Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Verloren onschuld
titel : Verloren onschuld
datum : 21 augustus 2016
volledige onderwerp : Matteüs 05 : 08
Download deze preek.

Preek over Mt.5,8 (Den Ham, 21-8-16)

Votum en groet
Ps.24:1,2,3
10 geboden
LB 863:1,4,5
Gebed
[Doopsformulier 3
K Opw 185 (na dopen Mat Pepijn Wolters)]
L Ps.17
Ps.73:1,5,6,9
T Mat.5,8
LB 759 (melodie: LB 864)
Dankzegging en voorbede
Collecte
LB 17:3,7
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Manchetknopen: wie draagt ze nog? Misschien weten sommigen hier wel niet eens meer wat het zijn: knopen waarmee je de mouwen van een overhemd sluit. Vroeger zaten er namelijk alleen twee gaatjes in de boord. Je had je eigen knopen waarmee je de boord kon sluiten. Dat konden heel mooie dingen zijn. Ik zag eens een paar in een etalage in Den Ham dat me enorm aansprak. Op de ene manchetknoop stond: ‘guilty’ (schuldig), en op de andere: ‘not guilty’ (niet schuldig).
Dat is eigenlijk een heel gereformeerd paar knopen. Want in navolging van Maarten Luther zeggen we als gereformeerden vaak dat we tegelijk rechtvaardige en zondaar zijn. Of in de woorden van Tim Keller, de bekende dominee uit New York: Je bent zondiger en gebrekkiger dan je ooit kunt geloven. En tegelijk: Je bent meer geaccepteerd en bemind dan je ooit hebt durven hopen.
Schuldig en tegelijk onschuldig. Als de dichter van Psalm 17 manchetknopen gedragen had, had hij dan ook zo’n paar willen hebben? Er staat boven dat het een gebed van David is. In een andere Psalm heeft hij eens van zichzelf gezegd: “Ik was al zondig toen ik werd geboren, als schuldig toen mijn moeder mij ontving. Schep daarom, God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig” (Ps.51,7.12). Maar daar vinden we in Psalm 17 niets van terug. De David van deze Psalm weet zich volmaakt onschuldig. Daar is hij zó van overtuigd, dat hij God zelfs uitdaagt de proef op de som te nemen: “Bezoekt u mij in de nacht en beproeft en peilt u mijn hart, u zult niets in mijn nadeel vinden, geen kwaad kwam uit mijn mond”.
Zoiets zou denk niemand van ons nog durven bidden. Maar zijn wij er dus op vooruitgegaan? Of is het een verlies dat we als gereformeerden onze onschuld kwijtgeraakt zijn? Je kunt in Psalm 17 best dingen aanwijzen die wij als nieuwtestamentische gelovigen hem zo niet meer nazeggen. Wij zouden het denk ik niet meer aandurven God te vragen of hij niet alle je vijanden, maar ook zijn kinderen en kleinkinderen wil straffen. Jezus heeft immers in de Bergrede gezegd: “Heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen” (Mt.5,44). Toch moet je er voorzichtig mee zijn om te zeggen dat zo’n oudtestamentische Psalm dus niet op het niveau van de Bergrede staat. Want Jezus heeft een van zijn zaligsprekingen aan deze zelfde Psalm ontleend: “Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien”. In Psalm 17 is zo’n reine van hart aan het woord. En wat is volgens het laatste vers zijn diepste verlangen? “Laat mij, recht gedaan, uw gelaat aanschouwen, bij het ontwaken mij verzadigen aan uw beeld”. Volgens Jezus gaat die wens in vervulling. Want wie zuiver van hart is, die zal God zien.
Hij zegt dat niet met de bedoeling dat wij beseffen dat wij het niet verdienen om God ooit te zien, omdat wij allemaal onrein van hart zijn. Nee, Hij spreekt een gelukwens uit aan het adres van hen die rein van hart zijn. Zulke mensen zijn er blijkbaar. Zoals er ook mensen zijn die verdrietig, zachtmoedig of barmhartig zijn en om die reden door Jezus zaliggesproken worden. Zou Hij jou dan ook kunnen feliciteren: “Gelukkig ben je, reine van hart, want je zult God zien”? Als niemand van ons zich dan aangesproken voelt, zijn wij dan wel echt verder gekomen dan zo’n oudtestamentische psalmdichter? Of zijn we de blijdschap en de zekerheid die hij had kwijtgeraakt?
Psalm 17 staat nog steeds in Bijbel en Kerkboek met de bedoeling dat we die van harte meezingen om ons deze blijdschap en zekerheid eigen te maken.

Als je de woorden van de Psalm op je laat inwerken, krijg je het gevoel dat hier iemand aan het woord is die vals beschuldigd is. Dat zou in elk geval de emotionele toon van zijn woorden verklaren: hij heeft het echt niet gedaan. In zo’n situatie kunnen ook wij terechtkomen. Je hoort soms van vechtscheidingen waarbij een moeder een vader beschuldigt van huiselijk geweld om hem zijn kinderen af te kunnen pakken. Ik zag laatst een tv-programma waarin het ging over de vetes die ontstaan bij de afhandeling van een erfenis. Een man vertelde dat hij een buurvrouw had bijgestaan in de laatste jaren van haar leven. Toen ze overleed, heeft hij de begrafenis maar geregeld. Toen meldde zich ineens een stiefzoon die beweerde dat hij dat alleen gedaan had omdat hij op haar geld uit was. Of denk je eens in dat iemand probeert je kapot te maken door je van seksueel misbruik te beschuldigen. Het is natuurlijk haar woord tegen het jouwe, maar de mensen denken al snel: Waar rook is, is ook vuur. Zeker als je ook nog eens gereformeerd bent.
Kun je in zo’n situatie aan iedereen vragen je recht te doen behalve aan God? Als God voor jou Iemand is die al wel een zonde kan aanwijzen die iedereen ontgaan is en waar jezelf niet eens van bewust bent, dan kun je inderdaad bij God niet terecht. Maar is God dan zo? Is het niet eerder typerend voor mensen dat ze denken: “Hou jij je maar gauw stil, want zo’n beste ben je niet. Je doet je nu wel heel onschuldig voor, maar als er over jou een boekje opengedaan werd, bleef er van die onschuldig van jou weinig meer over”? De dichter van Psalm 17 weet echt wel dat hij niet volmaakt is. Maar de dingen waar ze hem van beschuldigen, die heeft hij niet gedaan. Als er iemand is die dat weet, dan God wel. Daar is hij heilig van overtuigd.
Is dat optimisme misplaatst? Ik zou niet weten waarom. Denk maar eens dat verhaal waarin Jezus toe drie keer toe aan Petrus vraagt: “Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief?” (Joh.21,15-17). In het Liedboek staat een gezang waarin Petrus antwoordt:

O Heer, blijf toch niet vragen,
Gij weet dat ik U haat,
dat ik geen kruis wil dragen,
niet gaan waarheen Gij gaat.
O Heer, blijf toch niet vragen (LB 649:1).

Dat lied is gereformeerder dan het evangelie. Het wekt de indruk dat Petrus, als Jezus maar lang genoeg doorvraagt, wel moet zeggen: “Nee, Heer, ik houd niet van U. Want naar mijn aard ben ik erop uit om U en mijn naasten te haten”.
Nu wordt Petrus inderdaad verdrietig, als Jezus hem maar blijft vragen of hij Hem wel liefheeft. Toch blijft hij zeggen: “Heer, u weet dat ik van u houd”. Want ondanks het feit dat hij te stoer gedaan heeft en te laf geweest is, houdt hij van Jezus. Blijft dat bij u en bij jou ook over als Jezus je vraagt of je wel van Hem houdt?
Juist mensen die in een bitter conflict met hun naasten liggen, kunnen zich vastbijten in hun eigen gelijk. Vooral bij vetes die begonnen zijn ruzie over geld, gaat het vaak nergens meer over. “Het gaat mij niet om geld, maar om het principe”. Als het in conflicten alleen nog over principes gaat, is de liefde meestal ver weg.
Ook de dichter van psalm 17 is een principieel man: “Hoe de mensen ook leven, ik houd mij aan het woord van uw lippen. De weg van roof en geweld heb ik altijd gemeden, mijn voeten volgden uw spoor, mijn stappen wankelden niet”. Je vraagt je misschien af of Jezus dat wel bedoeld heeft, toen Hij zei: “Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God”. Dat houdt toch meer in dan dat je voor het uiterlijk wat aan de regels houdt. Hij heeft het immers over reinheid van hárt? Maar lees dan het laatste vers van psalm 17 nog eens: “Laat mij, recht gedaan, uw gelaat aanschouwen, bij het ontwaken mij verzadigen aan uw beeld”. Wat zou de dichter daarmee bedoeld hebben: ‘Gods beeld zien’ als je wakker wordt. Misschien was het voor hem wel een teken van Gods genade dat hij een nieuwe dag van God kreeg nadat God hem ’s nachts onderzocht had. De zon die weer schijnt weerspiegelt dan Gods vriendelijk aangezicht, dat vrolijkheid en licht voor alle oprechte harten ten troost verspreidt in smarten (Ps.97:7, OB).
Maar ‘Gods gelaat aanschouwen’ en bij het ontwaken ‘je verzadigen aan zijn beeld’, dat blijven woorden die te groot zijn om in dit leven al helemaal uit te komen. “O blij vooruitzicht dat mij streelt, ik zal, ontwaakt, uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met uw goddelijk beeld” (Ps.17:7, LB), voor ons gevoel slaan die woorden uit de berijming op het vooruitzicht dat je in het eeuwige leven oog in oog met God mag staan. Toch zeggen ze ook iets over hoe de dichter van Psalm 17 in het leven stond. Ze vragen jou of jij ook zo in het leven staat.
De dichter van deze Psalm leefde met de blik op God gericht. Bij alles wat hij deed hield hij de Here voorogen. Juist nu hij vals beschuldigd wordt weet hij dat heel zeker. Het ging me niet om mijn eigen gelijk. Ik wilde alleen maar doen wat U wilt. Uw eer heb ik gezocht, niet mijn eigen eer. U kunt als enige weten dat dat waar is. Want U ziet me ook als ik ’s nachts alleen ben met mijn eigen gedachten. Dan ben ik net zo onschuldig als overdag.

Je blik vormt je hart. Ik las deze zomer een thriller waarin een man in zijn eentje een seksfilm zit te bekijken, als hij buiten het alarm van zijn auto hoort afgaan. Hij druk op de pauzeknop en gaat buiten op onderzoek uit. Maar als hij onverrichterzake terugkeert, is het laatste beeld van die vrouw in haar verleidelijke pose in zijn beeldscherm gebrand. Ik dacht toen ik dat las: Zou het ook zo met de ziel van een mens kunnen gaan? Zou de onreinheid die je via je ogen je leven binnenlaat in je ziel kunnen branden? Maar dan ook omgekeerd: als je over alle dingen die je doet heen uitzicht houdt op God, worden je gedachten, woorden en daden steeds meer gevormd door hoe Hij is. Je leeft met Hem op je netvlies.
Maar hoe staan wij op Gods netvlies? In de oude tekst van het doopsformulier stond dat door het water van de doop ons “de onreinheid van onze ziel voor ogen gesteld” wordt. Toch wordt door de doop niet de onreinheid van onze ziel, maar de afwassing van onze zonden bezegeld. “Zo zullen we ten slotte volkomen reien in het eeuwige leven een plaats ontvangen, te midden van de gemeente van de uitverkorenen”.
Als ik dat tot me door laat dringen, begin ik te aarzelen of het beeld dat door die beide manchetknopen wel klopt. Voor mij klopt het wel: ik ben zowel schuldig als onschuldig. Maar die beide knopen vertellen me niet hoe God naar je kijkt. De dichter van Psalm 17 wist al dat God geen God is die alleen maar verkeerde dingen bij je wil aanwijzen. Maar dat God een God is die om Christus’ wil alleen maar goede dingen bij mij wil aanwijzen…
Wij hebben nog veel meer reden dan de dichter van psalm 17 om uit te zien naar de ontmoeting met God. Wat moet het heerlijk zijn om Hem in zijn vriendelijke ogen te kunnen kijken. Zoveel liefde, je raakt er niet op uitgekeken.
Laat ik me bij het ontwaken mogen verzadigen aan uw beeld. Lees je daarna het vers dat eraan voorafging, dan valt ook dat op zijn plek. Laten anderen zich maar verzadigen met kortstondig gewin, zolang ik me mag verzadigen met uw beeld. Elke nieuwe dag wil hij opstaan onder Gods vriendelijke ogen. Zou jij dat ook wel willen?
Een geliefd opwekkingslied opent met de woorden:

De zon komt op, maakt de morgen wakker,
mijn dag begint met een lied voor U.
Heer, wat er ook gebeurt en wat mij mag overkomen,
laat mij nog zingen als de avond valt (Opw.733:1).

Als jij dit lied ook zo graag zingt, doe dan wat je zingt: begin je dat “met een lied voor U”. Richt je tot Hem en laat zijn liefde de eerste indruk zijn die je opdoet. Dat zal je dag stempelen.
En ook al blijf je een onvolmaakt mens, als Gods liefde leidend is in je leven: “Heer, U weet dat ik U liefheb”, dan zul je doen wat goed is in de ogen van de Heer.

Amen.