomen koud. Voor hen is hij iemand van wie je niets goeds te verwachten en niets kwaads te vrezen hebt. Hij is nog net goed genoeg om uit te lachen. Maar verder…
Elisa draaide zich om, keek hen aan en zei:

“Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt” (Mt.5,13).

Woorden van Jezus die ons beter in de oren klinken dan de vloek die Elisa uitbraakt. Want zout dat weggegooid en vertrapt wordt, dat klinkt minder hard dan jongeren die aangevallen en verscheurd worden. Maar is het verschil wel zo groot? Want ook dat zout dat weggegooid en vertrapt wordt slaat op mensen. Niet op óngelovigen, maar op gelóvigen… waar niets vanuit gaat. Stel je voor dat Jezus zo over jou zou praten. “Jij dient nergens meer voor. Weggegooid en vertrapt zul je worden”. Is dat echt veel minder erg dan door de beren verscheurd worden?
Maar laat dan toch eerst tot je doordringen dat Jezus zegt dat jij het zout van de aarde bent. Denk nog maar eens aan dat handjevol zout dat Elisa in de brakke bron van Jericho gooide. Die paar zoutkorreltjes, moesten die het leven terugbrengen op een plaats waar de dood heerste? Dat zou wel een wonder zijn. Maar het gebeurde wel. Ja, de bijbelschrijver zegt: “Tot op de dag van vandaag is het water daar zuiver”. Zover werkte dat zout door. Zolang werkte dat zout door.
Misschien kun je je niet voorstellen dat God datzelfde wonder door jou wil laten doen. Moet ik de smaakmaker van mijn omgeving zijn? Moet ik het bederf terugdringen op school of werk? Moet ik het leven terugbrengen in de kerk? Hoe moet ik dat ooit doen? Maar Jezus zegt ook niet dat je iets moet doen. Je moet alleen maar zijn wat je volgens Hem bent: zout. Alleen dat beeld is al bemoedigend. Want zout bederft niet. Het kan wel zijn dat zout vochtig wordt en gaat klonteren. Maar zout dat flauw wordt, dat bestaat niet.
Toch laat Jezus je even over die onmogelijke mogelijkheid nadenken: “Maar als het zout zijn smaakt verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden?” De enige reden waarom daarover na moet denken is dat je zelf tot de conclusie komt dat zoiets absurd is. Zout dat flauw wordt? Wat een onzin! Maar zeg dat dan ook van jezelf: dat ik net zo flauw zou zijn als de wereld om me heen, dat bestaat toch niet? Jezus zegt toch tegen me dat ik het zout van de aarde ben? Dan ben ik het toch ook?
Er wordt best veel gedaan om jullie warm te krijgen voor de Here en voor zijn kerk. Maar wat er ook voor jullie georganiseerd wordt, jullie laten het bijna altijd massaal afweten. Misschien komt dat omdat er wel van alles voor jullie bedacht wordt, maar bijna nooit iets met jullie bedacht wordt. Maar als je er wel naar verlangt om de Here lief te hebben, vertel je ouders, je jeugdouderling, je dominee dan wat je nodig hebt om te kunnen groeien in je geloof. Wees liever kritisch dan onverschillig. Liever zo zout als brem, dan zo flauw als een luis. Want jullie mogen smaakmakers zijn, niet alleen in de wereld, maar ook in de kerk. Maar als de kerk zijn smaakt verliest, hoe moet ze haar smaak dan ooit terugkrijgen?
Ik weet wel, Jezus zegt niet alleen tegen de jongeren, maar ook tegen de ouderen van de kerk dat ze het zout van de aarde zijn. Maar de geschiedenis van die jongeren in Betel leert me wel dat God er zijn oren niet voor kan sluiten dat het maar jongeren zijn die Elisa uitschelden. Want die jongeren zijn zijn kinderen. Dat ben je niet pas als je belijdenis van je geloof gedaan hebben. Dat ben je al vanaf het moment dat Hij tegen je zei: “Jij bent mijn kind”. Blijkbaar breekt er iets bij God als Hij zijn kinderen hoort roepen: “Klimmen, kale! Klimmen, kale!” Zo koud, zou leeg, zo flauw, zijn dat mijn kinderen? Hij gooit hen weg, zoals je zout weggooit dat zijn smaak verloren heeft.

Elisa trekt verder. Maar wij keren terug. Naar die bron die tot op de dag van vandaag zuiver is. Jezus, die ons met zijn bloed vergeeft en ons met zijn Geest vernieuwt. Laat je dan toch schoon maken, laat je dan toch nieuw maken. Dan zal deze oude wereld al een beetje proeven naar de nieuwe die komt.

Amen.