Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Samen één: 5. Taken en rollen
titel : Samen één: 5. Taken en rollen
datum : 28 september 2014
volledige onderwerp : 1 Timoteüs 4 : 12
Download deze preek.

Preek over 1Tim.4,12 (Den Ham, 22-9-14, Samen één. 4. Taken en rollen)

Voor de dienst:
-Opw.585
-Lied 328
Mededelingen van de kerkenraad
Woord van welkom en uitleg talentenbank (door Jelmer van Til)
Opw.553
Votum en groet
Ps.146:1,2,3 (melodie: JdH 446)
Wet (door Charina Wemekamp)
Ps.51:1,5
Gebed
Doopsformulier 1
-Ps.105:5 (na dopen Irene Henrike Nijkamp)
-Opwekking aan de gemeente (uit doopsformulier)
-Kindmoment (door Gerdieneke Alfing en Peter Poortinga)
-ELb 428
-Dankgebed (uit doopsformulier)
L 1Tim.4,11-5,2 (door Kees Huttenga)
Korte uitleg (door Jelmer van Til)
T 1Tim.4,12
Preek
Opw.705
Dankgebed en voorbeden
Collecte
Lied tijdens collecte: Brood van leven (Trinity)
Opw.638
Zegen
Na de dienst:
-Whom shall I fear (Chris Tomlin)

Gemeente van de Here Jezus,

“Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt”. Als Paulus dat schrijft, houdt hij er blijkbaar rekening mee dat er mensen in de gemeente zullen zijn die van Timoteüs zeggen: “Moet die snotneus ons de waarheid zeggen?” Daar kon hij bij voorbaat vanuit gaan. Want in de cultuur waarin Paulus en Timoteüs leefden en werkten maakten ouderen de dienst uit.
Als je Grieks zou kunnen lezen, zou je ontdekken dat ‘ouderling’ en ‘oude man’ in het Grieks hetzelfde woord is. In hoofdstuk 4 vers 14 staat dat Timoteüs is bevestigd in zijn roeping tot verkondiger van het evangelie met een handoplegging van de gezamenlijke oudsten. Wij zouden zeggen: van de ouderlingen. In hoofdstuk 5 vers 1 staat dat Timoteüs niet te keer moet gaan tegen een oudste. Maar dan wordt niet bedoeld dat hij niet mag uitvaren tegen een ouderling, maar tegen een oude man. De ene keer betekent ‘oudste’ ouderling, de andere keer betekent het gewoon oude man. Want niet alle oude mannen waren ouderling. Maar ouderlingen waren wel altijd oude mannen.
Dat stamde nog uit de tijd dat families bleven wonen en werken op de grond van hun voorgeslacht. Als er spanningen ontstonden binnen een familie, traden de opa’s op als rechter. Zij hadden immers de meeste levenservaring. Maar een cultuur die gestempeld is door de ouderen is per definitie oerconservatief. Doorslaggevend is wat men gewend was. Zoals het altijd geweest was, zo moest het altijd zijn. De kerk nam dus een risico door een jonge man als Timoteüs aan te stellen als opbouwwerker . Want met die aanstelling gingen ze in tegen de cultuur van die dagen. Zou de gemeente wel willen luisteren naar zo’n jong broekje?
Door in te gaan tegen de cultuur van die dagen, haakte de kerk echter aan bij de cultuur van Gods koninkrijk. Meteen na de zondeval zag je de cultuur van de hemel al botsen met de cultuur van de aarde, toen God niet het offer van Kaïn, de oudste, maar het offer van Abel, de jongste, aannam. Dat is geen incident, maar een trend. De hele Bijbel door zie je God de oudsten verwerpen, om de jongsten te verkiezen. Niet Ismaël, maar Isaäk, niet Esau, maar Jakob, niet Manasse, maar Efraïm. Misschien is dat nog wel het mooiste voorbeeld. Want Jozef plaatste Manasse alvast onder Jakobs rechterhand en Efraïm onder Jakobs linkerhand. “Maar Jakob kruiste zijn handen: zijn rechterhand legde hij op het hoofd van Efraïm, hoewel die de jongste was, en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse, hoewel die de oudste was” (Gen.48,14).
De cultuur van het koninkrijk van God neemt telkens weer de vorm van een kruis aan. Dat is geen leuke vondst van mij, maar een ontdekking van Paulus zelf. Alle lijnen uit het oude testament lopen uit op het kruis en alle lijnen in het nieuwe testament komen voort uit het kruis. In Paulus’ eigen woorden: “Wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen” (1Kor.2,27.28).
Daarom mag niemand neerkijken op Timoteüs vanwege zijn jeugdige leeftijd, want die minachting is dezelfde minachting als de Joden voor Jezus hadden, toen ze tegen Hem zeiden: “U bent nog geen vijftig jaar en u zou Abraham gezien hebben?” (Joh.8,57) Waarom herinneren de Joden Jezus eraan dat Hij nog geen vijftig jaar is? Omdat in die tijd iedereen die nog geen vijftig was bij de junioren hoorde, de jongeren, en iedereen van vijftig jaar en ouder bij de senioren hoorde, de ouderen. Toch heeft God die Jongeman van nog geen vijftig jaar uitgekozen om die ouderen te beschamen.
Paulus’ woord voor Timoteüs heeft een plek gekregen in het woord van God voor de kerk van alle tijden en plaatsen. God zelf wil ook de kerk van Den Ham ermee bemoedigen en waarschuwen. Dus niet alleen bemoedigen, maar ook waarschuwen. God staat niet toe dat er op jongeren die zich geroepen voelen om mee te werken aan de opbouw van zijn gemeente neergekeken wordt. Maar dat gebeurt in de gemeente van Den Ham wel. In de afgelopen weken heb ik leden van deze gemeente horen zeggen: “Dat krijg je ervan met zo’n jonge kerkenraad. Als er broeders in gezeten hadden die al wat langer in Den Ham meelopen, dan waren die toestanden van de afgelopen weken ons bespaard gebleven”. In zulke praat klinkt niet de cultuur van de hemel, maar van de aarde door; niet de Geest van hierboven, maar de geest van hierbeneden. Want de geest die hierbeneden waait zegt: “Zie, ik laat alles bij het oude”. Maar de Geest van hierboven zegt: “Zie, Ik maak alle dingen nieuw”.
Die geest van beneden waait overigens niet alleen in Den Ham. Het is de geest die in de wereld heerst. Die geest laat geen ruimte voor het wonder, voor datgene wat niet in de lijn der verwachtingen ligt en ook niet in de lijn der verwachtingen kán liggen. Hij laat geen ruimte voor het wonder van de dood van Gods Zoon en de opstanding van de Mensenzoon. Beide wonderen waren nooit eerder vertoond en beide wonderen zullen ook nooit weer vertoond worden. Ze zijn onvoorspelbaar en onherhaalbaar. De Bijbel zegt dat Jezus “voor eens en altijd” is gestorven en opgestaan (Rom.6,10; Hebr.7,27; 9,12; 10,10; 1Pt.3,8). Dat betekent dat je geen ervaring kunt opdoen met ingaan in het koninkrijk van God. Als je je bij Jezus aansluit, kies je niet voor een methode waarvan je na verloop van tijd kunt zeggen: “Het werkt”. Want God werkt met dingen waarvan een mens alleen maar kan zeggen dat ze nooit kúnnen werken: een kruis en een graf.
Als het dus ergens niet mag toegaan zoals het hoort, dan wel in de kerk. Want zou het in de kerk toegaan zoals het hoort, dan zouden er geen schuldigen, maar onschuldigen vrijgesproken worden, en zouden niet de slechte mensen, maar de goede mensen het eeuwige leven krijgen. Zo’n kerk is een jodenkerk.
Dat is een lelijk woord, dat alleen wel spreekwoordelijk geworden is. Ook het Twents kent het spreekwoord: ’t Geet er toe as in ’n jöddenkerk. Dat wordt gezegd van een lawaaiige bijeenkomst, waarin iedereen door elkaar heen schreeuwt. Maar dat is geen jodenkerk. Een jodenkerk is een kerk waar Farizeeën binnen zitten en hoeren buiten staan; waarin schriftgeleerden zichzelf rijk en tollenaars arm rekenen; waarin oudsten al weten hoe God werkt en jongsten dat nog moeten leren. Tegen zo’n kerk heeft die geminachte Jongeman, die hier op aarde de vijftig nooit gehaald heeft, heel de tijd van zijn leven op aarde gepreekt. Maar in feite herhaalde Hij slechts het versje dat Hij al van zijn moeder Maria geleerd had:

Mijn ziel prijst en looft de Heer,
mijn hart juicht om God, mijn redder:
hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,
ja grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan,
heilig is zijn naam.
Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht,
voor al wie hem vereert.
Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm
en drijft uiteen wie zich verheven wanen,
heersers stoot hij van hun troon
en wie gering is geeft hij aanzien.
Wie honger heeft overlaadt hij met gaven,
maar rijken stuurt hij met lege handen weg (Lc.1,46-53).

Niet alleen Timoteüs, maar alle jongeren die mee willen bouwen aan Gods kerk bevinden zich dus in goed gezelschap. Gods woord bemoedigt jullie, als het zegt: “Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt, maar… wees een voorbeeld in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, in geloof en in zuiverheid”.
Weer zo’n zin waaruit blijkt dat het koninkrijk van God de omgekeerde wereld is. Want in de wereld moeten ouderen jongeren het goede voorbeeld geven. Maar in Gods koninkrijk moeten jongeren ouderen het goede voorbeeld geven. Ik kwam een preek tegen van de beroemde Amerikaanse prediker John Piper, waarin hij zegt: “That calls for a dramatic shift in mindset for most adults en youth today” (Dat vraagt om een dramatische verschuiving in de manier van denken van de meeste volwassen en jongeren). Want dan gaat het er niet meer om dat de jongeren hun plekje vinden tussen de ouderen. Nee, ouderen moeten een plekje zoeken rond de jongeren. Ze moeten voor hen opstaan, zoals de oude Elisabet voor de jonge Maria. Ze moeten voor hen buigen, zoals die oude schriftgeleerden uit Jeruzalem voor die jonge rabbi uit Nazaret. Ze moeten naar hen luisteren, zoals die oudsten uit Efeze naar die jonge evangelieverkondiger uit Lystra, Timoteüs. Want jongeren worden om hun woorden, hun gedrag, hun liefde, hun geloof en hun zuiverheid ten voorbeeld gesteld aan ouderen. Denk je dat eens in, jongens en meisjes: dat jullie een voorbeeld mogen zijn voor de ouderen!
Het kan best zijn dat je dat helemaal niet zo bemoedigend vindt. Want dan moet er niet alleen in het denken van de ouderen, maar ook in je eigen denken een dramatische verandering optreden. Je denkt misschien: “Mensen aan wie je een voorbeeld kunt nemen zijn altijd van die saaie mensen. Dat kan ik altijd nog wel worden. Nu wil ik nog genieten van het leven”.
Dat is wel zo’n hardnekkig misverstand. Alsof er niets meer te genieten valt, zodra je tot een bewust geloof komt. Laat de mensen maar zien dat het stof er juist afgeblazen wordt als de Geest van Jezus in je hart komt werken. In je woorden: door te vragen naar of te vertellen over Jezus, door wie niets meer blijft zoals het altijd geweest is. In een levensstijl waarin het er niet meer om gaat dat je je schaapjes op het droge hebt, maar waarin je zelf een schaapje van de goede herder bent. In liefde die je niet alleen hebt voor wie van jou houden, maar ook voor wie niet van je houden. In geloof dat zich niet richt op wat mensen willen, maar op wat God wil. In zuiverheid die niet stiekem doet over seks, maar zuinig is op seks.
Houd de kerk scherp, houd de verwondering levend. Want in de kerk mag Gods liefde in Jezus nooit wennen. Die liefde is niet normaal en wordt niet normaal. Een gedichtje zegt het zo:

Wat is dat met die man uit Nazareth.
Het gaat bij hem zo anders allemaal.
Hij zegt: de laatste wordt het eerst gered.
Wat is dat voor een wereldvreemd verhaal.

De bovenste wordt onderaan gezet.
Het gaat bij hem zo anders allemaal.
De brave burger vist achter het net,
de rover aan de schandpaal vindt de graal.

De tollenaar, de moordenaar, de slet,
hij laat ze tronen in de opperzaal.
Wat moet dat met die man uit Nazareth.
Hij roept maar wat, het is een grof schandaal.

De nette jongeman krijgt op zijn ver.
Wat zegt hij toch, wat is dat voor een taal.
Het wordt hier revolutie tot en met
en onvoorspelbaar anders allemaal.

Wat keert hij, die man uit Nazareth.
De lammen dansen, dat is abnormaal,
de armen krijgen alles bij zijn wet,
hij weegt de dingen op hun eigen schaal.

Het is het ideaal van een pamflet,
het is van elders, het is niet legaal.
Daar is hij weer, die man uit Nazareth,
en het moet anders, anders allemaal.

Amen.


Amen.