Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Opgestaan, plaats vergaan?
titel : Opgestaan, plaats vergaan?
datum : 24 september 2017
volledige onderwerp : Lucas 14 : 23
Download deze preek.

Preek Over Lc.14,23 (Den Ham, 24-9-17)

Votum en groet
Ps.3:2a,2b,3b (melodie: Gez.47)
10 geboden
Ps.147:1,2
Gebed
L Luc.14:1-24
LB 157A (melodie: Ps.3)
Kindmoment (door Hillegonda Dronkert)
T Luc.14,23
Preek
Ps.23 (NB)
Dankzegging en voorbede
Collecte
LB 769:1,4,5
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Voor de afscheidsdienst in mijn eerste gemeente waren allerlei gasten uitgenodigd. De kerkenraad van mijn nieuwe gemeente liet zich vertegenwoordigen door een mooie brief. Ze wensten de kerk sterkte toe, nu zij zonder predikant verder moest, en zegen over het aanstaande beroepingswerk. Een paar week later zou de intrededienst in mijn nieuwe gemeente plaatsvinden. Bij de voorbereidingen vroeg de scriba me of ik wist of er ook een afvaardiging uit mijn eerste gemeente zou komen. Want die had niet gereageerd op de uitnodiging. Ik antwoordde dat er zeker een afvaardiging zou komen. “Maar waarom laten die mensen dan niets van zich horen?” “Omdat ze komen. Dat spreekt voor hen vanzelf”. “Maar met hoeveel mensen komen ze dan?” “Geen idee. Eén auto, twee auto’s vol?” “Maar ik moet toch weten hoeveel plaatsen ik moet reserveren?” “Dat is hun probleem niet. Ze gaan ervanuit dat als ze uitgenodigd worden er ook wel plaats voor hen zal zijn”. De scriba was een lieve man. Maar nu schudde hij zijn wijze hoofd. Met zulke mensen kon je toch niet werken?

Deze herinnering kwam bij me boven toen ik nadacht over Jezus’ gelijkenis over de uitnodigingen voor het feest. Maar ik ben er nog niet over uit wat het verband met de gelijkenis is. Misschien is er wel helemaal geen verband. Zo eenduidig zijn gelijkenissen namelijk niet. Als je meteen meent te weten wat Jezus ermee bedoelt, heb je het verhaal dus niet begrepen. Als zijn leerlingen vragen wat Hij met zo’n gelijkenis bedoelt, antwoordt Jezus: “Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van God kennen, maar de anderen krijgen alles in gelijkenissen te horen, opdat ze zien zonder inzicht en horen zonder iets te begrijpen (8,10). Mensen die geen moeite willen doen om Jezus te leren kennen, krijgen dus alle ruimte om Hem niet of verkeerd te begrijpen. Alleen mensen die zijn woorden in hun hart bewaren en erover blijven nadenken, zullen langzaam maar zeker ingewijd worden in de geheimen van het koninkrijk.
Daarom gaan we vanmorgen eens rustig kauwen op de gelijkenis van de uitnodigingen voor het feest. Het is aan u en jou of je de uitdaging aangaat met Jezus mee te denken.

Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit. Toen het tijd was voor het feestmaal, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles is klaar”. Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb vanavond voetbaltraining. Dus tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen”. De tweede zie: “Ik heb koekalverij. Dus tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen”. De derde zei: “Mijn vriendin viert haar verjaardag en daar moet ik beslist naar toe. Dus tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen”. De vierde zei: “We hebben een heel hectische week gehad en willen graag een avond thuis zijn. Dus tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen”. De vijfde zei: “Ik heb een toetsweek op school. Dus tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen”. Allemaal heel plausibele redenen om je voor een feest af te melden.
Misschien vind je het vreemd dat ik dat zo zeg. Want als je de gelijkenis zelf leest, lijken die verontschuldigingen eerder smoesjes. Neem nu die eerste verontschuldiging: “Ik heb net een akker gekocht die ik beslist moet bekijken”. Dat is toch een heel raar excuus? Die man wil toch niet beweren dat hij een akker gekocht heeft zonder die eerst te bekijken? Maar als hij dat wel gedaan heeft, kan het bekijken van die akker nog wel een dag langer wachten. Het is gewoon een kwestie van prioriteiten stellen. Zeg gewoon eerlijk dat je het bekijken van een akker belangrijker vindt dan je buurman een plezier te doen met jouw aanwezigheid op zijn feest.
Toch gaat dat wat te snel. Want dat excuus van die akker die nodig bekeken moet worden, komt zó uit de wet van Mozes weglopen. Daarin wordt een aantal redenen genoemd op grond waarvan iemand vrijstelling van militaire dienst kan krijgen: “Wie een wijngaard heeft geplant en nog niet zelf de eerste vruchten heeft kunnen plukken, mag naar huis terugkeren, anders plukt een ander die als hij in de strijd sneuvelt” (Deut. 20,6). Diezelfde vrijstelling geldt voor iemand die net getrouwd is. “Hij mag thuisblijven en zijn vrouw gelukkig maken” (Deut.24,5).
Toch kan ik me voorstellen dat je denkt: “Maar als God zelf je uitnodigt voor een eeuwig leven in zijn nabijheid, dan sla je die uitnodiging toch niet af omdat je net een wijngaard gekocht of een vrouw getrouwd hebt? Natuurlijk moet je in dit aardse leven keuzes maken. Je kunt niet alles en hoeft ook niet alles. Maar als het om het eeuwige leven gaat, ligt het toch anders?”
Dan vullen we alleen in wat Jezus openlaat. Hij heeft gewoon over ‘iemand’ die een groot feestmaal wilde geven. Misschien speelt ons parten dat er in het evangelie van Matteüs een andere versie van deze gelijkenis bewaard is gebleven. Daarin gaat het over een koning die een bruiloftsfeest geeft voor zijn zoon (Mt.22,2). Jezus zegt er bovendien bij dat het koninkrijk van de hemel te vergelijken is met die koning. Maar Jezus heeft het hier nergens over God en zijn koninkrijk. Niet Hij, maar een van zijn tafelgenoten roept uit: “Gelukkig al wie deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God”.
Op die uitroep reageert Jezus met zijn verhaal over iemand die een groot feestmaal wilde geven en tal van gasten uitnodigde. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat Jezus het helemaal met die tafelgenoot eens is geweest: “inderdaad, een groter geluk dan deel te mogen nemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God is er niet”. Maar waarom vertelt hij dan vervolgens een verhaal waarin iedereen feestelijk voor de uitnodiging bedankt? Omdat zo blijkbaar gaat. Natuurlijk is het grootste geluk dat je kan overkomen dat je deel mag nemen aan de maaltijd in Gods koninkrijk. Toch slaan de mensen die het daar roerend mee eens zijn de uitnodiging voor die maaltijd af. Hoe kán dat?
Zou het misschien daaraan kunnen komen dat die uitnodiging voor het koninkrijk van God zich aandient als een van de vele uitnodigingen die je ontvangt? Jezus vertelt een verhaal waarin geen God voorkomt en zo beleef je je eigen verhaal misschien ook wel. Natuurlijk, ook jij ontmoet mensen die zeggen dat ze je in Gods naam goed nieuws mogen brengen. Maar of dat ook echt zo is, dat moet je maar van ze aannemen. Misschien wil dat nog wel aannemen ook, maar betekent dat dús dat je meteen wat met dat goede nieuws moet?
Neem die boer die zich afmeldt voor een kerkenraadsvergadering omdat hij koekalverij heeft. Meldt die zich daarmee af voor het koninkrijk van God? Als hij zich nu elke keer afmeldde met de ene keer deze en de andere keer die goede reden, dan zou je dat misschien kunnen gaan denken. Maar dan nog zou onze reactie zijn dat die boer beter ontheffing uit zijn ambt van ouderling kan aanvragen, en de kerkenraad zou die ‘gehoord de redenen’ ook verlenen. Ik moet de eerste kerkenraad nog tegenkomen die zo’n broeder vermaant omdat bij hem het leven hier op aarde altijd voor het leven in het koninkrijk van God gaat.
Waarom fronsen we dan wel onze wenkbrauwen als een jongere niet op catechisatie kan komen omdat hij voetbaltraining heeft? Als die jongere nu zou zeggen dat hij trainen voor een voetbalwedstrijd belangrijker vindt dan geloven in God, dan was dat misschien terecht. Maar ik heb jongeren bijna nooit horen zeggen. Natuurlijk is geloven in God het belangrijkste. Maar dat hoeft toch nog niet te beteken dat er geen ruimte meer is voor sport en ontspanning? Als er een middenweg gevonden zou kunnen worden, waarop het een met het ander samengaat, is dat toch veel beter? En gelukkig kan zo’n middenweg ook vaak wel gevonden worden. Maar zelfs als dat een seizoen niet lukt, hoef je daar toch niet meteen een drama van te maken? Laat staan dat je er een probleem van zou moeten maken als iemand een keer overslaat omdat hij het zo druk op school heeft. Als je verder trouw komt, kun je toch best een keer missen? Wie zegt dat die ene keer net die ene keer is waar Jezus het over heeft in zijn gelijkenis?

Dat zegt inderdaad niemand. Zelfs Jezus niet. Hij zegt wel wat anders: “Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: ‘Ga vlug de stad in en brengt uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen’”.
Reageert die heer des huizes nu zoals je kon verwachten? Er staat dat hij ontstak in woede. Als die Heer des huizes God is, kun je die reactie misschien wel begrijpen. Nodigt Hij mensen uit voor de maaltijd in zijn koninkrijk, bedanken ze een voor een. Toch denk je misschien ook wel: “Zo’n woedende reactie verwacht je toch eerder van een mens dan van God”. Dan heb ik het er nog niet eens over dat God die alles weet toch ook wel had kunnen zien aankomen dat niemand zijn uitnodiging zou aannemen. Maat God die in woede ontsteekt? Op mij? Waarom dan? Omdat ik verhinderd was op het moment dat Hij zei: “Kom, want als is klaar”? Waarom heeft Hij mij dan niet van tevoren laten weten wanneer alles klaar was? Dan zou je die dag vrij kunnen houden. Maar volgens de gelijkenis heeft die heer des huizes eerst alleen maar een uitnodiging uit laten gaan waarin geen datum genoemd werd.
Natuurlijk reageer je positief op zo’n uitnodiging. Als het even kan, ga je er graag op in. Maar dat kan toch niet betekenen dat je je akker, je ossen, je vrouw zou moeten laten voor wat ze zijn op het moment dat het bericht komt: “Kom nu, want alles staat klaar”? Zo werkt dat toch niet? In het gewone leven in elk geval niet. Of werkt het bij God wel zo? Een vraag die zich naar aanleiding van het verhaal dat Jezus vertelt wel aan je opdringt, maar waarop het antwoord in datzelfde verhaal niet te vinden is. Want dat speelt zich niet in de hemel, maar op aarde afspeelt. Daarom moeten wij maar raden wat de diepere bedoeling wel en niet is. Omdat we het met het verhaal moeten doen, gaan we er toch nog maar eens naar kijken.

De heer des huizes ontstak in woede en “liet de stad van de mensen die zijn uitnodiging afgeslagen hadden in brand steken”. Ho, dat staat er dus niet. Hierin elk geval niet. Bij Matteüs wel. Die versie is makkelijker uit te leggen. Want die stad die in brand gestoken wordt, dat moet Jeruzalem wel zijn. En inderdaad, Jeruzalem is in het jaar 70 na Christus verwoest. Met die kennis kun je Jezus’ gelijkenis in de tijd plaatsen. Niet in onze tijd, en dat is een hele geruststelling. Jezus vertelt in zijn gelijkenis wat er gebeurt als de meerderheid van de Joden niet tot geloof in Jezus wil komen: dan gaat Hij met het evangelie naar de heidenen.
En inderdaad, als je de gelijkenis die Matteüs opgeschreven heeft leeft, klopt dat precies. De koning zei tegen zijn dienaren: “Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest, maar de gasten waren het niet waard genodigd te worden. Ga daarom naar de toegangswegen van de staf en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt” (Mt.22,8.9). Maar als je weer terugkeert naar Lucas, word je misschien toch wat onrustig. Want daar zegt de heer des huizes: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden”. Want wie zijn dat, die armen en kreupelen en blinden en verlamden? Zijn wij dat? In het verhaal van Matteüs kun je jezelf makkelijk terugvinden. Daar gaat het gewoon over “iedereen die je tegenkomt”. Of zou het kunnen zijn dat in het verhaal dat Lucas vertelt wij niet de mensen zijn die in de tweede ronde uitgenodigd worden, maar de mensen die in de eerste ronde uitgenodigd zijn, maar de uitnodiging niet aannamen? Gaat het hier niet om Joden die niet willen geloven, maar over christenen die niet willen geloven?
Vorige week stond de morgendienst in het teken van de zending. “Geef het vuur door”, was het thema. Maar na afloop bleef één vraag me maar bezighouden: Wie moet het vuur doorgeven aan wie? Wie aan hen of zij misschien aan ons? In het filmpje dat na de preek vertoond werd kwamen twee mannen aan het woord die tot geloof in de Here Jezus gekomen waren. Het waren mannen die niet eens konden lezen of schrijven. Ze moesten het doen met tekeningen bij de Bijbel en met mp3-spelers waarop stukken uit de Bijbel voorgelezen worden. Stukken, want de hele Bijbel is er nog lang niet in hun eigen taal. Toch is er met die eenvoudige middelen een wereld van redding voor hen opgegaan. De blijdschap waarmee ze daarover spraken, het heeft me diep ontroerd. Maar ik vroeg me ook af: Hoe kan het dat er hier eens steeds groetere groep oudere jongeren is, die jarenlang onderwijs in de lees van de Bijbel gehad heeft, op een manier waar ze op Papoea alleen maar van kunnen dromen, maar het nog steeds niet nodig vinden de uitnodiging aan te nemen die God zelf je doet?
Ik zou je willen vragen: Herken je iets van de verontschuldigingen van de mensen uit Jezus’ gelijkenis? Ze hebben allemaal dingen die niet kunnen wachten: een akker, vijf span ossen, een vrouw. Maar kan God dan wel wachten? Volgens mij zijn er best veel mensen – dus niet alleen jongeren! – die denken dat God inderdaad wel kan wachten. Hij is er immers altijd voor je? Zeker. Maar betekent dat dus dat Hij er voor je moet zijn als jij een keer tijd hebt?
Jezus zet daar in zijn gelijkenis een vraagteken bij. De heer des huizes stelt het feest niet uit om dezelfde mensen nog een keer uit te nodigen. Nee, hij nodigt anderen uit die wél willen komen. Mensen die Hem helemaal niet kennen. Mensen die helemaal geen tijd hebben. Want als de tweede ronde uitnodigingen geweest is, is de feestzaal nog steeds niet vol. Toch zegt de heer: “Ga vlug naar de wegen en de akkers buiten de stad en nodig iedereen met klem uit, want mijn huis moet vol zijn”.
In die merkwaardige reactie schijnt iets door van hoe God is. Wie zegt, als er op een verjaardag nog stoelen vrij zijn: “Pluk de mensen maar van de straat, haal ze maar uit hun werk, want mijn huis moet vol zijn”? Misschien vind je het jammer als sommigen van je vrienden niet op je verjaardag kunnen komen. Maar aan de andere kant, op zo’n massaal feest praat je met niemand. Een klein feestje is vaak nog wel zo gezellig als een groot feest. Maar daar is Gods liefde te groot voor. Hij moet en zal die met anderen delen. Als Hij zijn liefde niet kwijt kan aan Nederlanders, dan aan Papoea’s. “Want mijn huis moet vol zijn”.

Ik vraag me naar aanleiding van die reactie af wat dat ons als kerk te zeggen heeft. Want doen we met de lege plekken in de kerkzaal, in het catechisatielokaal, in de woonkamer waar bijbelstudie gehouden wordt?
Als Jezus deelneemt aan een maaltijd in het huis van een Farizeeërs, zijn alle genodigden van de partij. Ja, er komt zelfs iemand binnen die niet uitgenodigd was: iemand die lijdt aan een of andere enge ziekte. Is die nu welkom of niet? Volgens Jezus zou die man juist meer dan welkom moeten zijn. Want als Hij om zich heen kijkt, ziet allemaal gezonde en welvarende mensen. Maar waar zijn de armen, de kreupelen, de verlamden en de blinden?
Wat zou je ervan vinden als iemand die overduidelijk niet bij onze gemeente hoort ineens op de plek in de waar jij voeger altijd zat? Of op die plek die die ene keer leeg was, omdat de dienst niet op jouw tijd en in jouw stijl gehouden werd? Misschien moet je dan van deze gelijkenis leren dat het koninkrijk van God geen gereserveerde plekken heeft. Opgestaan, plaats vergaan. Voor jou een ander.
Ho even, klopt dat wel met de leer van de kerk? Geen gereserveerde plekken? Hoe moet ik dat rijmen met de gereformeerde leer va de uitverkiezing?
Geen idee. Ik weet wel dat de leer van de uitverkiezing bedoeld is om mensen die zich afvragen of Gods liefde wel voor hen is gerust te stellen. Maar die leer is niet bedoeld om mensen voor wie het geen vraag is of het wel voor hen is – natuurlijk is het voor mij – in hun valse gerustheid te bevestigen. Als je met de gereformeerde leer in slaap valt, moet je je gauw door Jezus laten wakker schudden. Het kan niet zo zijn dat de kerk je de schijnzekerheid bijbrengt dat je altijd nog wel een keer voor God kunt kiezen, omdat Hij er toch wel blijft. Want Hij blijft niet, als Hij in jouw hart het ‘nee’ gehoord heeft, dat je natuurlijk nog niet uitspreekt.

We moeten ons als kerk niet laten verlammen door het stilzwijgende ‘nee’ dat je bij ouderen en jongeren tegenkomt. We moeten juist in de beweging komen om Gods liefde te brengen bij mensen die er wel op zitten te wachten, ook al zijn ze zich daar nog niet van bewust. Want Jezus zegt: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en nodig iedereen met klem uit, want Gods huis moet vol zijn”.

Amen.