Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven
titel : Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven
datum : 21 januari 2007
volledige onderwerp : Zondag 19
Download deze preek.

Preek over HC zondag 19 (GZR, 21-1-07)

Ps.92:3,6,7
L Psalm 10
Ps.9:5,14-16
T HC zondag 19
Ps.10:6,7
Apostolische geloofsbelijdenis I / Gez.2:3,4 / AG III
Lied 279:1,2,4,5 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Sinds kort hebben Jakoba en ik een cd-speler in de auto. Daarvoor hebben we een paar cd’tjes gebrand met muziek die we onderweg zouden willen beluisteren. Jakoba heeft een cd-tje gemaakt met nummers van de zanger Tom Waits. Hoewel, zanger? Zijn zingen is meer grommen. Wanneer je echter de woorden bent gaan verstaan, grijpen ze je toch wel aan. Eén van de songs van Tom Waits die ik zo heb leren heet Georgia Lee. Het gaat over een zwart meisje van twaalf jaar dat gevonden is bij de oprit van een snelweg. Na misbruikt en vermoord te zijn, is ze als oud vuil gedumpt onder een boom. Het refrein van het lied dat Tom Waits ter nagedachtenis van dit zwarte meisje geschreven heeft snijdt je door de ziel:

Why wasn’t God watching?
Why wasn’t God listening?
Why wasn’t God there for
Georgia Lee?

Waarom keek God niet?
Waarom luisterde God niet?
Waarom was God er niet
voor Georgia Lee?

[Het lied van Tom Waits bracht me het lot van het meisje uit Tweede Exloërmond te binnen. Deze week werden de gruwelijke details van haar dood bekend. Voor de tweede keer in korte tijd werden we geschokt door de wrede dood van een kind. Eerst Jesse uit Hoogerheide, nu Suzanne uit Tweede Exloërmond.] Er gebeuren veel verschrikkelijke dingen in deze wereld. Maar niets treft ons zo hard als de wrede dood van onschuldige kinderen. Waarom keek God niet? Waarom luisterde God niet? Waarom was God er niet voor… (vul maar in[: Georgia Lee, Suzanne en Jesse])?
Als de cd afgelopen is en weer van voren af aan zal beginnen, zetten we hem vaak toch maar af. Is dat wel waar: dat God niet keek, niet luisterde, er niet was voor Georgia Lee en haar lotgenootjes? God greep niet in. Dat is waar. Maar of Hij dus ook niet keek, niet luisterde, er niet was? Moet je niet zeggen dat Hij er wél geweest zijn, omdat Hij wél keek en wél luisterde? Ja, waarschijnlijk wel. Maar hoe dan? Ook al gaat die cd soms uit, hij gaat ook weer aan. Want de vraag blijft.

Niet zozeer de vraag van Tom Waits, als wel de vraag van Psalm 10: “Waarom, HEER, bent u zo ver en verbergt u zich in tijden van nood?” Het doet pijn dat die vraag uit het oude testament nog niet opgelost is. Je zou zelfs kunnen zeggen dat die vraag in het nieuwe testament alleen maar pijnlijker geworden is. Want ‘de Heer’ is in het nieuwe testament meer dan een ander woord voor God. Het is God, zoals Hij Zich geopenbaard heeft in Jezus Christus. De Zoon krijgt in het nieuwe testament de naam die de Vader in het oude testament droeg: Heer. Wie is de Heer? God die de afstand tussen hemel en aarde overbrugde, die bij ons kwam en één van ons werd. Hij trok rond, weldoende en genezende allen, die door de macht van het kwaad overweldigd waren (Hnd.10,38). Maar nu zit Hij aan Gods rechterhand, heerst over hemel, zee en land. Zo luiden de eerste en derde regel van een hemelvaartslied uit het Liedboek voor de kerken (Lied 228). De tweede en vierde regel heb ik weggelaten: halleluja, halleluja.
De Catechismus doet dat niet. Die wil dat wij Christus’ hemelvaart wel degelijk vieren als een heilsfeit. Want Christus is niet aan Gods rechterhand gaan zitten om op zijn lauweren te rusten, maar om Zich daar te bewijzen als het Hoofd van zijn christelijke kerk, door wie de Vader alle dingen regeert. Dat is wat een vreemde zin. De christelijke kerk, door wie de Vader alle dingen regeert, of Christus, door wie de Vader alle dingen regeert? Het zal toch echt het laatste moeten zijn. Zo staat het ook in de tekst waar de Catechismus zich op beroept, Efeziërs 1 vers 22: “God heeft alles onder zijn voeten gelegd en Hem als hoofd boven al wat is gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is. (Dat lichaam) is vol van Hem, die alles in allen vervult”. Maar dat betekent toch ook dat niet de wereld, maar de kerk van Hem vervuld is. Hij heeft weliswaar alle macht in hemel en op aarde (Mt.28,18), maar doet zijn invloed vooral gelden in de kerk. Niet voor niets luidt de vervolgvraag van de Catechismus dan ook: “Wat is voor óns de waarde van deze heerlijkheid van óns Hoofd Christus”? Dat de Catechismus zich voor de invloed van Christus in het heden beperkt tot de kerk, blijkt ook uit het antwoord: “Ten eerste giet Hij door de Heilige Geest in óns, zijn léden, de hemelse gaven uit”. Door expliciet toe te voegen: “zijn leden”, maakt de Catechismus duidelijk dat hij het niet heeft over ons mensen, maar over ons kérkmensen. Dat moeten we wel onthouden, als we verder lezen: “Ten tweede beschermt en bewaart Hij óns met zijn macht tegen alle vijanden”.
Door die woordjes “ons” zo te benadrukken, lijkt het net of ik de Catechismus beschuldig van wereldvreemdheid. Dat is echter totaal niet mijn bedoeling. Dat zou ook erg onbillijk zijn, omdat de Catechismus niet méér doet dan het woord van God naspreken. Dát zegt dat God weliswaar álles onder zijn voeten heeft gelegd, maar Hem als hoofd boven al wat is gegéven heeft aan de gemeente, die zijn lichaam is. Dan kun je vervolgens natuurlijk Gods woord zelf van wereldvreemdheid beschuldigen, maar daar zou ik maar voorzichtig mee zijn. Natuurlijk heeft het op het eerste gezicht iets wereldvreemds als de apostel Paulus een lofzang aanheft op de hemelvaart van Christus. Het lijkt meer op zijn plaats om met Tom Waits een klaagzang aan te heffen. Waarom moest Jezus zonodig in de hemel zijn, in plaats van op aarde, bij een meisje als Georgia Lee? Maar juist daarom intrigeert die lofzang van Paulus zo. Er valt blijkbaar wel degelijk wat te zingen, ook nu Jezus meer bij ons is zoals Hij bij de jongeling van Naïn (Lc.7,11-15) en het dochtertje van Jaïrus (Lc.8,40-42a.49-55) was. Ook als Hij ons niet, zoals hen, opwekt uit de dood, dan nóg beschermt en bewaart Hij ons met alle macht tegen alle vijanden.
Dat is dus geen bescherming en bewaring die je buiten het geloof om kunt ervaren. Dan zouden mensen die niet geloven met eigen ogen kunnen zien dat wij wel beschermd en bewaard worden, maar zij niet. Maar dat zien zij helemaal niet. Ze zien misschien wel dat wij er anders in staan. Waarin? In dezelfde gebroken wereld als zij. De wereld van Psalm 10. In die wereld liggen kwaadwillende mensen in hinderlaag, op verborgen plekken doden ze onschuldigen, hun ogen spieden naar weerloze mensen. Ze loeren, verborgen als een leeuw in het struikgewas, ze loeren naar een prooi en trachten hem te vangen, ze vangen hun prooi in een net en sleuren hem mee – die buigt, krimpt ineen, en valt in zijn klauwen, weerloos. Of Georgia Lee, Suzanne en Jesse leden van het lichaam van Christus waren, daar wordt niet naar gevraagd.
En kun je dan toch zeggen dat zij door Christus met alle macht beschermd en bewaard zijn tegen alle vijanden? Ik ben ervan overtuigd dat de heerlijkheid van ons hoofd Christus ook waarde heeft voor kinderen die niet aan moeders arm tot Jezus gebracht zijn. Daar zeg ik straks meer over. Maar eerst wil ik er met u bij stilstaan dat de Catechismus je niet wil laten geloven dat het met anderen goed komt, maar dat het met jezelf goed komt. In een wereld waarin je net zo kwetsbaar bent als iedereen, mag jij geloven dat Christus jou met alle macht beschermt en bewaart tegen alle vijanden.
Ik geen woord dat dit geheim treffender verwoordt dan dit woord uit het boek Spreuken: “In zijn rampspoed wordt de goddeloze geveld, maar de rechtvaardige vindt zelfs in zijn dood nog een schuilplaats” (Spr.14,32). De spreukendichter wil maar zeggen: In dezelfde ramp gaat de één kopje onder en houdt dan ander het hoofd boven water. De één wordt er door geveld, de ander vindt er een schuilplaats in.
Nu is een schuilplaats over het algemeen slechts een tijdelijk onderkomen. Mensen schuilen weg in een kelder tot het bombardement voorbij is. Of als je een afdakje tegen de regen gevonden hebt, blijf je daar niet langer dan nodig is. Als het weer droog is en de zon schijnt, kom je weer tevoorschijn. Maar dat gaat toch voor de dood niet op? Het graf wordt toch niet voor niets onze laatste rustplaats genoemd?
Maar dat wordt het dan wel ten onrechte. Want als je gelooft in een God die er alles voor over had om jou van de dood te redden, zelfs zijn eigen Zoon Jezus Christus liet afdalen in de kerker van de dood om jou eruit te bevrijden, dan zul je ervaren dat het waar is wat David al beleed in zijn bekende Psalm 139: “Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan. Lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar”. Beide dingen moge gezegd worden van Jezus Christus. Zou je in staat op te klimmen tot Gods rechterhand, dan tref je Hem daar aan. Maar als je in plaats daarvan in moet neerdalen in de aarde, dan is Hij daar ook. Ook daar zal zijn hand je leiden, zijn rechterhand je vastgrijpen. Zelfs die woorden uit Psalm 139: “Ontwaak ik, dan ben ik nog bij u”, blijken op te gaan. Want ontslapen is ontwaken geworden.

Toch, kunnen ondertussen die kwaadwillende mensen hun gang maar gaan? Voorlopig wel. Ze mogen zelfs hardop denken: “Niemand vraagt mij rekenschap. Er is geen God. En als er wel een God is, dan vergeet Hij het, wendt zijn blik af en ziet het niet”. Dat is eigenlijk een merkwaardige schuldbelijdenis. Mensen voelen blijkbaar wel degelijk dat zij kwaad doen. “Als er een God was, dan zou Hij mij nu toch moeten straffen. Maar Hij laat me rustig mijn gang gaan. Dan is er blijkbaar geen God. En als Hij er wel is, dan kan het Hem blijkbaar niks schelen”.
De dichter van psalm 10 denkt er anders over. Hij zegt: “Toch ziet u de pijn en het verdriet, u merkt het op en weegt het in uw hand”. Als ik deze woorden lees, moet ik denken het slot van het boek De avonden, van Gerard Reve. Ik ben mij ervan bewust dat sommigen van u alleen maar walging voelen als ze denken aan Gerard Reve. Jakoba heeft zoiets in elk geval wel eens tegen me gezegd, nadat ik in een eerdere preek iets van Reve aanhaalde. Toch weet die man bij mij niet alleen walging, maar ook ontroering te wekken. Het slot van De avonden doet dat in elk geval wel. Dat boek eindigt met de regels: “‘Het is gezien,’ mompelde hij, ‘het is niet onopgemerkt gebleven.’ Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap”. “Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven”. Dat geldt dus ook voor al die zinloze dingen die in het boek gebeuren. God heeft ze gezien, Hij heeft ze opgemerkt, en daarom kan Frits van Egters in vrede slapen.
Worden zinloze dingen er dan anders van als ze gezien en niet onopgemerkt gebleven zijn? Daar begint het wel mee. Toen Hagar door Sarai uit de tenten van Abram weggekeken was, vluchtte ze de woestijn in. Daar ontmoette haar bij een waterbron,een engel van de Heer. Op het eerste gehoor had die geen blijde boodschap voor haar: “Ga naar je meesteres terug en wees haar gehoorzaam”. Ze moest dus terug van de regen naar de drup. Of misschien kun je in dit verband beter zeggen: Van de hitte van de woestijn naar de kilte van Sarai. Toch riep ze de Heer, die tot haar gesproken had zó aan: “U bent een God van het zien. Want”, zei ze, “heb ik hier niet Hem gezien die naar mij heeft omgezien?” Daaraan dankt de bron die daar is haar naam: Lachai-Roï, bron van de Levende die mij ziet (Gen.16,7-14).
Toch hoopt de dichter van Psalm 10 op meer, als ook hij van het kwaad dat mensen elkaar aandoen zegt: “Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven”. Want hij vervolgt: “Breek de macht van de goddelozen, eis rekenschap en ban het kwade uit”. Als God het kwaad ziet, is dat voor hem dan ook meer dan dat God het áánziet. Nee, Hij verwacht dat God het eens níet langer kan aanzien. Waarom keek God niet?, vraagt Tom Waits. Maar de dichter van Psalm 10 zegt: “Hij ziet het nog steeds voor zijn ogen gebeuren”. Waarom luisterde God niet?, vraagt Tom Waits. Maar de dichter van Psalm 10 zegt: “Hij hoort het nog steeds in zijn oren nagalmen”. En op een gegeven moment verdraagt Hij het niet meer. Nu heeft de dichter van Psalm 10 het niet over vérdragen, maar over drágen. Hij weegt al onze pijn en ons verdriet in zijn hand. Maar dat beeld komt op hetzelfde neer: op een zeker moment moet het ook Hem toch te zwaar op de hand worden? Daar lijkt de dichter op te hopen, als Hij God oproept om rekenschap te eisen en het kwade uit te bannen.
Ook God kan het allemaal teveel worden. Ook voor Hem komt er een moment dat Hij er niet meer tegen kan. En juist dat moment van zwakte mag ons tot troost zijn. Want de Catechismus vraagt welke tróóst ons de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden ons schenkt. Let op dat de Catechismus niet vraag welke troost ons de wederkomst schenkt, punt. Als de Catechismus slechts dat gevraagd had, was het antwoord heel anders uitgevallen. Dan hadden de jeugd van de kerk moeten leren: dat er geen dood, geen rouw, geen geklaag, geen pijn meer zal zijn, omdat de eerste dingen voorbij zijn gegaan (Opb.21,4). Maar de Catechismus vraagt welke troost Christus wederkomt om te óórdelen ons geeft. Blijkbaar is het een hele troost dat er een laatste oordeel komt, waarbij Hij al zijn en mijn vijanden aan de eeuwige ondergang zal prijsgeven. Is dat nu iets om vrolijk van te worden?
Jazeker, broeders en zusters, dat is nu echt iets om vrolijk van te worden. Maar die vrolijkheid is geen leedvermaak. Het is de opluchting dat we in Gods nieuwe wereld niet alleen bepaalde dingen er niet meer zijn: dood, rouw, geklaag en pijn, maar ook bepaalde mensen niet: de veroorzakers van dood, rouw, geklaag en pijn. God rekent niet allereerst met ondíngen af, maar met onménsen. Mensen met wie God niks heeft, omdat zij niks met Christus hadden. Dan is voor mij niet de vraag of een meisje als Georgia Lee wel iets met Christus had, maar of haar moordenaar dat had. Hij is in elk geval niet gevonden. Maar als hij meent te kunnen sterven met de gedachte: “God vergeet het, wendt zijn blik af, ziet het niet”, dan zal hij Christus tegenkomen als degene die niet alleen de levenden, maar ook de doden oordeelt. Ik kan mij niet voorstellen dat Christus dan een meisje dat als oud vuil in de berm van de snelweg gedumpt is, in hetzelfde lot laat delen als haar moordenaar. Als hij Christus’ vijand is, dan kan zij niet anders dan zijn vriendin zijn. Want ik kan mij ook niet voorstellen dat het nieuwtestamentische evangelie dat we gered worden door het geloof in Christus alleen, zou betekenen dat het oudtestamentische evangelie van Psalm 9 niet langer waar zou zijn: “Want Hij houdt in gedachtenis het bloed van wie verslagen is. Hij hoort de schreeuw van de ontrechten; hun rechtsgeding zal Hij beslechten”.

“Hij zal dan al zijn en mijn vijanden aan de eeuwige ondergang prijsgeven”. Wat mij het meeste treft in deze zin uit de Catechismus is niet dat Christus blijkbaar vijanden heeft, maar dat zijn vijanden en mijn vijanden blijkbaar dezelfden zijn. Dat is wel iets om voor onszelf eens goed over na te denken: zijn zijn en mijn vijanden inderdaad dezelfde vijanden? Je mag het niet omkeren. Alsof dezelfde vijanden hebben hetzelfde zou zijn als dezelfde vrienden hebben. Yvonne Kroonenberg schreef eens een boek onder de titel: Zij houdt van hem. Hij ook. Maar bij het laatste oordeel hoef je niet tegen Jezus te zeggen: “U houdt van mij. Ik ook”. Christus en u hebben, als het goed, is niet dezelfde vrienden. Want om gered te worden van de ondergang moet Hij niet alleen van jou houden, maar jij ook van Hem. Anders zal de enige vriend die je werkelijk nodig hebt, je vijand blijken te zijn. Dat is het ergste wat je kan overkomen. Gelukkig is het niet alleen het ergste, maar ook het meest onnodige wat je kan overkomen.

Amen.