Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Wie is mijn naaste?
titel : Wie is mijn naaste?
datum : 26 februari 2012
volledige onderwerp : Lucas 10 : 29
Download deze preek.

Preek over Lc.10,29 (Den Ham, 26-2-12)

Lied 381:1,2,4
Lied 443
L Lc.10,25-37
Ps.37:8,9,16
T Lc.10,29
Ps.112:3,4,5
Gez.172:1,3,4 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

[ppt] “Wie is mijn naaste?”, vroeg de wetgeleerde. Hij vroeg dat om zich te rechtvaardigen, staat erbij. Daarom vinden wij het maar een vervelende vraag. Die man vroeg helemaal niet wie zijn naaste was, omdat hij daar mee zat. Hij vroeg het alleen om zichzelf groot te houden. Want zijn poging om Jezus in het openbaar af te laten gaan was mislukt. Hij had gehoopt dat Jezus zou zeggen dat je in Hem moest geloven om het eeuwige leven te krijgen. Dan had hij kunnen zeggen dat dat zo toch niet in de wet van Mozes staat. Maar Jezus bleek het helemaal met de wet van Mozes eens te zijn. Inderdaad, je moet God liefhebben met alles wat in je en je moet je naaste liefhebben als jezelf. “Doe dat en u zult leven”. Dat vond die wetgeleerde natuurlijk niet leuk. Het was net of Jezus tegen hem zei: “Als je zo goed weet wat je moet doen om het eeuwige leven te krijgen, wordt het hoog tijd dat je daar eens een begin mee maakt”. Dat krijg je als je naar de bekende weg vraagt. De enige manier om zijn gezicht te redden was doen of hij helemaal niet naar de bekende weg gevraagd had. Want wie is mijn naaste dan wel? Wie moet ik dan liefhebben als mezelf? Maar door die vraag te stellen plaatste hij zichzelf in de positie van leerling en Jezus in de positie van meester. Nu moest hij nog langer naar Jezus luisteren. Beleefd hoorde hij het verhaal van de barmhartige Samaritaan aan. Maar ondertussen dacht hij alleen maar: “Hoe kom ik hier weg?”
Omgekeerd kan het best zijn dat wij graag luisteren naar dat verhaal over die barmhartige Samaritaan, maar ondertussen vergeten dat dat verhaal Jezus’ antwoord was op de vraag van die wetgeleerde. We zijn hooguit blij dat er op zo’n stomme vraag zo’n prachtig antwoord komt.

Maar is het wel zo’n stomme vraag? Want wie is dan úw naaste? Kunt u die vraag dan wel zomaar beantwoorden? Weet jij wel meteen te zeggen wie je naaste is? Als dat zo’n makkelijke vraag is, kan ik hem ook wel aan de kinderen stellen. Jongens en meisjes, als ik jullie vraag: “Wie is jouw naaste?”, wat zeg je dan? Best wel een moeilijk vraag. Want wat betekent dat woord ‘naaste’? Is je naaste degene die naast je zit op school of degene die naast je woont in de straat? Dan is je naaste dus je buurman of buurvrouw. Moet je dus je buurman of buurvrouw liefhebben als jezelf? Dat klinkt wel een beetje vreemd. Toch staat het zo wel in de Engelse Bijbel: [ppt] “Love your neighbor as yourself”. Neighbor. Dat woord kennen we ook in het Twents: noaber. Zo wordt in Egede het noaberschop nog in ere gehouden. Als er iemand in de buurtschap gestorven is, moet de noaste noaber de andere noabers op de hoogte stellen. Ook dragen de noabers de kist bij de begrafenis. Toch zou het voor je gevoel niet kloppen, wanneer je in het Twents je noabers moest liefhebben als jezelf. Dat kan toch niet Gods bedoeling zijn? Dat je alleen je naaste buren moet liefhebben als jezelf? In de Twentse Bijbel wordt het woord ‘naaste’ dan ook niet vertaald met ‘noaber’. Dat zou een verkeerd beeld oproepen. Daarom staat er: [ppt] “Heb leef, wel ow ’t nöagste is, net zoas owzölf”. Volgens mij betekent dat: Heb lief als jezelf wie je het meest na staat.
Dat lijkt helemaal vreemd. Moet je hem of haar liefhebben die je het meest na aan het hart ligt? Dat strijdt toch met Jezus’ opdracht om zelfs je vijanden lief te hebben? Je naaste, dat is toch gewoon iedereen? Het gaat Jezus er in het verhaal van de barmhartige Samaritaan toch om dat je je naaste niet voor het uitkiezen hebt? Je mag niet doen wat die priester en die leviet deden: Zij zagen het slachtoffer liggen, maar liepen met een boog om hem heen. Nee, je moet doen wat die Samaritaan deed. [ppt] Hij kreeg medelijden, toen hij die voor dood op zijn weg zag liggen. Hij kwam van zijn ezel af, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een herberg. Daar mocht het slachtoffer op zijn kosten blijven, tot hij weer beter was. Oftewel: Voor die Samaritaan was het geen vraag wie zijn naaste was. Ook al was die man die daar voor dood op de weg lag een Jood, die hem wel kon wegkijken uit Samaria, op het moment dat je iemand die je vijand zou moeten zijn halfdood op straat ziet liggen, krijg je toch medelijden met hem. Je kunt zo’n man toch niet laten creperen? Ja, in theorie misschien wel. Als jou gevraagd werd wat jij als Samaritaan zou doen wanneer je een halfdode Jood in de berm zag liggen, dan zou je het waarschijnlijk wel weten. Je zou hem mooi laten liggen. Misschien zou je zelfs zeggen: “Hij zou van mij een schop kunnen krijgen”. Maar zulke stoere praat komt niet bij je op, als je deze stakker ziet liggen. Dan is hij niet langer een Jood in het algemeen, maar een medemens in het bijzonder. Dus natuurlijk help je zo’n man! Dat zou jij toch ook doen, m’n broeder of zuster?
Nou, dat mag ik hopen. Maar zo natuurlijk is dat niet. Want die priester en die leviet deden het niet. Misschien hadden ze daar zelfs wel een goede reden voor. Want als die man al gestorven was, zouden ze door het contact met een dode onrein worden. Jammer dat er in die tijd nog geen mobieltjes waren. Dan hadden ze vast 1-1-2 wel gebeld. Tenzij die man overduidelijk een Samaritaan was. Dan hadden ze misschien een filmpje van hem gemaakt en op YouTube gezet. Zulke filmpjes zijn er genoeg. Verstuurd door leerlingen die geen medelijden hebben met een leraar die geen orde kan houden. Dus zo logisch is het niet dat je met ontferming bewogen bent over iemand die ik de hoek zit waar de klappen vallen. Ook al kent iedereen hier waarschijnlijk het verhaal van de barmhartige Samaritaan, dat betekent nog niet dat iedereen zich dus ook als die barmhartige Samaritaan gedraagt. Niet voor niets sluit Jezus het verhaal af met de woorden: “Doet u dan voortaan net zo”.
Maar is dit verhaal dus een illustratie bij het woord van Jezus: “Heb je vijanden lief”? Nee, het is een antwoord op de vraag van die wetgeleerde: “Wie is mijn naaste?” Die vraag blijft onbeantwoord, als de betekenis van het verhaal van de barmhartige Samaritaan zou zijn, dat je barmhartig moet zijn voor ieder die op je weg geplaatst wordt. Zo algemeen heeft die wetgeleerde zelf in elk geval het verhaal niet opgevat. Want Jezus vraagt tot slot niet: [ppt] “Wie is dus je naaste?” En de wetgeleerde antwoordt niet: “Iedereen die op mijn weg geplaatst wordt”. In dat geval zou iemand die voor dood langs de weg ligt dus je naaste kunnen zijn. Maar de wetgeleerde geeft een heel ander antwoord, omdat Jezus een heel ander vraag stelde. De wetgeleerde antwoordt: [ppt]“De man die medelijden met hem getoond heeft”. Omdat Jezus vroeg: [ppt] “Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?” De wetgeleerde mocht kiezen uit drie naasten: de priester, de leviet en de Samaritaan. Wie de naaste dus ook was, het was in elk geval niet het slachtoffer van de rovers. Nee, Jezus vraagt: “Wie is de naaste van het slachtoffer geworden”. Daarop is maar één antwoord mogelijk: die Samaritaan. Maar dat kan die wetgeleerde niet over zijn lippen krijgen. Daarom zegt hij: “De man die medelijden met hem heeft getoond”.
Daarom keer ik toch terug naar die, op het eerste gehoord, maar vreemd klinkende Twentse vertaling: “Heb leef, wel ow ’t nöagste is, net zoas owzölf”, heb wie je het meest na staat lief als jezelf. Om zichzelf schoon te praten, vraagt de wetgeleerde: “Mer wel is mie dan ’t nöagste?”, wie staat mij dan het meest na? Als Jezus het verhaal van de barmhartige Samaritaan verteld heeft, vraagt Hij: “Wel van dee dree steet der now ’t nöagste biej den man, den in de haande van de rovers vallen is?”, wie van die drie staat die man die in de handen van de rovers gevallen is nu het meest na? En de wetgeleerde antwoordt: “Den barmhertig veur um wes hef”, die barmhartige voor hem geweest is.
Voelt u wel, broeders en zusters, dat het verhaal van de barmhartige Samaritaan dus eigenlijk helemaal niet gaat over de vraag voor wie je nu precies wel en niet een naaste moet zijn? Die vraag kun je eindeloos over discussiëren, zolang je zelf niet om hulp staan te springen. Maar als je voor dood langs de weg ligt, valt er over die vraag niks te discussiëren. [ppt] Je naaste, dat is hij die medelijden met je heeft, bij je neerknielt en je wonden verzorgt. De wetgeleerde weet ineens wel wie zijn naaste is, als hij zich moet verplaatsen in die man die daar voor dood langs de weg van Jeruzalem naar Jericho lag: “De man die medelijden met hem heeft getoond”.

Maar zijn eigen antwoord zal hem ook tot nadenken gestemd hebben. Want die man die voor dood langs de weg van Jeruzalem naar Jericho, die had een naaste. Een Samaritaan die zich over hem ontfermde. Misschien dacht die wetgeleerde stiekem ook nog wel: “Blij dat ik niet zo’n naaste heb”. Maar dan zal hem toch ook meteen de gedachte bekropen hebben: [ppt] “Maar wat voor naaste heb ik dan wél? Heb ik wel iemand die zich over mij ontfermt? Is er ooit wel eens iemand voor mij van zijn voetstuk gestapt, omdat hij medelijden met me had? Of is die Jezus uit Nazaret dat aan het doen? Neerknielen bij mensen en hun wonden verzorgen? Wij, Joden, hebben hem zelfs wel eens voor Samaritaan uitgescholden (Joh.8,48). Krijg ik dan nu een koekje van eigen deeg? Ben ik het slachtoffer uit het verhaal? Is Hij de Samaritaan uit het verhaal? Maar waarom zou iemand medelijden met mij moeten hebben? Ik ben toch niet zielig of zo? Wat moet ik met medelijden? Mij mankeert toch niets? Maar volgens Jezus heb ik dan ook geen naaste. Ik heb wel broers en zussen. Ik heb ook broeders en zusters. Maar zouden die zich over mij ontfermen als ik eens in de knoei kwam? Of lopen ze dan met een boog om me heen? Weten ze niet wat ze met me aanmoeten, omdat ze nooit aan me gemerkt hebben dat ik hen nodig had? Was ik altijd degene die zíj nodig hadden? De man op wie je altijd een beroep kon doen, maar die nooit een beroep op anderen deed? Ik wilde altijd wel graag naaste zijn. Maar als je me vraagt of ik wel een naaste heb?”
Ik denk dat die wetgeleerde in verwarring naar huis gegaan is. Om zichzelf groot te houden had hij Jezus gevraagd: “Wie is mijn naaste?” Maar nu had hij een antwoord in de mond gelegd gekregen dat hem heel klein maakte. “Wie is mijn naaste? Niemand. Ik heb geen naasten. Want niemand heeft ooit medelijden met mij hoeven tonen”. Maar misschien raakt u ook wel wat in de war van mijn uitleg van het verhaal van de barmhartige Samaritaan. U had verwacht antwoord te krijgen op de vraag voor wie u barmhartig moet zijn. Maar in plaats daarvan krijgt u de vraag terug: [ppt] Wie is er barmhartig voor jou?
Toch denk ik dat er ook mensen zijn die die vraag wel kunnen beantwoorden. Omdat er iemand was die zich over je ontfermde, toen je het moeilijk had. Als mijn moeder vroeger de kerst- en nieuwjaarskaartjes schreef, zei mijn vader altijd tegen haar: “Denk erom dat je er ook een stuurt naar Jan Nijboer”. Toen ik hem eens vroeg wie Jan Nijboer wel niet mocht zijn, kwam het verhaal. Mijn pake was door een tragisch ongeval om het leven gekomen. Zes jaar voordat er weduwenpensioen kwam. Vanuit de kerk kwamen er wel goede adviezen. De wijkouderling zei: “Frou De Jong, jo moatte it spul ferkeapje”. Mijn beppe moest het keuterboerderijtje dus maar verkopen. Maar toen ze vroeg: “Helpt u mij dan?”, zei de ouderling verschrikt: “Néé!” De rooie buurman zei niks. Als zijn arbeiders op het land bezig waren, namen ze dat hoekje van vrouw De Jong gewoon even mee. Daar werd verder niet over gepraat. Dat gebeurde gewoon. Zes jaar lang. Wie van deze twee is volgens u de naaste van mijn Beppe geworden? Op die vraag is slechts één antwoord mogelijk: “De man die medelijden met haar heeft getoond”. Een pijnlijk antwoord. Want niet die gereformeerde ouderling, maar die rooie buurman was de naaste van mijn Beppe geworden. Toen zei Jezus: [ppt] “Doet u voortaan net zo”.

Kunt u zich voorstellen dat ik dit de moeilijkste zin van de hele gelijkenis vindt? Want ineens lijkt de betekenis van de gelijkenis toch nog omgedraaid te worden. De bedoeling leek te zijn: “Héb jij wel een naaste?” Maar nu wordt het ineens toch nog: “Bén jij wel een naaste?” Of moet je eerst barmhartigheid ontvangen hebben, om barmhartigheid te kunnen schenken? Ik denk het wel. Zo net hebben we geprobeerd ons eens in te leven in die wetgeleerde. We hoorden hem denken: “Heb ik wel iemand die zich over mij ontfermt? Is er ooit wel eens iemand voor mij van zijn voetstuk gestapt, omdat hij medelijden met me had? Of is die Jezus uit Nazaret dat aan het doen? Neerknielen bij mensen en hun wonden verzorgen?” Ik geloof dat dat inderdaad de laag is die onder de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan verborgen ligt. Lucas heeft zijn evangelie immers geschreven met het doel dat een zekere Theofilus zou geloven dat Jezus voor hem was, wat die Samaritaan voor dat slachtoffer was. In dat evangelie komt vervolgens ook een verhaal voor over een wetgeleerde die Jezus niet wilde zien als een barmhartige Samaritaan, omdat hij zichzelf niet wilde zien als iemand die barmhartigheid nodig had. Om Jezus door de mand te laten vallen stelt hij de vraag: “Wie is mij naaste?” Maar als hij die vraag zelf beantwoordt met: “De man die medelijden getoond heeft”, valt hij zelf door de mand. Hij heeft geen naaste, omdat Hij Jezus als naaste niet wil.
[ppt] Is Jezus voor u wél degene die u het meest na staat? Ligt Hij u wel het meest na aan het hart? Kent u Hem als degene die bij u neerknielt en uw wonden verbindt? [ppt]Ik kan er niets aan doen, maar als ik die barmhartige Samaritaan hoor zeggen: “Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden”, moet ik aan Jezus denken. Hij heeft zijn leven al voor ons gegeven. Maar zelfs als Hij weer verder moet naar zijn God en onze God, naar zijn Vader en onze Vader (Joh.20,17), blijft Hij aan ons denken. Zodra Hij de gelegenheid heeft om ons weer op te zoeken, benut Hij die. Want wij mogen niets tekort komen. Zelfs in de verte wil Hij niets liever dan onze naaste zijn.
[ppt] Maar zolang Hij uitblijft, mogen wij naaste voor Hem zijn. Of zoals het formulier voor de bevestiging van diakenen zegt: “In de gemeente van Christus mag niemand ongetroost leven in ziekte, eenzaamheid of armoede”. Maar ik zou het ook zó kunnen zeggen: In de gemeente van Christus mag niemand zonder naaste zijn. Bezoekroosters voor mensen die ziek, eenzaam of arm zijn, zien er nu nog zó uit: “Wie wil de naaste zijn van broeder of zuster die-en-die”? Maar de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan leert ons dat het andersom moet. Dan staan onder een lijst met namen van mensen die ziek, eenzaam of arm zijn slechts een vraag: “Wie is mijn naaste?” Laten de mensen die op die lijst staan dan kunnen zeggen: “Degene die mij barmhartigheid heeft bewezen”.

Amen.