Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Welkom in Jezus' familie
titel : Welkom in Jezus' familie
datum : 9 februari 2014
volledige onderwerp : Marcus 03 : 33 - 35
Download deze preek.

Preek over Mc.3,33-35 (GZR, 19-2-06; herzien voor Den Ham, 9-2-14)

Ps.78:1,2
Lied 344:1,2,3
Lied 335 (rond dopen Femke Veurink)
L Mrc.3,20-35
Ps.22:4,12
T Mrc.3,33-35
Ps.27:5,6,7
Lied 455 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Familie. Als het goed is, is dat één van de mooiste dingen die je kunt hebben. Je hebt iets met elkaar dat zich moeilijk in woorden laat uitdrukken. Ja, een bloedband. Maar wat is dat? Toch zoiets als dat je verbondenheid met elkaar je in het bloed zit. Het zijn nu eenmaal je vader en moeder, je broers en zussen. Zelfs als je helemaal niet op elkaar lijkt, je mag toch van ze verwachten dat ze er voor je zijn. Zo’n band met elkaar hebben hoeft lang niet altijd te betekenen dat je elkaar zoveel ziet. Zeker wanneer de kinderen over het hele land uitgewaaierd zijn, komt daar vaak maar weinig van. Toch, als je elkaar dan weer thuis treft, pak je de draad ook zo weer op. Fijn is dat.
Maar als het niet goed is, is familie één van de pijnlijkste dingen die je kunt hebben. Als je zelfs van je vader en moeder, je broers en zussen niet het gevoel krijgt dat je er mag zijn. Als zelfs zij je geen ruimte geven om jezelf te zijn of je bescherming bieden als je niet jezelf bent. Je vader die nooit tevreden is met je schoolprestaties. Je moeder met haar gezeur van: “Eet je wel goed?”. Je broers en zussen die alleen maar met zichzelf bezig zijn. Soms kun je achteraf nog zeggen dat ze het wel goed bedoeld zullen hebben, ook al voelde je daar toen niks van. Maar net zo vaak blijven mensen de littekens van ongezonde familieverhoudingen hun leven lang bij zich dragen.
Familie. Je kunt niet zonder. Daarom geeft God in zijn woord ook geboden aan mensen die nog wel familie hebben om er zuinig op te zijn: geboden voor kinderen om eerbied te tonen voor hun ouders (Ex.20,12) en geboden voor ouders om hun kinderen niet verbitterd te maken, maar ze te vormen en vermanen bij het opvoeden zoals Hij het wil (Ef.6,4). En als je wel zonder familie zit? Dan moeten de mensen om je heen een vader en een moeder, een broer of een zus voor je zijn. Hoe vaak gebiedt God in zijn woord immers niet op te komen voor weduwen en wezen? Ja, juist voor hen stelt Hij Zich garant, als een vader voor wezen en een man voor weduwen (Ps.68,6).
In het evangelieverhaal dat vanmorgen centraal staat ontmoeten we de Here Jezus als de mens die ook de ervaring kent dat familiebanden kunnen knellen. Maar we ontmoeten Hem tevens als de God die wezen en weduwen een nieuwe familie geeft.

Welkom in Jezus’ familie!
1. Dat zegt Jezus je aan
2. Dat zegt Jezus je voor

1. Jezus was weer thuis. Maar wel na een veelbewogen tournee door Galilea. Zijn optreden had niet alleen bijval geoogst, maar ook verzet. Bijvoorbeeld toen Hij een man niet alleen van zijn verlamdheid genas, maar hem ook zijn zonden vergaf. De schriftgeleerden die erbij waren hadden dan ook meteen hun oordeel klaar: “Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven!” (2,7). Of toen zijn leerlingen op sabbat hun honger stilden door met graankorrels die ze in de velden geplukt hadden. Dat mocht toch helemaal niet op sabbat? Maar Jezus vergeleek Zichzelf met koning David die toen Hij honger had at van de toonbroden in het huis van God, terwijl dat brood alleen door de priesters gegeten mocht worden (2,25.26). Wie dacht hij wel dat hij was?
Zijn familie begon zich zorgen te maken. We lezen in vers 21 zelfs: “Toen zijn verwanten hoorden dat hij weer thuis was, gingen ze op weg om hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had hij zijn verstand verloren”. Het is wel heel wrang dat Marcus meteen daarna schrijft dat de schriftgeleerden tot hetzelfde oordeel gekomen waren: “Hij is bezeten door Beëlzebul, de vorst der demonen”. Het enige verschil is dat Jezus’ familie Hem niet op kwam halen met de bedoeling Hem uit de weg te ruimen (vgl. 3,6), maar om Hem in bescherming te nemen tegen zichzelf. Zij familie geloofde weliswaar nog niet in Hem, maar hield nog wel van Hem. “Dit loopt zo nooit goed af met onze Jezus. We kunnen Hem beter uit de wind houden, anders doen ze Hem nog wat aan”. Je krijgt zelfs de indruk dat zijn moeder Maria zich er maar zorgen over maakte dat Jezus zelfs geen kans kreeg om rustig te eten, door al die mensen die zich om Hem heen verdrongen. Meteen daarna staat er immers dat zijn verwanten op weg gingen toen ze “hiervan” hoorden. Waarvan? Dat Hij weer thuis was en zich zo’n grote menigte verzamelde, dat Jezus en zijn leerlingen zelfs de kans niet kregen om te gaan eten. Je hoort Maria denken: “Jongen, eet je wel goed? Krijg je je rust wel? Laat ons je nu maar even lekker verwennen, dan zien we daarna wel weer verder”.
De scène die dan ontstaat is best wel ontroerend. Want uiteraard was er voor hen geen doorkomen aan. Wat doet Jezus familie dan? Onze vertaling zegt dat ze “iemand” naar binnen stuurden om Hem te halen. Maar zou die iemand er dan wel doorheen komen? In het Grieks staat niet meer dan: Ze stuurden om hem te halen. Het ligt veel meer voor de hand dat ze geen boodschapper stuurden, maar een boodschap. Hoe? Door het mondeling door te laten geven.
Een scène die me wat doet denken aan het slot van de film Crocodile Dundee. Een meisje beseft dat ze de liefde van haar leven heeft laten lopen. Ze gaat hem achterna en ziet hem heel in de verte op het perron van de metro staan. Maar ze kan niet bij hem komen, omdat het perron vol staat met mensen. Vervolgens ontstaat er een gesprek, waarbij vragen en antwoorden doorgegeven worden door een ketting van mensen tussen dat meisje en haar geliefde. Met als climax: “I love you!”, een kreet die door elke boodschapper met groot enthousiasme doorgegeven wordt: “I love you! … I love you! … I love you!” Als die kreet hem bereikt, laat de man zich door de menigte op handen naar zijn meisje dragen. Daar aangekomen sluit hij haar, onder donderend applaus in haar armen. Prachtig!
Was het zo raar geweest als het tussen Jezus en zijn familie ook zo gegaan was? De mensenmenigte zou best bereid geweest zijn ruim baan voor Jezus te maken, zodat hij zijn moeder in de armen kon sluiten. Familie gaat nu eenmaal voor. Zelfs wij voelen daar wel iets van mee. Als je ouders plotseling op de stoep staan, dan laat je hen daar niet staan, ook als hun bezoek eigenlijk niet uitkomt. Je probeert toch iets van een oplossing te verzinnen. Maar voor mensen uit andere culturen dan de Nederlandse spreekt dat helemaal vanzelf. Het is voor Nederlanders bijna niet mee te voelen hoe diep ingrijpend het voor hen was hun familie achter te laten en te gaan naar een land waar je geen familie hebt. Want je familie is alles voor je. Zo was het ook voor de mensen die zich om Jezus verdrongen. Voor hen was het niet meer dan normaal om de boodschap door te geven: “Uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken u”. Voor hen was het zelfs niet meer dan normaal geweest als Jezus dús zijn onderwijs afbrak en met zijn familie meeging.
Maar tot hun verbazing antwoordt Hij: “Wie zijn mijn moeder en mijn broers? Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder”. Even goed opletten: Hij zegt dit niet tegen zijn moeder en zijn broers, maar tegen het grote aantal mensen om Hem heen. Jezus stuurt niet via die menselijke keten een boodschap terug: “Jullie zijn mijn moeder en mijn broers helemaal niet. Dat zijn de mensen die hier binnen om mee heen staan”. Nee, zijn woorden zijn geen afwijzing van zijn familie buiten, maar een aanvaarding van zijn familie binnen. Jezus heeft niet een slechte boodschap voor de mensen buiten, maar een goede boodschap voor de mensen binnen.
Een goede boodschap voor hen die binnen zijn. Ja, je bent bijna geneigd te zeggen dat Jezus hier wat al te goed is. Al die mensen om Hem heen vormen zijn familie: broers, zusters, moeder? Is dat niet wat al te royaal? Jezus zegt toch niet voor niks dat iedereen die de wil van God doet zijn broer en zuster en moeder is? De wil van God doen, dat is toch meer dan Hem aanhoren? Zoals Jezus’ broer Jakobus schrijft na zijn bekering: “Wees geen hoorder, maar een dader van het woord” (Jak.1,22)? Zou Jezus niet wat onderscheidenlijker moeten spreken over wie zijn familie is en wie niet?
Toch doet Hij dat niet en daarom moeten wij dat ook niet doen. Jezus kijkt de mensen aan die in een kring om Hem heen zitten en zegt, zonder mitsen en maren: “Jullie zijn mijn moeder en mijn broers”. En daarom zeg ik ook, zonder mitsen en maren, tegen u en tegen jou: Jullie zijn allemaal Jezus’ familie: zijn moeder, zijn broer, zijn zus. Ook u die hier slechts kwam omdat er dopen in de familie was. Ook jij die hier slechts zit omdat je van je ouders mee moet. Want door samen te komen rond evangelie van Jezus Christus doe je de wil van God. Dit is je plek. Hier ben je thuis. Zo mag Hij het zien. Als het dan geen bewuste keuze van u of van jou was om vandaag naar de kerk te komen, laat het dan vanaf nu een bewuste keuze worden. Laat het toch tot je doordringen hoe liefdevol Jezus je aanspreekt, alleen om het feit dat je er bent. Jezus is niet iemand die eerst een paar zondagen de kat uit boom kijkt voor Hij zegt: “Blij dat je te zien”. Nee, Hij zegt dat meteen tegen je.
En wees nou eens eerlijk: Wat zou er vandaag te vieren zijn als Jezus zich wat gereserveerder op gesteld had? Is dat nou een bewuste keuze van Femke Veurink geweest om naar de kerk te komen? Natuurlijk niet. En toch zegt Jezus: “Jij bent mijn zusje. Waarom? Omdat Ik het zeg. Niet omdat jij met je volle verstand voor mij gekozen hebt, maar omdat Ik met mijn volle verstand voor jou gekozen heb”. Als je zelf wat zuiniger bent met de naam broer of zus van Jezus en het nog veel te vroeg vindt om Femke een zusje van Jezus te noemen, zeg je dan eigenlijk niet hetzelfde van Jezus als zijn verwanten van Hem zeiden: “Hij heeft zijn verstand verloren”?

2. Jezus kijkt de mensen die in een kring om Hem heen zitten aan en zegt ze de blijde boodschap aan: “Jullie zijn mijn moeder en mijn broers”. Maar Jij zegt het ze ook voor, met de bedoeling dat ze het Hem nazeggen. Wat zeg je dan? Dank u wel? Ook dat. Maar het mag nog wel wat persoonlijker: “Here Jezus, dan ben ik dus uw broer, uw zus? Het is dat u het zegt, anders kon ik het niet geloven. Maar omdat u het zegt moet ik het wel geloven. Ik hoor dus echt bij iemand. Zelfs als ik bij niemand hoor. Ik hoor bij u en ik hoor bij uw Vader. Ik ben een kind, door God bemind, en voor geluk geschapen. Ja, zo moet het wel zijn, als ik door Jezus een Vader krijg die almachtig en eeuwig is; een Vader die nog alles kan, als ik niks meer kan; een Vader die er ook nog voor mij is, als ik er niet meer ben”. Als Femke hier is, zegt God: “Zo mag ik het zien”. Maar als Femke het Jezus nazegt: “Ik ben uw zus, wij hebben dezelfde Vader, zegt God: “Zo mag ik het horen”. Femke? Laat ieder die hier in een kring om Jezus heen zit en Hem hoort zeggen: “Jullie zijn mijn moeder en mijn broers”, het Hem nazeggen: “Amen, lieve broer. Amen, trouwe Vader”.

Toch heb ik aan één woordje uit die aanspraak van Jezus tot nu toe nog geen aandacht besteed en dat is het woord “moeder”: “Iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en móeder”. Met een beetje fantasie kun je je er nog wel iets bij voorstellen dat Jezus vrouwen die dicht om Hem heen zaten zo aansprak. Vrouwen die als een moeder voor Hem zorgden op zijn reis naar Jeruzalem. Zulke vrouwen waren er: Maria Magdalena, bij wie zeven demonen waren uitgedreven, Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van koning Herodes, Susanna, en nog tal van anderen die uit hun eigen middelen voor Hem zorgden (Lc.8,2.3). Maar zou iemand van ons nog door de Here Jezus aangesproken kunnen worden als zijn moeder?
Toch wel. Want als we nazeggen wat Jezus ons vóórzegt, dan moeten we dat niet alleen tegen Hem zeggen, maar ook tegen elkaar. Als Jezus ons allemaal zijn broers, zusters en moeder noemt, dan zijn we dat niet alleen van Hem, maar ook van elkaar. Voor de één mag je zijn als een zuster, maar voor de ander als een moeder. Als je samen kinderen van één Vader bent, ga je dus echt een familie vormen.
We zijn niet meer zo gewend elkaar als broeders en zusters aan te spreken. Alleen als het in de kerk even heel officieel gaat. En zelfs dan werkt het soms op je lachspieren. Maar zou dat ook niet komen omdat we helemaal niet het gevoel hebben dat we familie van elkaar zijn? Wie kiest er nog zo radicaal als Jezus voor de familie van zijn Vader in de hemel?
Dat kan een heel pijnlijke keuze zijn. Ik heb eens meegemaakt hoe een meisje dat tot geloof gekomen was maar niet kon besluiten zich te laten dopen, omdat ze bang was haar familie kwijt te raken. Een ouderling meende haar ook nog eens onder druk te moeten zetten met het woord van Jezus: “Wie vader of moeder liefheeft boven mij, is mij niet waardig” (Mt.10,37). Hij had wel gelijk, maar het was wel zo bemoedigend geweest als hij dat andere woord van Jezus aangehaald had: “Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie, zal het honderdvoudige ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, en in de tijd die komt het eeuwige leven” (Mc.10,29-31). Maar dan moet die nieuwe familie wel klaarstaan, als iemand door zijn keuze voor Jezus zijn eigen familie kwijtraakt. Ik denk daarbij ook aan hen in ons midden een veilig heenkomen gevonden hebben nadat ze hun eigen land ontvlucht waren. Zijn zij wel echt onze familie geworden? Ik heb wel mijn zorgen, als ik zie dat ook in het gastvrije Den Ham op zondag het gezin en de familie (met een kleine letter) steeds meer vóór het Gezin en de Familie (met een hoofdletter) gaan.

Als Jezus jou zijn broer of zuster of moeder noemt, zeg het Hem dan na: “Dan ben ik het vanaf nu ook: uw broer, uw zuster, uw moeder”. Als Jezus niet alleen jou, maar ook je buurman of buurvrouw in de kerk zijn broeder, zijn zuster, zijn moeder noemt, zeg dan ook tegen hem of tegen haar: “Jij bent mijn broer, mijn zuster, mijn moeder. En ik ben jouw moeder, jouw zuster, jouw broer”. Zeg dat juist tegen iemand met wie je je nog helemaal niet verwant voelt. Geef hem of haar de hand, voor je hier volgende week weer zit.

Amen.