Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De HEER zal wel zien
titel : De HEER zal wel zien
datum : 25 september 2016
volledige onderwerp : Genesis 22 : 14
Download deze preek.

Preek over Gen.22,14 (Den Ham, 25-9-16)

Votum en groet
LvK 381:1,2,3
10 geboden
Ps.105:3,4,5
Gebed
Doopsformulier 1
LB 348:1-3/6-9 (rond dopen Loreen Voort, Joas Jan Wemekamp en Zoë Veurink)
GK 3
L Gen.22,1-19
T Gen.22,14
LB 728
Dankzegging en voorbede
Collecte
Ps.72:10
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Je hebt het verhaal pas begrepen, als je het in je eigen woorden kunt navertellen. Ik lees u twee versies voor van het verhaal uit Genesis 22. Aan u de vraag welke versie u de beste vindt.

Verhaal 1:
Op een dag kwamen de engelen in de hemel bij de Heilige. Eén van die engelen was Satan. Hij wilde Abraham kwaad doen. De Heilige vroeg aan Satan: “Waar ben je geweest?” Satan antwoordde: “Ik heb een lange reis gemaakt. Ik ben overal op aarde geweest”. De Heilige zei: “Dan heb je natuurlijk ook mijn dienaar Abraham gezien! Niemand op aarde is zo eerlijk en trouw als Abraham. Hij heeft eerbied voor mij, en hij doet nooit iets verkeerds”. Satan antwoordde: “Dat weet ik nog zo net niet. Want die Abraham van U heeft al heel veel rammen geslacht, maar nog nooit één ram voor U. Hij eet ze allemaal zelf op”. De Heilige zei: “Als dat zo is, heeft Abraham dat alleen gedaan uit liefde voor zijn zoon Isaak. Want Abraham is er niet op uit om zelf een rijk man te worden. Hij wil al zijn dieren aan zijn zoon nalaten. Maar als ik tegen Abraham zou zeggen: ‘Slacht uw zoon voor Mij’, dan weet ik zeker dat hij niet zou protesteren”.
Na deze woorden stelde de Heilige Abraham op de proef. “Abraham’, zei Hij. “Ik luister”, antwoordde Abraham. “Roep je zoon”. Maar Abraham vroeg: “Welke zoon? Ik heb twee zonen”. De Heilige antwoordde: “Je enige”. Maar Abraham vroeg: “Welke enige? Want beiden zijn de enige zoon van hun moeder”. De Heilige antwoordde: “Hem van wie je houdt”. Maar Abraham reageerde: “Ik houd van allebei”. Toen zei de Heilige: “Isaak. En ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem…” slachten? Nee. De Heilige, geloofd zij zijn naam, verlangde niet van Abraham dat hij zijn zoon zou slachten. Hij verlangde alleen dat Abraham zijn zoon op de berg zou brengen om hem de Heilige aan te bieden. Maar op welke berg? De Heilige zei alleen: “Op een berg die ik je wijzen zal”. Zo oefent de Heilige zijn vrienden in geduld. Hij maakt hun stukje bij beetje zijn wil bekend, zodat hun loon alleen maar groter zal zijn.

Verhaal 2:
Het was een vroege morgen. Abraham stond vroeg op, hij omhelsde Sara, de bruid van zijn ouderdom en Sara kuste Isaak die de schande van haar had weggenomen, haar hoop, haar trots voor alle geslachten. Toen reden ze zwijgend weg en Abrahams blik was neergeslagen, drie dagen lag, totdat hij zijn ogen opsloeg en heel in de verte de berg Moria zag. Maar hij sloeg onmiddellijk zijn ogen weer neer. Zwijgend schikte hij het brandhout, bond Isaak vast en trok vervolgens het mes. Toen zag hij de ram waarin God had voorzien. Die offerde hij en toen trok hij weer huiswaarts… Van die dag af was Abraham een oude man geworden en hij kon niet vergeten wat God van hem had gevraagd. Isaak groeide welvarend op als voorheen; maar Abrahams oog was verduisterd en nooit zag hij vreugde meer.

Verhaal 1 is van een joodse schriftgeleerde. Alle woordjes uit het bijbelverhaal krijgen aandacht. Neem alleen de eerste woorden van de opdracht die Abraham van God krijgt: “Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak”. Volgens de schriftgeleerde doet God dat zo, omdat hij Abraham niet wil overvallen. Gaandeweg wordt duidelijk wat God van hem vraagt. Maar wat vraagt God dan van hem? Volgens de schriftgeleerde moeten we openlaten wat God zelf ook openlaat. Abraham krijgt de opdracht Isaak te offeren. Maar wat die opdracht precies inhoudt? Het Hebreeuwse woord voor ‘offeren’ heeft te maken met ‘opstijgen’. Zou het dan ook zo kunnen zijn dat God niet meer van hem vraagt dan dat hij een berg bestijgt om zijn zoon daar aan God op te dragen? God laat zelfs in het midden op welke berg dat precies moet gebeuren. Als Abraham op weg gaat, zal hij ook wel aankomen.
Toch kun je je niet aan de indruk onttrekken dat deze schriftgeleerde er zo de nadruk op legt dat het verhaal lang zo duidelijk niet is als je zou denken, omdat hij zelf niet kan geloven dat God echt van Abraham gevraagd zou hebben om een mensenoffer te brengen. Zulke offers zijn de Here toch een gruwel? Gelukkig blijkt dan bij nadere bestudering dat God Abraham ook nergens de opdracht gegeven heeft zo’n offer te brengen. “Lees maar, er staat niet wat er staat” (Marinus Nijhoff). Maar je kon al vermoeden dat het die kant op zou gaan, toen je het begin van het rabbijnse verhaal hoorde. Net als bij de beproeving van Job ligt er achter de beproeving van Abraham een woordenwisseling tussen God en satan. Alleen om satan te laten zien dat er echt mensen zijn die meer van hun Vader in de hemel dan van hun eigen kinderen houden, gaat hij de uitdaging van satan aan. Maar zodra Abraham het mes grijpt, grijpt God in. Het bewijs is immers al geleverd? Nu weet ook satan wat God allang wist: dat Abraham God liefhad boven alles.
Merkwaardig dat de schriftgeleerde meteen aan het begin van het verhaal een woordenwisseling tussen God en satan invoegt. Toch hangt de rabbijn die woordenwisseling op de eerste woorden van het verhaal. Als je het Hebreeuws woord voor woord in het Nederlands overzet, staat er namelijk zoiets als: “Na deze woorden stelde God Abraham op de proef”. Maar uit het voorgaande is niet duidelijk na welke woorden. Zou het dus misschien kunnen zijn dat er een woordenwisseling heeft plaatsgevonden waar geen mens getuige van was?

Maar ondanks alle argumenten die de schriftgeleerde heeft om het vertaal zo na te vertellen als hij het navertelt, zijn versie van Genesis 22 overtuigt niet. Hij heeft de pijn die het verhaal doet eruit weggemasseerd. De schrijver van het tweede verhaal doet dat niet. God heeft Abraham wel degelijk de opdracht gegeven Isaak, te offeren. Deze schrijver is een christen: de filosoof Søren Kierkegaard. Hij heeft zich zo diep in het bijbelverhaal ingeleefd dat hij zich niet anders voorstellen dan dat Abraham zijn geloof in God is kwijtgeraakt. Zo zou het hem in elk geval wel vergaan. Want ook al mocht Abraham op de valreep een ram in de plaats van zijn zoon offeren, God had hem er wel toe gebracht zijn zoon, zijn enige, van wie hij hield, Isaak vast te binden en op het altaar te leggen. Is een God die speelt met je diepste gevoelens wel te vertrouwen?
Kierkegaard vertelt zijn verhaal niet omdat hij echt denkt dat Abraham sinds die tijd geen vreugde meer beleefde aan zijn geloof. Hij verbaast zich er juist over dat je dat nergens leest. Als hij Abraham was geweest was het verhaal heel anders afgelopen. Kierkegaard bedenkt allerlei nieuwe versies van het bijbelverhaal uit Genesis 22 waar hij zich iets bij voor kan stellen. Een versie waarin Abraham zijn geloof verliest, een versie waarin Isaak zijn geloof verliest, een versie waarin Isaak God om genade smeekt nu zijn vader waanzinnig geworden, een versie waarin Abraham God om vergeving smeekt nu hij in zijn liefde voor God zo doorgeslagen is. Maar geen van die versies staat in de Bijbel. Kierkegaard heeft vervolgens een heel boek nodig om achter het geheim te komen van het verhaal dat wél in de Bijbel staat. Hoe kan God zo zijn? Hoe kan Abraham zo zijn? Hoe kunnen God en Abraham elkaar zo niet kwijtraken, maar elkaar juist vinden?

God en Abraham groeien op de berg Moria niet uit elkaar, maar ze groeien nog verder naar elkaar toe. Omdat dat het geheim is van deze geschiedenis, heb ik ook niet overwogen toch maar voor een andere bijbeltekst te kiezen, toen duidelijk werd dat er vandaag maar liefst drie kinderen gedoopt zouden worden.
Misschien vond u het eerst maar een ongelukkige combinatie. Want Daniël en Annemarije, Jan en Linda, Johan en Mieke deden iets heel moois door hun kinderen bij het doopvont te brengen. Terwijl Abraham iets verschrikkelijks deed toen hij zijn zoon op het altaar legde. Toch hoop ik dat u dan ook gaat zien dat zowel deze jonge ouders als die oude vader hun kind als nieuw terugkregen. Over Abraham lezen we in de brief aan de Hebreeën: “Door zijn geloof kon Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaak als offer opdragen. Hij die de beloften had ontvangen, was bereid zijn enige zoon te offeren. Terwijl er tegen hem gezegd was: ‘Alleen door Isaak zul je nageslacht krijgen’, zei hij bij zichzelf dat het voor God mogelijk moest zijn iemand uit de dood op te wekken, en daarom kreeg hij hem ook terug, bij wijze van voorafbeelding” (Hebr.11,17-19).
Hoe de schrijver van de brief aan de Hebreeën erbij kwam dat Abraham geloofde dat God Isaak uit de dood kon opwekken, daar kom ik zo op. Maar dat Abraham Isaak als het ware uit de dood terugkreeg, dat is wel duidelijk. Is dat voor Loreen, Joas en Zoë dan minder duidelijk? Ze werden toch aan hun ouders teruggegeven nadat ze door het water heen zijn gegaan? Dat water betekende het einde van hun oude mens en het begin van hun nieuwe mens.
Als je die woorden voor het eerst hoort, klinken ze je maar vreemd in de oren. Hoe kun je pasgeboren kinderen nu oude mensen noemen? Toch zijn ze dat wel. Ze maken tot in hun genen deel uit van deze oude wereld, die in de greep van de zonde en de dood is. Met deze oude wereld zullen ze ten onder gaan, als God het niet verhoedt. Maar God verhoedt het. Zijn eigen Zoon, Jezus Christus, sterft aan onze zonden, zijn eigen Zoon, Jezus Christus, staat op uit onze zonden. Met Hem is een nieuwe wereld begonnen die aan zonde en dood voorbij is. Loreen, Joas en Zoë horen door de doop niet langer bij de oude wereld, maar bij de nieuwe wereld.

Nu heeft hun oude leven afgedaan.
Ze mogen aan de toekomst toebehoren,
want grote dingen heeft de Heer gedaan:
ze zijn als kinderen van God herboren (LB 353:1).

Naar die toekomst was Abraham onderweg, toen hij gehoorzaamde aan die stem, die tegen hem zei: “Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naasten verwanten, en ga naar het land dat ik je wijzen zal. Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. Door jou zullen alle volken op aarde gezegend worden” (Gen.12,1.2.3b). Bij die toekomst kwam Abraham aan, toen hij gehoorzaamde aan die stem, die tegen hem zei: “Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal”.

Verhaal 3
De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Zelf zadelde hij het lastdier en hakte hij het hout. Dat werk liet hij niet over aan de twee knechten die mee op reis zouden gaan. Toen riep hij Isaak en ging op weg naar de plaats waar God over gesproken had. Het was of oude tijden herleefden. Want “ga naar het land dat ik je zal wijzen”, daar was het allemaal mee begonnen. Maar was hij dan nog steeds niet aangekomen? Natuurlijk, hij was nog steeds een vreemdeling in zijn eigen land. Maar dat zou anders worden. Isaak was immers geboren? Hij had er zelf niet meer in geloofd en een zoon verwekt bij Hagar, zijn slavin. Toch had God gedaan of hij nog steeds geen zoon had. Toen zowel Abraham als Sara te oud geworden waren om nog kinderen te krijgen, was Isaak geboren. Het was waar geweest wat die engel tegen hen gezegd had: “Zou voor de HERE iets te wonderlijk zijn?” (Gen.18,14, NBG-51) Dus legde hij zijn hand op de mond, toen het binnen in hem stormde. Hij begreep Gods weg met hem niet. Want waarom moest hij het kind dat nooit geboren had kunnen worden nu weer aan de Here teruggeven? Het bestond niet dat God alsnog met Ismaël verder wilde. Hij had het toch duidelijk gezegd dat alleen de nakomelingen van Isaak zouden gelden als Abrahams nageslacht (Gen.21,12b)? Maar hoe zou Isaak ooit nakomelingen kunnen krijgen, als hij hem vandaag...? Was God dan niet de God die alles gaf, maar de God die alles vroeg? Zo kende hij God niet. God had steeds het onmogelijke waargemaakt. Het levende bewijs liep naast hem. Maar hij had het nog niet gedacht, of zijn hart trok van pijn samen.
Op de derde dag kwamen ze aan bij de tempelberg. Abraham zei tegen zijn knechten: “Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug”. ‘We’? Welke ‘we’? Abraham en Isaak? Hoe kwam Abraham daarbij? Op de tempelberg zou zijn hoop toch in rook opgaan? Alleen zou hij terugkeren, als hij gedaan had waarvoor hij hier gekomen was. Toch zei hij: “we”. “Isaak en ik, wij zullen bij jullie terugkomen als ik gedaan heb waarvoor ik hier gekomen ben”.
Hij pakte het hout voor het offer, legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen die beiden tezamen (NBG-51). “Vader”, zei Isaak. “Wat wil je me zeggen, mijn jongen?”, antwoordde Abraham. “We hebben vuur en hout”, zei Isaak, “maar waar is het lam voor het offer?” Wat zeg je dan? “Jij bent dat lam voor het offer”? Nee. Abraham antwoordde: “God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen”. Zo gingen die beiden tezamen. Zwijgend. Wat viel er nog te zeggen? Het woord was nu aan God.
Maar wie er ook kwam, God niet. Abraham had het eerder meegemaakt (Gen.15). Hij had een straatje gemaakt waarin God en hij elkaar zouden ontmoeten. Samen zouden ze tussen dierhelften doorlopen als teken dat ze bij elkaar hoorden: God en Abraham, Abraham en God. Maar God was pas op komen dagen toen Abraham in slaap gevallen was. Alleen ging Hij door de bloedstraat, als een licht in de rook. Abraham had het begrepen. God zou in zijn eentje de verantwoordelijkheid dragen voor het verbond dat Hij met Abraham sloot. Hij zou zijn beloften zelf vervullen. Hij zou zijn straffen zelf dragen.
Toen ze waren aangekomen bij de plaats waarover God had gesproken, bouwde Abraham daar een altaar…, schikte het hout erop…, bond zijn zoon Isaak vast… en legde hem op het altaar…, op het hout. Het zal vast een hele tijd geduurd hebben voor alles in gereedheid was. God kreeg van Abraham alle tijd om in te grijpen. Toen Abraham het altaar bouwde, toen Abraham het hout erop schikte, toen hij zijn zoon Isaak vastbond, toen hij hem op het altaar legde, op het hout. Maar wie er ook kwam, God niet. Het mes dat al die tijd klaargelegen had, Abraham moest het nu wel grijpen. Langzaam strekte hij zijn hand uit naar het moordwapen… en greep het vast.
Maar een engel van de HEER riep vanuit de hemel: “Abraham, Abraham”. “Ik luister”, antwoordde hij. “Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt. Je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden”. Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt geraakt was in de struiken. Had die ram dan al die tijd al klaargestaan? Was er al een antwoord voor er een vraag was? Abraham pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon. Abraham noemde die plaats: …

Welke woord zou jij op de aftiteling van deze film zetten? ‘Einde’? Of toch liever ‘begin’? Abraham koos voor een ander woord: “De HEER zal wel zien”. De HEER zal wel zien. Dan kun je verder. Altijd verder. Samen verder. Zo gingen die beiden tezamen.

Amen.