Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Liefdevolle zondaar of liefdeloze rechtvaardige
titel : Liefdevolle zondaar of liefdeloze rechtvaardige
datum : 10 april 2016
volledige onderwerp : Lucas 07 : 47
Download deze preek.

Preek over Luc.7,47 (Den Ham, 10-4-16; Almelo, 17-4-16)

Votum en groet
LB 328
10 geboden
Opw.720
Gebed
L Luc.7,36-50
Ps.32:1,2,3a4b (uit Levensliederen)
Kindmoment (door Erik Vuurboom)
T Luc.7,47
Opw.428
Dankzegging en voorbede
Collecte (tijdens collecte: Sela: Jezus' liefde voor mij)
Opw. 553
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Het was avondmaal die zondag. Behalve voor broeder en zuster X. De kerkenraad vond het beter als zij die keer het avondmaal niet meevierden. Het zou aanstoot in de gemeente geven als zij meededen aan de maaltijd van de Heer alsof er niets aan de hand was. Broeder X was daarom maar thuisgebleven. Sterker nog, hij is nooit weer in de kerk geweest. Zuster X was er wel. Toen de schaal met brood aan haar toe was, gaf ze hem door zonder er zelf van te eten. Maar de tranen stonden haar in de ogen. Toen ze ook de beker doorgaf zonder er zelf uit te drinken, begon ze zacht te snikken. Misschien heeft niet iedereen haar horen huilen. Maar de mensen om haar heen wel. Haar dominee hoorde haar ook snikken. Hij zag haar tranen en was er verlegen mee. Had de kerkenraad er wel goed aan gedaan haar van het avondmaal af te houden? Want misschien was er die morgen wel niemand die zo verlangde naar vergeving van zonden als die vrouw.
Maar het verhaal is nog niet afgelopen. Want na de dienst luchten de ouderlingen hun hart in de kerkenraadskamer. Zij hadden zich wild geërgerd aan ‘dat mens met haar gejank’. Een van hen zei: “Waarom blijft ze ook niet gewoon thuis, net als haar man?”

Aan die avondmaaldienst moest ik terugdenken, toen ik het verhaal las over die zondares die Jezus’ voeten waste met haar tranen. Want die zondares riep dezelfde reactie op bij Simon de Farizeeër als die vrouw opriep bij die ouderling. Zij had hier niets te zoeken, omdat ze een zondares was. Als Jezus echt een profeet, zou Hij een einde maken aan de scène die dat mens aan zijn tafel maakte. Maar in plaats van het woord tot die vrouw te richten, richt Jezus het woord tot hém: “Simon, ik heb je iets te zeggen”.

Nu onderbreek ik mezelf even. Want ik wil je vragen mee te denken over de afloop van deze preek. Maak je geen zorgen, je hoeft niet hardop antwoord te geven. Denk alleen voor jezelf eens na over de vraag of je kunt voorspellen wat de boodschap van deze preek zal zijn, als ik de lijn doortrek die ik net uitgezet heb. Tegen wie zou Jezus dan nú wat te zeggen hebben?
Ik denk dat je zou antwoorden: “Jezus zou iets te zeggen hebben tegen gelovigen die zich ergeren aan zondaars. Neem zo’n ouderling die vond dat dat mens met haar gejank beter thuis had kunnen blijven. Dat is geen ouderling, maar een Farizeeër”. Er zullen vast mensen zijn die vinden dat zo’n ouderling geen uitzondering is. Natuurlijk, in theorie is iedereen in de kerk een zondaar, maar in de praktijk is de één toch een grotere zondaar dan de ander. Zolang je zonden iets tussen God en jou blijven, ben je niet echt een zondaar. Als je zonde in de openbaarheid komt, dan ben je pas echt een zondaar. Dat onderscheid tussen geheime en openbare zonden zorgt ervoor dat geheime zondaars zich vrij voelen om openbare zondaars te veroordelen. Als dat hypocriete gedoe eens aan de kaak gesteld kon worden.
Misschien moet ik dat verderop in de preek inderdaad wel doen. Maar ik voel er niets voor om eens uit te halen naar zo’n ouderling die liever had gezien dat dat mens maar thuisgebleven was, of naar een kerk die onbarmhartig is in haar oordeel over zondaars. Want als je dit verhaal uit Lucas 7 wilt lezen als Gods woord voor jou, moet je vragen waar jij zelf in het verhaal voorkomt. Met wie zou je jezelf willen vergelijken: met die Farizeeër, met Jezus of met die vrouw?
Als ik vraag met wie je jezelf zou willen vergelijken, dan zouden sommigen van jullie waarschijnlijk antwoorden: met Jezus. Anderen zouden daarover aarzelen. Want kan dat wel? Je hoort het steeds vaker: dat je op Jezus gaat lijken als zijn Geest in je werkt. Het boekje bij dit veertigdagenproject zegt er in week 4 ook wat over. In Filippenzen 2 staat immers: “Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had”. Een beetje een ouderwets woord: gezindheid. Maar het betekent zoveel als: de manier waarop je in het leven staat. Hoe Jezus in het leven stond, daar laat ook het verhaal uit Lucas 7 wel iets van zien. We ontdekken dan vooral hoe Jezus kijkt. Heel anders dan die Farizeeër. Want die zag in die vrouw alleen maar een zondares. Maar Jezus zegt tegen Simon: “Zie je deze vrouw?” Blijkbaar vindt Jezus dat Simon die vrouw niet moet wegkijken, maar aankijken. Zou Simon met Jezus’ ogen kijken, dan zou hij ook hij zien hoe mooi de liefde haar maakt. Zó te kunnen kijken naar anderen…!
Maar tijdens de preekvoorbereiding was een van de deelnemers zou eerlijk om te zeggen dat haar manier van kijken meer op die van Simon de Farizeeër leek. “Ook ik veroordeel mensen. Vooral mensen die zo blij met Jezus doen. Dan denk ik bij mezelf: Mens, doe normaal”. Blijkbaar was dat de reactie die die vrouw bij haar opriep. Probeer je ook eens voor te stellen dat iemand Jezus’ voeten natmaakt met haar tranen en afdroogt met haar haren. Zie je het voor je? Wat is dat voor hysterisch gedoe. Zoiets doe je toch niet?
Maar waarom deed die vrouw dat dan wel? Iemand antwoordde: “Omdat ze wanhopig was”. Dat antwoord wil ik graag even vasthouden. Want ook al is er van die vrouw meer te zeggen dan dat ze wanhopig was, toch was ze dat ook. Heel lang had ze de schijn kunnen ophouden dat al die praatjes die er over haar de ronde deden haar niet raakten. Mensen hebben nu een keer iemand nodig om op neer te kunnen kijken. Dat geeft hun een goed gevoel. Want hoe slecht ze zelf ook zijn, gelukkig niet zo slecht als ‘die zondares’. Ze deden hun best maar. Het zou haar een zorg zijn. “Wie met één vinger wijst naar de ander, wijst met drie vingers naar zichzelf”, zei ze altijd maar zo. Maar toen ze hoorde dat Jezus van Nazaret haar woonplaats aandeed, bleef er van haar onverschilligheid helemaal niets over. Ze stormde het huis binnen waar Hij de maaltijd gebruikte, knielde bij zijn voeten neer en barstte in tranen uit.

Wat waren dat nu voor tranen? Tranen van verdriet of tranen van berouw? Ik merk dat die vraag weerzin bij me oproept. Moet ik de tranen van die vrouw onder de microscoop gaan analyseren? Moet ik beoordelen of ze huilde om de pijn die ze zolang verdrongen had of om de zonden die ze zo lang goedgepraat had? Maar zelfs als ik tot zo kunnen vaststellen dat er in die tranen zoveel procent verdriet en zoveel procent berouw zat, mijn analyse kan de prullenbak in als ik Jezus hoor zeggen dat het geen tranen van verdriet, ook geen tranen van berouw, maar tranen van liefde waren. Want wat zegt Hij tegen Simon de Farizeeër?
“Er was eens een geldschieter die twee schuldenaars had: de een was hem vijfhonderd denarie schuldig, de ander vijftig. Omdat ze het geld niet konden terugbetalen, schonk hij beiden hun schuld kwijt. Wie van de twee zal hem de meeste liefde betonen?” In de Bijbel in Gewone Taal staat: “Wie van de twee mannen is dankbaarder?” Maar dat is geen verbetering. Want Jezus heeft het niet over dankbaarheid, maar over liefde. Maar dat is wel vreemd. Want dankbaarheid lijkt hier meer op zijn plaats. Tenzij iemand door zijn schulden totaal aan de grond zat. Een schuld van vijftig denarie is al niet niks. Want uit een andere gelijkenis van Jezus weten we dat een denarie een dagloon was (Mt.20,2). Maar dan is een schuld van vijfhonderd denarie dus een schuld van vijfhonderd daglonen. Daar moet je dus bijna anderhalf jaar voor werken. Tenminste, als je geen geld uit zou hoeven geven aan eten, aan kleding, aan onderdak. Hoe moet je zo’n schuld ooit aflossen, als je ook nog moet leven? Wordt zo’n enorm bedrag je zomaar ineens kwijtgescholden, dan is dankbaarheid een veel te zwak woord om uit te drukken wat je dan voelt. Van iemand die zo goed voor je is kun je alleen maar zielsveel houden.
Simon de Farizeeër begrijpt best wat Jezus hem met die gelijkenis wil zeggen. Die moet wel slaan op dat hysterische mens aan de voeten van Jezus. Zij is die vrouw die overloopt van liefde omdat haar een schuld van vijfhonderd daglonen vergeven is. Maar wie is hijzelf dan? Komt hij ook voor in het verhaaltje dat Jezus net verteld heeft? Is hij die andere schuldenaar, die minder vergeving kreeg omdat hij ook minder schuld had? Daar zou hij het waarschijnlijk nog wel mee eens zijn ook. Want natuurlijk, we doen allemaal zonden en we hebben allemaal vergeving nodig. Maar hij had gelukkig niet zoveel vergeving nodig als dat mens. Haar schuld was wel vijfhonderd denarie, zijn schuld maar vijftig denarie. Je zou zeggen dat hij het dus minder slecht gedaan had dan die vrouw. Toch voelt hij wel aan dat hij dat niet hardop kan zeggen. Want Jezus vroeg niet wie van de twee de meeste schuld had, maar wie van de twee de meeste liefde had. En dat was niet hij, maar die vrouw. Hij antwoordt dan ook nogal zuinigjes op de vraag van Jezus wie de meeste liefde had. “Ik veronderstel degene aan wie hij het grootste bedrag heeft kwijtgescholden”.
“Dat is juist geoordeeld”, zei Jezus. Maar wat er toen volgde zal de Farizeeër niet bepaald als muziek in de oren geklonken hebben. Ook al volgde het uit zijn eigen antwoord. “Zie je deze vrouw? Ik ben in jouw huis te gast, en je hebt me geen water voor mijn voeten gegeven; maar zij heeft met haar tranen mijn voeten natgemaakt en ze met haar haar afgedroogd”. Zo gaat het maar door: “Jij niet dit, maar zij wel dat”. Steeds vergelijkt Jezus hem met dat mens en steeds valt de vergelijking in zijn nadeel uit. Kun je er dan nog trots op zijn als dat je niet zo’n grote zondaar bent als die ander? Volgens Jezus niet. Want het gevolg is dat je ook niet zoveel liefde laat zien als die ander. Dat is in elk geval de conclusie waarmee Jezus zijn onderricht aan Simon de Farizeeër besluit: “Wie veel vergeven wordt, betoont ook veel liefde. Maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde”.

De vraag die Jezus niet alleen die Farizeeër maar ook ons stelt is dus: Op wie van die beide schuldenaars uit de gelijkenis lijk je nu het meest? Op die man die veel vergeven moest worden of op die man die weinig vergeven hoefde te worden. Het antwoord op die vraag kun je vinden in je eigen manier van leven. Straal je veel liefde uit, dan heb je blijkbaar veel vergeving ontvangen. Maar straal je weinig liefde uit, dan heb je blijkbaar weinig vergeving ontvangen.
Die Farizeeër was er eerst nog wel trots op dat hem niet zoveel vergeven hoefde te worden als die vrouw. Maar van die trots blijft weinig over als Jezus tegen hem zegt: “Zie je die vrouw?” Blijkbaar vindt Jezus dat die vrouw hem tot voorbeeld is. Aan haar kun je zien wat genade met een mens doet. “Kan ik dat ook aan jou zien, Simon?”
Vul in plaats van ‘Simon’ je eigen naam eens in. “Zie je die vrouw, [David]. Aan haar kun je zien wat genade met eens mens doet. Kan ik dat ook aan jou zien, [David]?” Misschien voel je innerlijk verzet opkomen, als Jezus jou die vraag stelt. Moet ik dan net als die vrouw in snikken uitbarsten over mijn zonden? Toch zegt de Catechismus al dat de ware bekering bestaat in “oprechte droefheid, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben” (HC v&a 89). Heb je wel eens echt verdriet gehad over je zonden? Is het wel eens tot je doorgedrongen dat jij met je goede gedrag net zomin voor God kunt bestaan als die ander met zijn slechte gedrag? Dacht je werkelijk dat het jou wel wat meeviel? Ben je dan wel eens bij Jezus geweest? Heb je Hem al eens voor je ogen zien doodgaan aan jouw zonden?
Die vrouw is wel bij Jezus geweest. Maar zij heeft Hem toch niet voor haar ogen had zien sterven aan haar zonden, zou je zeggen. Dat is waar. Toch kwam ze niet alleen bij Hem om te huilen over haar zonden. Ze kwam ook bij Hem om Hem met olie te zalven. Blijkbaar wist ze op de een of andere manier al dat Hij de enige was die haar kon redden van het oordeel. Niet alleen het oordeel van de mensen, maar ook het oordeel van God. Als er voor haar vergeving was, dan alleen bij Jezus. Als ze Hem gevonden heeft, biedt ze Hem niet alleen haar verdriet aan, maar schenkt ze Hem ook haar liefde. Ze zalft de voeten waarmee Jezus stad en land afging om zondaars te roepen. Bij haar is dus ook de andere kant van de ware bekering te zien. Want die bestaat niet alleen in oprechte droefheid, maar ook in hartelijke vreugde in God door Christus, zegt de Catechismus (HC v&a 90). Dat doet de ontmoeting met Jezus met je. Daarom vraag ik je nog eens: Ben jij dan wel eens bij Jezus geweest? Ben je wel eens zo verdrietig over je zonden geweest als die vrouw? Ben je wel eens zo vol liefde voor Jezus geweest als die vrouw?

En Jezus zei tegen die vrouw: “Uw geloof heeft u gered; ga in vrede”. Terecht zei iemand uit de preekvoorbereidingsgroep dat er niet staat: “Uw liefde heeft u gered”. Die vrouw werd niet gered door haar tranen, door haar haren, door haar olie. Ze werd gered omdat ze naar Jezus vluchtte, de bron van liefde. Maar zie het water van zijn liefde haar dan eens overspoelen. Zo schoon, zo mooi maakt Jezus je. Een nieuwe mens, die eeuwig leeft.

Amen.