Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De kinderdoop: "In Israël ingelijfd..."
titel : De kinderdoop: "In Israël ingelijfd..."
datum : 26 september 1999
volledige onderwerp : Zondag 27
Download deze preek.

Preek over HC zondag 27
(G’kerk/Niezijl, 26-9; Grootegast, 21-11-'99; Aduard, 7-1-2001; GC/S, 3-10; GZR, 14-11-04)

NG 13 (GZR)
Ps.32:1,3
Rom.8,29.30
Rom.8,38-9,8
Rom.11,13-24
Ps.81:6,9,10
HC zondag 27
Ps.87
Nicaeno-Constantinopolitanum (n.m.)
Gez.35 (C)

Gemeente van Jezus Christus,

Ik zat denk ik in de brugklas van wat toen nog niet het Gomarus College heette toen alle leerlingen in de aula moesten komen. De voorzitter van het schoolbestuur hield daar een belangrijke toespraak vol moeilijke woorden. Het kwam er op neer dat de aanvraag om een gereformeerde meao te mogen beginnen door het ministerie was "gehonoreerd". Applaus. Ik klapte vrolijk mee, al snapte ik er als brugpieper niks van. Moeilijk woord, "meao". Ik ging pas mijn oren spitsen toen die meneer ging uitleggen waarom dat zo belangrijk was, dat er weer een gereformeerde school bijkwam. Volgens hem had zat ik op een gereformeerde school, omdat mijn ouders bij mijn doop beloofd hadden me in de gereformeerde leer te onderwijzen en te laten onderwijzen, opdat ik later ook zelf mijn geloof zou gaan belijden in de God van mijn doop. Dat was nieuw voor mij. Zo had ik het nog nooit bekeken. Voor mij was het de normaalste zaak van de wereld dat ik elke dag dat eind met de bus van Drachten naar Groningen moest en weer terug. Wij waren immers niet "openbaar", maar "gereformeerd"? Nooit geweten dat dat gereformeerd lyceum iets met mijn eigen doop te maken had. Er ging die morgen een wereld voor me open.
Ik vermoed dat veel leraren bij die preek van de voorzitter van het schoolbestuur achter hun hand stonden te gapen. Het was ook zo'n vrijgemaakt standaardverhaal. Daar kwam ik wel achter toen ik het, na die eerste keer, nog -tig keer weer hoorde. De "triangel-gedachte", dat kerk, gezin en school een hechte driehoek vormen gefundeerd in de kinderdoop, kan veel vrijgemaakten niet meer inspireren. Niet alleen het gereformeerd onderwijs, maar ook de basis daaronder: de kinderdoop, liggen steeds meer onder vuur. Steeds minder ouders sturen hun kinderen automatisch naar een gereformeerde school en steeds meer ouders laten zichzelf overdopen.
Nu, laat ik er geen misverstand over laten bestaan: Ik vind dat in beide gevallen een zorgwekkende ontwikkeling. Maar tegelijk wil ik er ook geen misverstand over laten bestaan dat ik er alleen maar dankbaar voor kan zijn dat het gereformeerde onderwijs en de kinderdoop als vrijgemaakte verworvenheden op de tocht staan. Want het ware geloof leeft niet van verworvenheden, maar van genade. En zodra genade een verworvenheid wordt is het geen genade meer. Genade is immers iets dat je niet verdiend hebt: vrijspraak, vergeving, zorg, toekomst. Maar een verworvenheid is iets dat je wél verdiend hebt: loon naar werken, en dan ook je bezit, een hebbedingetje. Genade en verworvenheden sluiten elkaar dus per definitie uit.
Dit is ten diepste het punt waar het in de vrijmaking van 1944 om ging: Moeten kleine kinderen gedoopt worden omdat ze de genade inwendig al bezítten, of moeten kleine kinderen gedoopt worden omdat Gód ze wil géven wat ze níet bezitten. Anders gezegd: Ligt je zekerheid in jezélf, of buíten jezelf, in de beloften van Gód. Het eerste leerden de - wat wij noemen - synodalen, het tweede leerden de latere vrijgemaakten: genade is geen hebbedingetje, maar een geschenk.
En de vraag was: Waar vind je nu je zekerheid: ín jezelf, in je wedergeboorte, of búiten jezelf, in Gods beloften? En de latere vrijgemaakten antwoordden: Als je je zekerheid in jezelf zou moeten vinden, dan word je daar alleen maar ónzeker van. Want waar moet je op terugvallen als je er aan twijfelt of je er wel bij hoort? Niet op je doop. Want die heeft alleen betekenis gehad als je ook wedergeboren bent. Maar daar zit je nu juist zo mee. Nee, zeiden de latere vrijgemaakten, als je er mee worstelt of je wel een kind van God bent mag je juist terugvallen op wat Gód eens tegen je gezegd heeft bij je doop: Jij mag mijn kind zijn om wat mijn Zoon Jezus Christus ook voor jou gedaan heeft. Je leven lang mag je dus kracht putten uit je doop. Het is een bron van levend water waar je je dorst naar God je leven lang mee kunt lessen.
In de praktijk werd dit nieuw ontdekte evangelie echter versimpeld tot: "Als je gedoopt bent, dan ben je een kind van God". Dergelijke versimpelingen zijn gevaarlijk. De rust die je je leven mag vinden in je doop slaat dan maar al te gauw om in válse gerustheid. De doop is een bron waaruit je mag putten. Maar waarom zul je nog putten uit die bron als alles al in kannen en kruiken is? Als je al een kind van God bént? Als je "het zoonschap" (Rom.8,23) al op zak hebt? De doop verwijst je naar je Vader, als een brief van je huisarts naar de specialist. Maar waarom zou je die gang naar je Heelmeester (Ex.15,26) maken als je die brief zelf uitlegt als: "Ik ben kerngezond"?
Het verbaast mij niks dat er dan mensen zijn die in de kerk om zich heen kijken en zeggen: "Dus dit moeten allemaal kinderen van God zijn? Maar hebben zij nou werkelijk allemaal een band met God? Waar zie ik dat aan? Waar merk ik dat aan? Ben ik nou gek? Want zelf zitten ze nergens mee".
Juist zulke mensen, die ernst willen maken met hun leven als kind van God voelen zich aangesproken, als ze bij de baptisten te horen krijgen: Je bent niet gek. Want de Here Jezus zegt zelf: "Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden" (Mc.16,16). Eerst geloven, en dan pas dopen. Je mag dus pas gedoopt worden als je ook voor Jezus wilt gáán. Nergens lezen we dat de Here Jezus, of de apostelen ons opdragen om ook de kleine kinderen te dopen. De kerk kan wel zeggen dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is, en dat dus de jongetjes en de meisjes gedoopt moeten worden, zoals onder het oude verbond de jongetjes (niet de meisjes!) besneden moesten worden, maar waar staat dat in het nieuwe testament? Ook het feit dat Jezus kleine kinderen de handen opgelegd en gezegend heeft (Mc.10,16) betekent nog niet dat we ze dus ook mogen dopen. Het enige wat wij mogen doen is ze, net als die moeders toen, naar Jezus brengen, of Hij ze wil zegenen, zodat zij ook eens voor hun geloof in Hem uitkomen en zich laten dopen.

Laat ik, voordat ik in de rest van deze preek op deze bezwaren inga, twee opmerkingen maken.
In de eerste plaats dat ik de aantrekkingskracht die het baptisme heeft op steeds meer mensen in onze kerken als een aanklacht tegen onze doopspraktijk serieus neem. Niet omdat ik niet achter de kinderdoop zou staan. Uit het vervolg zal wel blijken dat ik daar een hartgrondig voorstander van ben. Maar als mensen, uit terechte onvrede met een stukje verbondsautomatisme onder ons, hun toevlucht zoeken tot het baptisme, dan betekent dat allereerst dat wij de rijkdom van de kinderdoop niet meer verstaan en beleven.
In de tweede plaats merk ik vooraf op dat een paar simpele schriftverwijzingen bij de verdediging van de kinderdoop niet volstaan. Om maar een punt te nemen: dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen zou zijn. Dat is feitelijk wel juist. In de praktijk is de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen, en wat mij betreft terecht. Maar je kunt nergens in het nieuwe testament lezen dat de besnijdenis is afgeschaft en vervangen door de doop. De verwijzing die de Catechismus maakt naar Kol.2,12.12 is m.i. exegetisch niet houdbaar. Bovendien kennen de baptisten de teksten die wij aandragen voor de kinderdoop ook wel dromen, maar overtuigen ze hen niet.
Ik wil het daarom vanmiddag eens proberen met een in dit verband nogal ongebruikelijk schriftgedeelte: Rom.9-11, een gedeelte dat in eerste instantie helemaal niet over de doop lijkt te gaan. Dat lijkt mij ook een interessante keuze, omdat dit schriftgedeelte veel baptisten na aan het hart ligt. Het gaat daarin immers over de toekomst van Israël. M.i. kan wie Rom.9-11 serieus neemt ook niet om de kinderdoop heen.
Nu zullen de meesten van u wel voor de kinderdoop zijn. Maar juist als de kinderdoop voor u een uitgemaakte zaak is is het goed om er eens een heel nieuw licht op te werpen. Want de doop moet geen uitgemaakte, maar een "in-gemaakte" zaak zijn, als u begrijpt wat ik bedoel...

Goed. Rom.9-11. Het zal u duidelijk zijn dat ik onmogelijk deze 3 hoofdstukken vers voor vers kan behandelen. We moeten ons vanmiddag beperken tot de hoofdlijn. Om te kunnen begrijpen waarom Paulus Israël aan de orde stelt hebben we samen ook een paar verzen uit Rom.8 gelezen, de zgn. gulden keten van het heil. Daarin zegt Paulus dat als God mensen roept tot het heil, dat Hij ze dan ook zal laten delen Jezus' dood en opstanding, en ze om Hem rechtvaardigen en verheerlijken. Als God je roept dan kan niets je meer van zijn liefde scheiden.
Maar, komt dan de vraag op, hoe zit het dan met Israël? Want God heeft Israël toch eens ook geroepen. Maar zij wilden niets weten van Jezus als de door God gezonden Messias. Dat is eigenlijk hetzelfde probleem als waar wij vaak mee blijven zitten als het gaat om de kinderdoop: Als God je roept om zijn kind te te mogen zijn, hoe kan het dan dat sommigen die wel gedoopt zijn uiteindelijk God de rug toekeren? Maakt God zijn beloften dan niet waar? Kunnen dood of leven, engelen of machten, heden of toekomst, krachten, hoogte of diepte, of enig ander schepsel ons dan toch scheiden van Gods liefde in Christus Jezus onze Here? Je merkt in alles dat Paulus met deze vraag worstelt. Niet alleen omdat hij zoveel van zijn volk houdt, maar ook en vooral omdat met deze vraag de zekerheid van het geloof dat hij predikt staat of valt: Kun je op Gods beloften wel aan?
Nu, daar laat Paulus uiteindelijk geen misverstaan over bestaan. De gemeente van Rome moet niet denken dat Israël voor God afgedaan heeft. Dat God de boom van Israël omgehakt en in plaats daarvan een nieuwe boom geplant zou hebben. Nee, God heeft slechts enkele takken van de boom van Israël weggebroken en in plaats daarvan andere takken geënt, de gelovigen uit de heidenen. Daarom vermaant Paulus de Romeinen met de woorden: "Jullie, wilde takken die nog aan de boom zitten: Kijk niet neer op die takken die weggebroken onder de boom liggen. Niet jullie dragen de wortel, de wortel draagt jullie!" Het zou voor alle christenen uit de heidenen, voor de Romeinen, maar ook voor ons, dus niet best zijn als God de boom van Israël omgehakt had, want dan vielen wij, de takken, met Israël, de boom. Als er voor Israël geen toekomst is, dan ook niet voor ons.

Wat heeft heel dit verhaal over wilde takken die een edele olijfboom geënt zijn nu met de kinderdoop te maken? Drie dingen.

In de eerste plaats: De kerk is niet in de plaats van Israël gekomen, zoals -wat men dan noemt - de vervangingstheologie leert. Nee, je zou het nieuwe verbond kunnen typeren als Gods gezinsuitbreiding. God gaat geen nieuw huwelijksverbond aan, Hij gaat niet scheiden van Israël, maar adopteert ook mensen die niet bij zijn volk hoorden als zijn kinderen. Het is dan ook volkomen terecht als het doopsformulier de kinderdoop verdedigt met de woorden: "Wat God zei tot Abraham, de vader van alle gelovigen, geldt (nu) ook voor ons en onze kinderen: Ik zal mijn verbond oprichten tussen mij en u en uw nageslacht, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn". De nieuwtestamentische kerk is immers op dat verbond met Abraham geënt.
Het is dan ook geen verrassing, als we in het oude testament lezen: "Wie in uw huis geboren is (...) moet voorzeker besneden worden" (Gen.17,13), dat in het nieuwe testament de purperverkoopster uit Tyatira, Lydia, en de gevangenbewaarder uit Filippi gedoopt worden met hun huis (Hd.16,15.33). Baptisten doen die zgn. huisteksten vaak af met de tegenwerping dat Lydia en die cipier dus geen kinderen meer in huis hadden. Nu moeten we inderdaad oppassen om onze vooronderstellingen in de Bijbel in te lezen. Baptisten hebben daar een handje van, maar gereformeerden net zo goed. M.i. snijdt een beroep op die zgn. huisteksten wel degelijk hout, maar dan alleen omdat de schrift expliciet zegt dat God met heidenen als Lydia en de gevangenbewaarder uit Filippi niet een nieuw verbond gesloten heeft, maar hen geënt heeft op dat oude verbond met Israël. Het is dan ook geen wonder dat we in het nieuwe testament geen gebod vinden om de kleine kinderen te dopen. Er is immers niks veranderd. Zoals God niet alleen een verbond sloot met de vader van alle gelovigen, maar ook met zijn kinderen, zo sluit God nog steeds niet alleen een verbond met gelovige ouders, maar ook met hun kinderen. Als God dat niet gewild had, dan had Hij het wel gezegd. Gereformeerden hoeven dan ook niet te bewijzen dat God nog steeds een verbond sluit met gelovige ouders en hun huis, maar baptisten moeten bewijzen dat God dat niet meer doet. Maar dat zal hun niet meevallen, omdat dat bewijs stukbreekt op het in hun kring zo geliefde Rom.9-11. Juist baptisten die de kerk voor de voeten gooien dat ze er een vervangingstheologie op na houdt zouden zichzelf moeten afvragen of zij er zelf in hun doopleer niet een vervangingstheologie op na houden.

Dit is meer dan een formele kwestie, een steekspelletje waarbij gereformeerden d.m.v. gewiekst schriftgebruik baptisten proberen af te troeven. Want waar het hier ten diepste om gaat is de vraag: Wie kiest er eerst: Wij voor God, en dan ook God voor ons, of God voor ons en dan ook wij voor God? Bij de baptisten is de doop de bezegeling van onze keuze voor God en daarna pas van Gods keuze voor ons. Nu, dat is absoluut niet nieuwtestamentisch gedacht. In diezelfde brief aan de Romeinen, hoofdstuk 5 zegt Paulus immers dat Christus voor onze zonden gestorven is, en wij met God verzoend zijn "toen wij nog vijanden waren" (Rom.5,8.10). Paulus bedoelt dat "wij" in de eerste plaats letterlijk. "Toen wij nog vijanden waren" betekent: "Toen ik, Paulus, en jullie, Romeinen, nog vijanden van Christus waren. Het is voor Paulus een weergaloze, maar ook beschamende openbaring geweest dat, toen hij op weg was naar Damascus om een razzia te houden onder de volgelingen van die vervloekte (Gal.3,13) Jezus van Nazaret (Hd.9,2), dat diezelfde Jezus hem riep met de woorden: "Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?" (Hd.9,4) Hij, de jood die Jezus verworpen had, ontmoette Hem als Degene die Hem al verkoren had. Degene die hij haatte, ontmoette hij als Degene die hem al had liefgehad. Degene die hij wou doden had zijn leven voor hem al gegeven, opdat hij, Paulus, niet verloren zou gaan, maar eeuwig leven zou hebben (Joh.3,16).
Geen enkele baptist zal bestrijden dat Jezus zijn leven ook voor gegeven heeft voor kinderen die nog niet voor Hem hebben kunnen kiezen. Waarom maken ze er dan toch bezwaar tegen hen te dopen, als wij toch door de doop gedoopt worden in de dood van Christus Jezus, die voor ons gestorven is toen wij ons daar helemaal nog niet van bewust waren? Dat zegt Paulus in hoofdstuk 6 van zijn brief aan de Romeinen: "Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn in zijn dood gedoopt zijn?" (6,3) Waarom zegt Paulus dat? Omdat die doop je moet drijven tot de keuze voor een leven, helemaal gewijd aan de dienst van God. Als je er achter komt dat Christus voor je zonden gestorven is toen jij je daar helemaal nog niet van bewust was, moet je nu in die zonden ook niet meer willen blijven leven (6,4.12.13). Het is dus niet zo dat je doop de bekroning is van jouw keuze voor Jezus. Met je doop begínt het pas! Zoals het doopsformulier zegt: "Wij worden door God in de doop geroepen en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid". Het is dan ook volkomen terecht dat wij het gebed na de bediening van de heilige doop aan de kinderen der gelovigen beginnen met de dankzegging: "Almachtige God en Vader, wij danken en loven U, dat U ons en onze kinderen door het bloed van uw geliefde Zoon Jezus Christus al onze zonden vergeven hebt en ons door uw Heilige Geest tot leden van uw eniggeboren Zoon en zo tot uw kinderen hebt aangenomen. Wij danken U, dat U ons dit met de doop bezegelt en bekrachtigt". Pas daarna komt de bede, of God dit, zijn kind nu ook wil laten opgroeien en toenemen in de Here Jezus Christus, zodat het gaat strijden tegen de zonde en erkennen en belijden dat God hem van meet af liefgehad heeft.

Dat Gods keuze aan onze keuze voorafgaat, en dat God niet pas voor ons kiest als wij voor hem kiezen, dat is ook de hoofdgedachte van Rom.9-11. Dat is het tweede dat ik n.a.v. deze hoofdstukken wil zeggen. Als Gods keuze voor Israël zou staan en vallen met Israëls keuze voor God, dan zou er voor Israël geen toekomst meer zijn. "God (echter) zal zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig zijn verbond gedenken" (Ps.105:5), een psalm die we vaak zingen bij de bediening van de kinderdoop. Terecht. Maar deze psalm slaat in eerste instantie op Gods verbond met Israël. En we mogen deze psalm bij de kinderdoop alleen zingen omdat we door de doop bij dit verbond ingelijfd worden. Zou God zijn verbond met Israël wel krenken, dan zouden wij deze psalm bij de doop maar beter niet kunnen zingen. Als God echter eeuwig zijn verbond met Israël blijft gedenken dan is er hoop voor de takken die om hun ongeloof weggebroken zijn: voor alle joden die de Here Jezus nog niet hebben aangenomen en voor alle heidenen die wel in Christus' dood gedoopt zijn, maar Hem niet als hun Verlosser willen erkennen en belijden. Zoals Paulus van de joden die Jezus als de Christus verworpen hebben blijft zeggen: "Zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen" (Rom.9,4), zo mogen wij dat ook zeggen van hen die wel gedoopt zijn, maar de Here de rug toegekeerd hebben. Want "wat God beloofd heeft blijft van kracht, tot in het duizendste geslacht" (Ps.105:5). Als wij de kerkdeur met een knal achter ons dichtgooien wil dat nog niet meteen zeggen dat dat dan ook voor God de deur dichtdoet. Gelukkig niet.

Maar, en dat is dan het laatste dat ik n.a.v. Rom.9-11 in dit verband opmerk, Gods beloften zijn geen voorspellingen. God vervult zijn beloften niet buiten ons geloof om, maar in de weg van onze geloofsgehoorzaamheid. Rom.9-11 voorspellen niet een massale bekering van Israël. Zo worden deze hoofdstukken wel vaak opgevat, maar het staat er niet. Paulus zegt duidelijk van de joden die om hun ongeloof weggebroken zijn van de olijfboom "weer geënt zullen worden, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven" (11,23). Het is zeer terecht als baptisten ons, vrijgemaakten, de spiegel voorhouden, of er bij ons niet teveel sprake is van verbondsautomatisme. Zegt Paulus immers niet: "Wees niet hoogmoedig, maar vrees! Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen. Let dan op de goedertierenheid Gods: over u de goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden" (11,20-22)? Maar dit verbondsautomatisme is er ook niet voor Israël. Als zij bij hun ongeloof blijven zal ook Israël niet weer geënt worden. Of zoals Paulus het in zijn tweede brief aan Timoteüs zegt: "Indien wij Hem verloochenen, zal ook Hij ons verloochenen; indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan niet" (2Tim.2, 12.13).
Als God ons verloochent, wanneer wij Hem verloochenen, betekent dat niet dat Hij ontrouw is. Als Hij ons, joden of heiden, verloochent blijft Hij juist trouw aan zijn verbond, omdat Hij zijn verbondpartner ook in zijn ongeloof serieus neemt. Anders zou Hij Zichzelf niet serieus nemen.

Zo is dan de doop geen recreatieplas waarop je je met je luchtbed kunt laten drijven, maar een bron waaruit je moet drinken. Want het is God menens in de doop. Gelukkig wel.

Amen.