Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Klaaglied om een vergeten koning
titel : Klaaglied om een vergeten koning
datum : 28 augustus 2016
volledige onderwerp : Jeremia 22 : 10
Download deze preek.

Preek over Jer.22,10 (Den Ham / Dalfsen-O / Kampen-Z, 28-8-16)

Votum en groet
GK 174
10 geboden (v.m.)
NB 130 (v.m.)
Gebed
L 2Kron.35,20-36,4
L Jer.22,1-12
GK 28
T Jer.22,10
Ps.82
Apostolische geloofsbelijdenis (n.m.)
NB 125 (n.m.)
Dankzegging en voorbede
Collecte
GK 163
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Afgelopen week was er in het NOS-journaal een reportage te zien die Jan Eikelboom gemaakt had in de Turkse grensplaats Karkemis. [ppt] Aan de andere kant van de grens, in Syrië, had het Turkse leger de plaats Jarablus veroverd op Islamitische Staat. Ook al lijkt dat goed nieuws, de chaos is Syrië is er alleen maar ingewikkelder door geworden. Want Turkije wil alleen meedoen aan de strijd tegen IS, als de Koerden achter de rivier de Eufraat blijven, die tussen Karkemis en Jarablus door stroomt. Alleen dit kaartje van het grensgebied van Turkije en Syrië laat dus al zien hoe onoverzichtelijk de oorlog in Syrië geworden. Wie vecht er nu precies tegen wie? En wie zijn in die oorlog de goeden en de kwaden?
Toch dwaalden mijn gedachten al af toen ik Jan Eikelboom hoorde zeggen dat hij in Karkemis was. Want Karkemis wordt ook in de Bijbel al genoemd [ppt]. In het jaar 605 voor Christus heeft er een belangrijke veldslag plaatsgevonden die het einde markeert van de oude wereldmachten, [ppt] Assyrië en [ppt] Egypte, en het begin van de nieuwe wereldmacht, [ppt] Babylonië. In Karkemis begint de victorie, zou je kunnen zeggen. Maar voor wie dan? Voor Babel natuurlijk. Maar ook voor Israël? [ppt] Achteraf moet je zeggen dat de slag bij Karkemis voor Israël het begin van het einde was. Want een vijfentwintig jaar later zou de overwinnaar van Karkemis ook Jeruzalem innemen en de tempel van de Here met de grond gelijk maken.
Maar achteraf is het makkelijk praten. Toen Farao Necho optrok naar Karkemis om de Assyriërs te helpen in hun strijd tegen Babel, probeerde koning Josia van Juda hem tegen te houden. Je kunt je ook nog wel voorstellen dat Josia weinig medelijden had met het zieltogende Assyrische rijk. Want was Assyrië niet het land dat het tienstammenrijk Israël in ballingschap gevoerd had? Het had weinig gescheeld of ook het tweestammenrijk Juda was onder de voet gelopen. Gelukkig had de Here toen zelf ingegrepen en moest koning Sanherib van Assyrië zijn strijd tegen koning Hizkia van Juda staken (Jes.37,36.37). Na die ervaring leek het koning Hizkia verstandig toch nog een bondgenoot achter de hand te hebben. Hij knoopte betrekkingen aan met het verre Babel (Jes.39). Als je op de kaart kijkt, kun je dat nog wel begrijpen ook. Want Assyrië lag precies tussen Babel en Israël in. Zou Assyrië het wagen Israël opnieuw aan te vallen, dan liep hij het risico ook oorlog te krijgen met Israëls bondgenoot. Geen enkel machthebber zit te wachten op een oorlog aan twee fronten. Koning Josia van Juda zet de politiek van zijn grootvader Hizkia dan ook voort als hij probeert Egypte tegen te houden. Want daardoor zou hij in een goed blaadje komen bij de koning van Babylonië. Zonder steun van Egypte was Assyrië geen partij meer voor Babylonië. Zou de koning van Babel in Karkemis een makkelijke overwinning behalen op Assyrïe, dan was dat mede te danken aan de hulp van zijn trouwe bondgenoot koning Josia van Juda.
Maar het liep anders. We hebben gelezen hoe Josia’s poging om farao Necho van Egypte te stoppen mislukte. Hij werd verslagen in de vlakte van Megiddo, een stad in het gebied van het verdwenen tienstammenrijk Israël. Maar je moet wat inzoomen op de kaart om te zien waar die strijd zich nu precies afspeelde [ppt]. En dan is het nog steeds niet goed te zien. Wat je wel goed op deze kaart kunt zien is dat farao Necho zijn opmars naar Karkemis ongehinderd voortzet [ppt]. Vergeleken met de slag bij Karkemis lijkt de slag bij Megiddo slechts wat gerommel in de marge geweest te zijn. Toch besteedt de Bijbel net zoveel aandacht aan die onbelangrijke slag bij Megiddo (2Kron.35,20-25) als aan die belangrijke slag bij Karkemis (Jer.46,1-12).
Ook dat is wel te begrijpen. Want al speelde Josia maar een kleine rol in de geschiedenis van de koninkrijken op aarde, hij speelde een grote rol in de geschiedenis van het koninkrijk van God. Hij was het die de wet van Mozes weer onder het stof vandaan haalde en zijn volk weer op de weg van Gods geboden terugbracht. Uitvoerig wordt in de bijbelboeken Koningen en Kronieken beschreven hoe onder zijn regering het Pascha weer gevierd werd. Als zo’n koning zwaargewond van het slagveld komt, om in Jeruzalem te sterven, is dat een zware slag. We lazen in 2 Kronieken 35 zelfs dat de profeet Jeremia een klaaglied op Josia dichtte, dat in Jerzualem en Juda nog een hele tijd op het repertoire gestaan heeft.
Dat klaaglied van Jeremia op de dood van Josia staat niet in de Bijbel. Wel staat in de Bijbel het verbod om dat klaaglied nog langer te zingen. Want op koning Josia slaan de woorden van de tekst voor deze preek: “Treur niet om een dode, weeklaag niet over hem”. Is dat niet wonderlijk? De dichter van het klaaglied op Josia moet van God de mensen in Jeruzalem en Juda verbieden om dat klaaglied nog langer te zingen. Kon het God dan niets schelen dat zijn trouwe dienaar Josia was gesneuveld in de strijd?
Zo kun je dat niet zeggen. Want er moet van God wel degelijk getreurd worden. Alleen niet om Josia, maar om zijn zoon: “Treur niet om een dode, weeklaag niet om hem. Treur liever om hem die verbannen werd: hij ziet zijn geboorteland niet terug”. Die zoon van Josia wordt door Jeremia Sallum genoemd. In de boeken Koningen en Kronieken heet hij Joachaz. Hij heeft maar drie maanden geregeerd. Toch zegt de Bijbel dat hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER (2Kon.23,32). Daarom is het des te verwonderlijker dat de Here de opdracht geeft niet te treuren om een koning die deed wat goed is in zijn ogen, maar te treuren om een koning die deed wat slecht is in zijn ogen. Hoe is dat mogelijk?
Het is in elk geval zo dat God en mensen in hun rouw niet op één lijn zaten. Met dat ik die zin opgeschreven had, voelde ik dat ik daar meer over moest zeggen dan ik van plan was. Want dat kan dus blijkbaar: dat God verdriet heeft en dat wij verdriet hebben, zonder dat ons dat nader tot elkaar brengt. In ons verdriet groeien we juist uit elkaar. Tussen mensen kan dat ook gebeuren. Verdriet kan twee mensen die van elkaar houden dichter bij elkaar brengen, maar ook verder uit elkaar drijven. Juist in hun verdriet voelen ze elkaar niet aan. Want al zijn ze getroffen door dezelfde gebeurtenis, voor de een betekent die slag iets heel anders dan voor de ander. Denk je eens in dat dat tussen God en mensen ook zo gaat. Je bent zo verdrietig en de enige die je zou kunnen begrijpen doet dat niet. Ook al moet je er niet aan denken, het kan blijkbaar wel.
We lezen in Johannes 11 dat ook Jezus huilde bij het graf van zijn vriend Lazarus. Toch voelde Hij Zich alleen tussen al die andere huilende mensen. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat zelfs dat Hij Zich ergerde aan hun tranen (Joh.11,33.38). Want betekende het dan niets voor al die huilende mensen dat Hij bij hen was, die de opstanding en het leven in eigen persoon was (Joh.11,25)? Jezus voelde in het verdriet van de mensen om Hem heen een leegte waar Hij van moest huilen. Maar voor de mensen betekenden die tranen niet meer dan dat Jezus verdriet had om Lazarus’ overleden was of dat Jezus spijt had dat Hij te laat was aangekomen om nog iets aan Lazarus’ overlijden te kunnen veranderen. Jezus weent onder de wenenden, maar Hij weent niet mét de wenenden (vgl. Rom.12,15, NBG-51). Want juist toen gaapte er een kloof van ongeloof tussen de mensen en Jezus.
God verbiedt de treurenden in Sion niet te treuren. Hij gebiedt ze juist te treuren. Alleen niet om Josia, maar om zijn zoon. Waarom niet om Josia? Wat ergerde God in het verdriet van Jeruzalem en Juda om het verlies van die koning? Smaakten hun tranen Hem teveel naar nostalgie? Kon Hij hun heimwee naar de goede oude tijd van Josia niet verdragen? Als dat gevoel van heimwee onder het volk van God leefde, is dat best voorstelbaar. Want onder Josia stelde Juda weer wat voor. Hij was in het gat gesprongen dat de Assyriërs in het tienstammenrijk Israël achtergelaten hadden. Israël had weer iets van de allure uit de tijd van David teruggekregen. Niet meer dat landje met ruimte voor maar twee stammen [ppt], maar weer een land met ruimte voor wel twaalf stammen [ppt].
Maar de farao van Egypte had korte metten gemaakt met die sterallures van het huis van David. Josia had zichzelf overschat en Egypte onderschat toen hij meende de opmars van de farao wel tot staan te kunnen brengen. Josia’s opvolger Joachaz deed er verstandig aan niet diezelfde fout te maken. Maar zo verstandig was Joachaz niet. Daarom liet de farao, terwijl hij nog onderweg was naar Karkemis, Joachaz gevangennemen. In zijn plaats stelde hij Jojakim als koning aan, de oudere broer van Joachaz. Jawel, de oudere broer. Dat zal wel niet zo’n krachtdadig figuur geweest zijn, als hij bij de troonsopvolging werd gepasseerd. Als zetbaas van de farao heeft Jojakim het langer uitgehouden dan zijn broer: elf jaar. Maar toen was Egypte inmiddels zo zwak geworden en Babel zo sterk, dat de koning van Babel Jojakim verving door zijn zoon Jojachin. Die regeerde echter ook maar drie maand, omdat hij er maar niet aan kon wennen dat een koning van Israël geen slaafje van Egypte, maar van Babel was. Jojachin werd dan ook vervangen door zijn oom Sedekia. Jawel, zijn oom. De derde zoon van Josia die het als koning van Jeruzalem mocht proberen. Deze derde zoon van Josia is tevens de laatste koning van Jeruzalem geweest. Want in het elfde jaar van zijn regering nam de Babylonische koning Nebukadnessar Jeruzalem in en verwoeste hij de tempel van de Here. Zo kwam er een einde aan het koningshuis van David. Ja, je zou haast zeggen: Zo kwam er een einde aan het koninkrijk van God op aarde
Zover was het nog niet, toen Jeremia Jeruzalem en Juda verbood om nog langer te treuren om koning Josia. Maar door dat verbod maakte de Here hun duidelijk dat het geen zin had de herinnering de tijd van Josia levend te houden. Ze konden Josia beter vergeten, want zijn dagen zouden niet meer terugkeren. Als ze wilden weten hoe het er werkelijk met Jeruzalem en Juda voorstond, konden ze beter rouwen om Joachaz. Terwijl Joachaz juist een koning was die ze het liefst zo snel mogelijk vergaten. Waarom zouden ze ook om hem rouwen? Hij leefde toch nog? Ja, hij leefde nog, in een Egyptische cel. Maar hoe treurig dat ook voor de man zelf mocht zijn, zij zaten waren niet in ballingschap gevoerd en het koningshuis van David ook niet. Dan was er toch nog hoop? Maar die illusie ontneemt God zijn volk als hij tegen hen zegt: “Treur liever om hem die verbannen werd: hij ziet zijn geboorteland niet meer terug”. Blijkbaar vindt de Here dat ze zich beter kunnen identificeren met Joachaz dan met Josia. Want ze zijn niet het volk van Josia, maar het volk van Joachaz. Niet het volk van een koning die iets voorstelde, maar het volk van een koning die niets voorstelt. Als je wilt huilen, huil dan niet om te dromen van wat was, maar om te lijden aan wat is. Joachaz’ werkelijkheid is jullie werkelijkheid: een balling die zijn geboorteland niet meer terugziet. [ppt]

Toen ging het beeld op zwart.

Schijnt er in de tekst voor deze preek dan geen enkel licht voor ons? Toch wel. Maar je ziet een ster pas stralen, als de hemel zwart is. Onze tekst stamt uit een tijd waarin niet meer uit te maken viel wie de goeden en wie de kwaden waren. Maar is dat in onze tijd echt anders? De oorlog in Syrië wordt steeds onoverzichtelijker. Wie de kwaden zijn lijkt ons wel duidelijk: de strijders van Islamitische Staat. Maar kun je degenen die het tegen IS opnemen de goeden noemen, als je ziet welke gruwelen ook zij aanrichten? Maar terwijl wij steeds minder goed weet wie nu de goeden in Syrië zijn, gaan we ervan uit dat wij in elk geval wel tot de goeden behoren. Juist aan die illusie maakt onze tekst een eind. Je kunt niet zeggen dat Babylonië aan de goede kant staat als het de macht van Assyrië en Egypte breekt, maar aan de verkeerde kant staat zodra optrekt tegen Jeruzalem en de tempel van de Here verwoest. Want in beide gevallen was Babel een instrument in de hand van God. Het meest treurige dat je je maar voor kunt stellen, wordt hier werkelijkheid: God keert zijn hand tegen zijn eigen volk.
Zou u ook maar één reden kunnen bedenken waarom zijn hand niet tegen het christelijke Westen zou keren? Alleen al de arrogantie waarmee wij mensen uit andere culturen de maat nemen met onze waarden. Maar hebben wij werkelijk reden om trots op onszelf te zijn als wij het een teken van achterlijkheid vinden als vrouwen op het strand hun schaamte bedekken en een teken van beschaving als zij hun schaamte ontbloten?
Als wij niet meer weten wie in deze wereld nog de goede en de kwaden zijn, laat dat er dan toe mogen leiden dat wij ook onszelf niet langer automatisch aan de kant van de goeden zetten. Juist christenen zouden dat moeten weten, als ze geloven dat ze Gods koninkrijk alleen binnen mogen gaan omdat hun Koning zijn leven gaf voor hun zonden. Jeruzalem en Juda moesten treuren om een koning die ze het liefst zouden vergeten: een balling die zijn geboorteland nooit terug zou zien. Laten wij onze koning dan niet vergeten: Jezus Christus, die Zich liet boeien om ons vrijuit te laten gaan en Zich liet bespotten zodat wij nooit meer te schande gemaakt zouden worden. Want alleen bij Hem die een verachtelijke dood stierf is er redding te vinden als God zijn woede over de aarde uitstort.

Het christelijke Westen uit onze dagen lijkt al even hard op instorten te staan als het koninkrijk van David in Jeremia’s dagen. Toch roept hij in hoofdstuk 22 dat volk niet alleen op om een klaaglied op een vergeten koning te zingen. Want aan het begin van het hoofdstuk hoorden we hem zeggen: “Dit zegt de HEER: Handhaaf recht en gerechtigheid, red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker, buit vreemdelingen, weduwen en wezen niet uit, pleeg geen geweld tegen hen, vergiet in deze stad geen onschuldig bloed”. Hoe meedogenloos de wereld om hen heen ook geworden mocht zijn, Jeruzalem moest een oase van mededogen blijven. Mag ik het dan ook zo zeggen: in een onbarmhartige wereld moet de gemeente van Christus een oase van barmhartigheid zijn? Naar buiten toe: voor vreemdelingen, naar binnen toe: voor wezen en weduwen.
Ik hoop dat ik me vergis als ik denk dat die zorg voor weduwen niet meer zo hoog op het prioriteitenlijstje van de kerk staat? Je kunt steeds vaker horen zeggen: Nu geloven steeds minder vanzelfsprekend wordt, kun je je energie beter steken in jongeren die nog niet geloven dan in ouderen die al wel geloven. Toch leidt dat tot een kerk waarin de barmhartigheid verdwijnt voor mensen die eenzaam en verdrietig zijn. Ik geloof niet dat zo’n kerk haar jeugd vast zal houden. Ouderen moeten ruimte maken voor jongeren. zeker. Maar jongeren moeten net zo goed ruimte maken voor ouderen.

De tekst voor de preek stemt niet vrolijk. Wel nederig, wel barmhartig. Toch is dat de weg naar het koninkrijk van God.

Amen.