Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Een ongemakkelijk vrede
titel : Een ongemakkelijk vrede
datum : 27 september 2015
volledige onderwerp : Jozua 09 : 18b - 21a
Download deze preek.

Preek over Joz.9,18b-21a (Den Ham, 27-9-15)

Ps.86:1-3
LB 477
Ps.105:5 (na dopen Esmé Nijkamp)
L Joz.9
Ps.15:1-3
T Joz.9,18b-21a
LB 21:3,6,7
Gez.160 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus.

Vandaag een geschiedenis die Israël zwaar op de maag gelegen moet hebben. In hun midden woonden tot op de dag dat Jozua 9 opgeschreven werd mensen die er niet hoorden. Maar ze konden moeilijk tegen hen zeggen: “Ga toch weg naar je eigen land”. Want de Gibeonieten hoorden bij de oorspronkelijke bevolking van Kanaän. Hen alsnog uitroeien ging ook niet. Koning Saul heeft het geprobeerd, maar dat wekte de woede van de Here op (2Sam.21,1). Voor Hem was het verbond dat Jozua met de Gibeonieten gesloten had heilig. Dus moest Israël de aanwezigheid van die vreemdelingen maar gedogen. Maar elke ontmoeting met een Gibeoniet was een herinnering aan de goedgelovigheid van hun voorouders. “Als wij toen geleefd hadden, dan hadden we…”
Ja, wat hadden wij gedaan? Dat hangt ervan af aan wie je die vraag stelt. Als Amerikanen en Canadezen dit verhaal lezen, moeten ze vast denken aan de Indianen die nog altijd in hun midden wonen. Hadden hun voorvaderen die beter allemaal kunnen uitroeien? Of hadden hun voorvaders beter in hun eigen land kunnen blijven? Sommige blanke inwoners van Zuid-Afrika zullen de verlegenheid die Jozua 9 oproept nog beter kunnen meevoelen. Want hun voorouders hadden zichzelf vereenzelvigd met het volk Israël toen ze het land veroverden op de zwarte bevolking die er al woonde. Daarom deed de afschaffing van de apartheid bij sommige blanken ook zo’n pijn. Want zij waren toch Gods uitverkoren volk? Of strafte de Here hen misschien omdat ze net als het oude Israël de taak die God hen opgedragen had niet uitgevoerd hadden?
Zulke heftige gevoelens zal Jozua 9 bij de meesten van ons niet oproepen. Misschien zijn we stiekem zelfs wel blij dat van de oorspronkelijke bevolking van Kanaän één stad in elk geval niet uitgeroeid werd. Want was de verovering van het beloofde land goed beschouwd niet je reinste volkerenmoord? Als wat beschreven wordt in het bijbelboek Jozua zich niet meer dan drieduizend jaar geleden had afgespeeld, maar nu plaatsvond, zou de VN-veiligheidsraad in spoedzitting bijeenkomen en Israël met een resolutie veroordelen.
Maar dat gebeurt ook. Toen Israël de Gazastrook vorig jaar de Gazastrook binnenviel, werd het beschuldigd van het plegen van oorlogsmisdaden. Maar door sommige christenen werd op die beschuldiging heel fel gereageerd. Je kunt niet zeggen dat de Palestijnen de oorspronkelijke bewoners van het land zijn en de Joden die zich er na de tweede wereldoorlog gevestigd hebben de nieuwkomers. Want het land is door God zelf aan Israël gegeven. Heel het land. Ook de Gazastrook, ook de Westbank, ook Oost-Jeruzalem.
Bij de ene lezer maakt Jozua 9 dus heel andere emoties los dan bij de andere lezer. De een voelt mee met de Israëlieten, de andere voelt mee met de Gibeonieten. Toch hebben beide manieren van lezen niet evenveel recht. Of je het nu leuk vindt of niet, je kunt Jozua 9 niet lezen alsof er stond dat Israël er goed aangedaan heeft een verbond met Gibeon te sluiten. Wel kun je in Jozua 9 lezen dat Israël er goed aangedaan heeft dat verbond te houden.
Ik geloof dat die trouw aan een verbond dat nooit gesloten had mogen worden ook nu nog actueel is. Ook in de politieke situatie van het moderne Israël. Zelfs als je met sommige christenen van mening zou zijn dat de Israëli’s recht hebben op het hele land, betekent dat nog niet dat Israël dus de Gazastrook, de Westbank en Oost-Jeruzalem bij zijn grondgebied mag voegen. Want Israël heeft zelf ingestemd met de VN-resolutie waarin die streken niet bij de staat Israël hoorden. Wat mij betreft noem je die resolutie net zo fout als het verbond dat het oude Israël sloot met de Gibeonieten. Toch moesten ze zich aan dat verbond houden. Ook al was het woord van de Gibeonieten onbetrouwbaar gebleken, het woord van de Israëlieten mocht dat niet zijn. Maar de grenzen uit de VN-resolutie uit 1947 zijn niet meegenomen in de onafhankelijkheidsverklaring van 1948. Want, zei de eerste minister-president van Israël, David Ben-Goerion: “Wij hebben de resolutie geaccepteerd, maar de Arabieren hebben dat niet gedaan. Ze maken zich op voor een oorlog tegen ons. Als we ze verslaan en westelijk Galilea veroveren of gebieden langs de weg naar Jeruzalem, dan worden deze gebieden onderdeel van de staat. Waarom zouden wij onszelf verplichten ons aan grenzen te houden die de Arabieren niet accepteren?” Daarin vertoont de staat Israël niet de stijl van het koninkrijk van God, die Jezus zo onder woorden bracht: “Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad” (Mt.5,37).

Ik zou me zo voor kunnen stellen dat sommigen van u nog niet blij werden van de preek tot nu toe. Want zolang de preek over politiek gaat, gaat hij niet over jou. Dat is natuurlijk niet helemaal waar. Want niet alleen voor politieke leiders, maar ook voor gewone burgers geldt dat hun ja ja moet zijn. Ik wil daar zo meteen meer over zeggen. Maar het is waar dat er stukken in de Bijbel staan die niet meteen over jou gaan. Kun je die dus wel overslaan? Dan zou je de mensen gelijk geven die zeggen dat geloven iets is dat je maar achter de voordeur moet doen. Ze bedoelen daarmee dat geloven zo persoonlijk moet zijn dat zij er niks van merken. Maar zelfs als het geloof achter de voordeur zou verdwijnen, zou God toch niet achter de voordeur verdwijnen? Want Hij is niet alleen de God van de gelovigen ieder persoonlijk en allen samen, maar ook de God van de mensen ieder persoonlijk en allen samen. Hij heeft niet alleen een woord voor zijn eigen mensen, maar voor alle mensen. Hij heeft het niet alleen te zeggen over zijn eigen volk, maar over alle volken.
In Jozua 9 gaat het niet in de eerste plaats over hoe mensen met elkaar om moeten gaan, maar over hoe volken met elkaar om moeten gaan. Laat juist nu de volkenwereld weer in beweging zijn. Wat zegt Jozua 9 daarover? Het zegt niet dat wij vluchtelingen een plaats in ons midden moeten nemen geven zoals Israël de Gibeonieten een plaats in zijn midden gaf. Want zo van harte deden de Israëlieten dat niet. Als die Gibeonieten zich aan Israël wilden onderwerpen, dan konden ze de laagste plek in Israël krijgen: die van houthakkers en waterputters. Ik neem niet aan dat er ook maar iemand is die serieus wil beweren dat wij de vreemdelingen in ons midden dus ook zo moeten behandelen.
Wel zegt Jozua 9 iets over de manier waarop volken uit Westen omgaan met volken uit het Oosten en het Zuiden. De Duitse bondskanselier Angela Merkel heeft vluchtelingen beloofd dat ze in Duitsland opgevangen zouden worden. Maar toen de toevloed te groot werd, zag ze zich genoodzaakt de grenzen alsnog te sluiten. Dat zal ook te maken hebben met het gemor in de Duitse samenleving. Als in Jozua 9 het volk mort tegen haar leiders, antwoorden die echter: “We hebben het hun gezworen bij de HEER, de God van Israël, dus we kunnen ze niets doen. We moeten onze eed gestand doen en ze in leven laten, anders roepen we de woede van de HEER over ons af omdat we onze eed hebben geschonden”.
Nu zegt het bijbelboek Prediker: “Je kunt beter niets beloven, dan eerst iets beloven en het dan niet doen” (Pred.5,4, BGT). Maar betekent dat dus dat de Nederlandse overheid het beter doet dan de Duitse? Allerminst. Want kun je pas een belofte doen als je kunt overzien welke gevolgen dat heeft? Dan zou een omkering zijn van Jezus’ belofte: “Houd je bezig met Gods nieuwe wereld en doe wat God van je vraagt. Dan zal God je al die andere dingen ook geven” (Mt.6,33, BGT). Ik geloof dat die belofte niet alleen geldt voor de Nederlandse burgers, maar ook voor de Nederlandse overheid. Als je de wetten van het koninkrijk van de hemel gehoorzaamt, mag je ook zegen verwachten voor je koninkrijk op aarde.

Maar de stijl van het koninkrijk van de hemel moet allereerst zichtbaar worden bij de burgers van dat rijk. Vóór het ja van de overheid een ja is, moet jouw ja een ja zijn. Volgens mij kunnen wij allemaal wat leren van de leiders van Israël, als ze zeggen: “We moeten onze eed gestand doen, anders roepen we de woede van de HEER over ons af”. Ik denk dan aan de jawoorden die er in de kerk klinken, als je je kinderen laat dopen, al je belijdenis van je geloof doet, als je elkaar trouw belooft voor het leven, als je bevestigd wordt in het ambt van predikant, ouderling of diaken. Sta je nog voor dat jawoord wanneer je het er zwaar mee krijgt om het te houden?
Je zou soms willen dat God je vertelde wat jij nu moest doen. Want ook al gaat Gods woord ook over jou, voor je gevoel kun je er niet altijd mee uit de voeten. Er zitten altijd verschillen tussen de situatie van toen en jouw situatie van nu. Dan kun je wat God toen zei toch niet zomaar op jouw leven toepassen? Maar dat probleem is niet nieuw. In Jozua 9 speelt het al. Want God zwijgt als Israël een verbond sluit met de Gibeonieten. Hij had in zijn woord wel iets gezegd over het sluiten van een verbond met andere volken, maar dat gold alleen voor volken die buiten het beloofde land woonden (Deut.20,10-18). Die wet gold dus niet voor de Gibeonieten. De Gibeonieten hadden zich wel voorgedaan als mensen die uit een heel ver land kwamen, maar drie dagen later stonden de Israëlieten al voor hun poorten. Hadden de Israëlieten daarom het verbond met Gibeon niet nietig kunnen verklaren? U weet misschien dat het rooms-katholieke kerkrecht de mogelijkheid kent een huwelijkssluiting terug als later blijkt dat het nooit gesloten had mogen worden.
Toch passen de stamhoofden van Israël die truc niet toe. Het verbond met Gibeon kan niet teruggedraaid worden nu blijkt dat Gibeon Israël bedrogen heeft. Want “we hebben het hun gezworen bij de HEER, de God van Israël”. De stamoudsten vinden het antwoord op de vraag wat ze nu moeten doen dus niet in een wet, maar in een naam: de naam van de Here. Let erop hoe ze Hem noemen: “de HEER, de God van Israël”. Daarmee herinneren ze het morrende volk aan het verbond dat God zelf met hén gesloten had. Had Hij niet nog veel meer reden om het verbond met Israël nietig te verklaren dan Israël had om het verbond met Gibeon nietig te verklaren? Je zou zeggen dat Hij er het volste recht toe had om te zeggen: “Als ik dit geweten had, was Ik er nooit aan begonnen”. Dat is natuurlijk wat al te menselijk uitgedrukt. Want anders dan mensen kon God wel weten waar Hij aan begon toen Hij een verbond met zondige mensen sloot. Maar juist daarom is het zo bijzonder dat Hij zo’n verbond toch sloot. Zijn trouw zou steeds weer beloond worden met de ontrouw van zijn volk. Toch sluit Hij willens en wetens zo’n verbond.
We zongen ervan bij de doop van Esmé:

God zal zijn waarheid nimmer krenken,
maar eeuwig zijn verbond gedenken.
Wat Hij beloofd heeft, blijft van kracht
tot in het duizendste geslacht (Ps.105:5).

Als Israël zich houdt aan de belofte die het aan de Gibeonieten gedaan heeft, volgt het dus het spoor van de God van Israël. Ja, je zou zelfs kunnen zeggen dat het vooruitgrijpt op de toekomst die God al aan Abraham beloofd had: “door jou zullen alle volken op aarde gezegend worden” (Gen.12,3, NBV voetnoot). Die belofte zou in vervulling gaan door Jezus Christus, die met zijn dood aan het kruis de muur van vijandschap tussen joden en heidenen heeft afgebroken, om vrede te verkondigen aan hen die ver weg en aan hen die dichtbij waren (EF.2,13-17). De apostel Paulus zal dan ook later schrijven in een brief aan gelovigen uit de heidenen: “Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God” (Ef.2,19).
Voor de Gibeonieten gold dat zo nog niet. Zij bleven vreemdelingen en gasten in Israël. Maar dat ook zij eens huisgenoten van God zouden worden, kon je al zien als je hen bezig zag bij het altaar van de HEER. Zij moesten het hout hakken en het water putten dat gebruikt werd voor de dienst in het heiligdom. Een nederig werkje. Maar wel een nederig werkje dichtbij het vuur en dichtbij de bron.
De Gibeonieten doen denken aan de Romeinse soldaten die Jezus aan het kruishout sloegen en Hem te drinken gaven. Een van die soldaten was de eerste die tot geloof in de gekruisigde Christus kwam. Want toen hij zag hoe Jezus aan kruis zijn leven gaf, zei hij: “Werkelijk, deze mens was God Zoon” (Mrc.15,39). In de nacht van de zonde breekt ineens het licht van het geloof door.
Iets daarvan wordt in Jozua 9 al zichtbaar. Want als Israël het verbond met Gibeon trouw blijft zoals God het verbond met Israël trouw blijft, ontstaat uit het kwade iets goeds. Bij het altaar van de HEER komen niet alleen joden, maar ook heidenen samen. Het een ongemakkelijke vrede, maar nog steeds een ongemakkelijke vréde.

Jozua 9 is een hoofdstuk dat verlegenheid uitstraalt. Zo had het eigenlijk niet gemoeten. Toch is verlegenheid soms beter dan zekerheid. Want verlegenheid laat de deur naar God openstaan, die bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken. Hem komt de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus, tot in alle generaties, tot in alle eeuwigheid.

Amen (Ef.3,20.21).