Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Brood dat geen brood meer is
titel : Brood dat geen brood meer is
datum : 12 november 2017
volledige onderwerp : Zondag 28 - 30
Download deze preek.

Preek over HC zondag 28-30 (Den Ham, 12-11-17)

Votum en groet
Opw.488
Orde voortzetting HA
• LB 344 (als geloofsbelijdenis
• LB 1006 (afsluiting van het ‘Avondmaalsgebed’)
• Ps.30:7 (aan tafel)
L 2Kon.4,38-41
T HC zondag 28-30 (v&a 78)
Preek
Ps.107:10,11 (NB)
Dankzegging en voorbede
Collecte
Gez.137
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Onlangs hebben we vijfhonderd jaar Reformatie gevierd. Het was prachtig dat met de drie kerken in het dorp te kunnen doen. Maar aan die Reformatie zitten wel twee kanten. We mogen er nog steeds heel dankbaar voor zijn dat het evangelie van Gods vrije genade opnieuw ontdekt werd. Maar die ontdekking leidde wel tot een scheur in de kerk. Vandaag de dag groeit het besef dat protestanten en katholieken elkaar nodig hebben. Want ondanks alle verschillen die er nog steeds zijn, ontstaat er over en weer herkenning en waardering. Rooms-katholieken zijn soms jaloers op de bijbelkennis en de gemeentezang van de protestanten. Protestanten op hun beurt zijn, met alle hun bezwaren tegen het pausdom, soms jaloers dat rooms-katholieken één man hebben die namens hen allen spreekt en dat die ene man dan ook nog eens wereldwijde erkenning krijgt. Zelf heb ik veel geleerd van de vorige paus, die prachtige boeken schreef, over Jezus, maar ook over de liturgie. De fronten liggen nu toch wel anders dan vijfhonderd jaar geleden. Toen klonk in ons land de leus: “Liever Turks dan paaps”, liever moslim dan rooms. Dat zeggen we onze voorouders zo toch niet meer na.
Maar als we bij de behandeling van de leer van de kerk toe zijn aan de zondagen over het avondmaal, is de mis ineens weer een vervloekte afgoderij. Veel mensen krijgen daar steeds meer moeite mee. Is het echt nodig om medechristenen zo te verketteren? Zelfs als dat toen nodig was, kan dat nu toch echt niet meer.
Nu is dat harde oordeel wel ergens op gebaseerd. Nog steeds staat er in de Katechismus van de Katholieke Kerk: “De kerk bewaart de geconsacreerde hosties en biedt ze de gelovigen ter plechtige verering aan”. Het gaat hier dus over brood dat is overgebleven van de avondmaalsviering. Dat wordt bewaard in een monstrans, een prachtig voorwerp dat wat lijkt op een kleine staande klok. Alleen zit er achter het glas geen uurwerk, maar kun je achter het glas stukjes brood zien liggen. Maar moet je dan knielen voor die stukjes brood? Dat is toch afgoderij? Maar rooms-katholieken zullen zeggen dat ze ook geen brood aanbidden, maar Christus zelf. Tijdens de viering van het avondmaal is het brood immers veranderd in het echte lichaam van Christus?

Voor ons is die leer van de verandering van brood en wijn in Christus’ echte lichaam en bloed vooral raar. Toch lijkt het me goed te proberen uit te leggen wat de roomse leer er wel en niet mee bedoelt. Want hoe raar die leer ook op ons over mag komen, ook wij zouden moeten kunnen zeggen dat ze in elk geval in theorie waar zou kunnen zijn.
In de Bijbel komen we immers ook het verhaal tegen van de bruiloft in Kana. Op die bruiloft heeft Christus zelf water in wijn veranderd. Volgens de evangelist Johannes was het Jezus’ eerste wonderteken (Joh.2,11). Door dit wonder een teken te noemen, zegt Johannes dat het staat voor meer: de overvloed van vreugde die vrijkomt voor ieder die gelooft, als Jezus’ uur eenmaal gekomen is: vergeving van al onze zonden, genezing van al onze wonden door zijn dood en opstanding. Langs die smalle weg en die nauwe poort zal Gods nieuwe wereld komen, waarin er geen dood, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn meer zal zijn (Opb.21,4).
Maar ook al staat het wonder op de bruiloft in Kana symbool voor veel meer dan vreugde over een goed glas wijn, die wijn was wel echt. Het was geen water meer, sinds het water in wijn veranderd was. Een symbolische uitleg van Jezus’ eerste wonder sluit niet uit dat je die verandering van water in wijn letterlijk neemt.
Toch wordt bij mijn weten in de rooms-katholieke theologie niet een beroep gedaan op het wonder op de bruiloft in Kana, om te bewijzen dat het brood tijdens de viering van het avondmaal veranderd is in het echte lichaam van Christus en de wijn in het echte bloed van Christus. Volgens de roomsen zijn die beide gebeurtenissen ook niet met elkaar te vergelijken. Want op de bruiloft in Kana veranderde niet alleen het wezen, maar ook de gestalte van het water. Het veranderde van kleur, van geur, van smaak. Maar dat is bij de viering van het avondmaal niet zo. Brood en wijn veranderen niet van gestalte, maar alleen van wezen. Daardoor lijken brood en wijn nog steeds op brood en wijn, en toch zijn ze het niet meer. Als we het avondmaal vieren ís het brood voor ons het lichaam van Christus en ís voor ons de wijn het bloed van Christus.
Is dat nu zulke grote onzin? Als er tijdens de avondmaalsviering een scheikundig wonder zou plaatsvinden, dan was dat inderdaad onzin. Niet omdat scheikundige wonderen niet kunnen plaatsvinden. Neem dat wonder op de bruiloft in Kana. Ook al was dat meer dan een scheikundig wonder, dat was het toch ook, toen echt water veranderde in echte wijn. Zo kunnen mensen die echt ziek zijn, op het gebed echt beter worden. Toch zou het een heel smalle definitie van een wonder zijn, als alleen wat wetenschappelijk vast te stellen is een wonder genoemd zou mogen worden. Want moet de gedaante van de dingen veranderen om het wezen van de dingen te veranderen?
U hoort dat ik de terminologie van de roomse avondmaalsleer gebruik. Volgens die leer hoeft de gedaante van het brood niet te veranderen om echt het lichaam van Christus te kunnen zijn. Dat lijkt mij in zijn algemeenheid waar. Een voorbeeld uit een heel andere sfeer. Wanneer kun je iemand rijk noemen? Alleen als hij dat met een bankafschrift kan aantonen? Je hoeft niet gelovig te zijn om dat een erg beperkte definitie van rijkdom te vinden. Dat iemand geld hééft, betekent nog niet dat hij rijk ís. Zijn rijkdom raakt slechte de gestalte, niet het wezen. Omgekeerd kun je zeggen dat iemand die op papier arm is, pas echt rijk is. Niet bij wijze van spreken, maar echt. Maar waar zit hem dat nu in? Een gelovige zal zeggen dat de werkelijke tegenwoordigheid van Gods liefde alles anders maakt.
Je hoeft geen geld te krijgen om rijk te zijn. Je hoeft niet beter te worden om gezegend te zijn. Je hoeft geen partner te krijgen om geliefd te zijn. Er zijn zoveel voorbeelden te bedenken van situaties waarin mensen, die de onvolmaaktheid van dit leven ondervinden, toch zeggen: “DE HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets” (Ps.23,1).

Mocht je eraan twijfelen of je dat zo wel kunt zeggen, denk dan nog eens terug aan de viering van het avondmaal. Wat was er daar voor jou? Een stukje brood? Nee toch? Christus zelf zei tegen je: “Dit is mijn lichaam voor jou”. Is dat alleen maar bij wijze van spreken?
De Catechismus wekt die indruk wel, als hij in vraag en antwoord 78 zegt: “Het brood wordt het lichaam van Christus genóémd, overeenkomstig de aard van de sacramenten en de manier waarop de Heilige Geest hierover spreekt”. Dat antwoord wekt de indruk dat het brood wel het lichaam van Christus genoemd wordt, maar dat het dat natuurlijk niet is. Alsof de gereformeerde belijdenis zou zeggen: “Die domme roomsen denken dat het brood het lichaam van Christus is, maar wij weten wel beter”. Maar wat weten wij dan beter? Dat brood gewoon brood is? Het zou voor ons niet best zijn als dat de uitkomst was van de strijd tussen Rome en Reformatie over het avondmaal.
En gelukkig is dat ook niet zo. Lees de tweede helft van antwoord 79 maar: “Christus wil ons door deze zichtbare tekenen en panden ervan verzekeren dat wij door de werking van de Heilige Geest even werkelijk deelkrijgen aan zijn echte lichaam en bloed, als wij deze heilige tekenen met de lichamelijke mond tot zijn gedachtenis ontvangen”. Maar als dat zo is, dan ontvangen we toch Christus zelf? Niet bij wijze van spreken, maar echt? Waarom dan zo’n omhaal van woorden? Waarom niet gewoon nazeggen wat Christus vóórzegt: “Dit is mijn lichaam”?

In de gereformeerde traditie worden die woorden bij het avondmaal vermeden. Bij het uitreiken van brood en wijn worden andere woorden uit de Bijbel aangehaald: “Het brood dat wij breken maakt ons één met het lichaam van Christus” (naar 1Kor.10,16). Maar in de Statenvertaling stond: “Is niet het brood dat wij breken een gemeenschap met het lichaam van Christus?” Heel bewust is er gekozen voor de meest vage tekst die je maar in de Bijbel kunt vinden: ‘een’ gemeenschap. Maar wat voor gemeenschap?
Ondertussen is die vertaling gewoon fout. Net zo fout als de vertaling die de Jehova’s Getuigen geven van Johannes 1 vers 1: “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was een god” (‘god’ met een kleine letter). Er staat immer geen lidwoord voor? Nee, maar dat hoeft ook niet. Net zomin als in 1 Korintiërs 10. Laat het lidwoord maar eens weg in de vertaling: “Het brood dat wij breken is: gemeenschap met het lichaam van Christus”. In het Nederlands zet je dan een dubbele punt of een lidwoord, zoals de Herziene Statenvertaling inmiddels ook doet: “Het brood dat wij breken is de gemeenschap met het lichaam van Christus”. Bij het avondmaal krijg je dus geen deel aan een stukje brood, maar in dat stukje brood krijg je deel aan Christus zelf.
Maar dat wonder voltrekt zich in de relatie tussen Christus en jou. Hij zegt dat dit brood zijn lichaam is en jij gelooft dat dat brood zijn lichaam is. Hij geeft Zichzelf en jij neemt Hem aan. In die omgang tussen Hem en jou is het brood voor jou niet meer gewoon brood. Want ook al smaakt het nog steeds naar brood, in dat brood proef je Christus’ liefde voor jou.
De rooms-katholieke theoloog bij uitstek, Thomas van Aquino, zegt het in een van zijn avondmaalsliederen zo:

Ogen, mond en handen raken U niet aan,
door ’t geloof slechts wordt Gij in geloof verstaan.
Wat gij, Heer, gezegd heb, neem ik als waarheid aan,
nooit kan hoger waarheid naast dit woord bestaan (LB 374:2).

Je vraagt je af: wat is hier nu zo rooms aan? Ondertussen zegt Thomas wel iets dat wij als gereformeerden ter harte mogen nemen. Want als Jezus zegt dat dit brood zijn lichaam is, dan is dat meer waar dan alles wat wij met onze ogen kunnen zien, met onze monden kunnen proeven en met onze handen kunnen aanraken.

Daar gaat het nu ook over in dat stukje dat we gelezen hebben uit 2 Koningen 4. Ik had het uitgekozen, omdat er in dat verhaal sprake lijkt te zijn van een verandering van ziekmakend voedsel in gezond makend voedsel. Zou je die verandering kunnen vergelijken met de verandering die er volgens de roomsen plaatsvindt bij het avondmaal: dat brood verandert in het lichaam van Christus?
Mijn antwoord is: ja, maar wel op een andere manier dan ik vermoedde. Want het wonder heeft zich al voltrokken in het geloof van degenen die Elisa’s bevel opvolgen. In de eerste plaats in het geloof van de knecht van Elisa, die op bevel van zijn meester de pan al op het vuur zet, terwijl er niets in huis is; er heerste immers hongersnood. In de tweede plaats in het geloof van de profeet die vol vertrouwen eten gaat halen en inderdaad een plant vol vruchten vindt. In de derde plaats in het geloof van de andere profeten die zonder enige bedenking beginnen te eten van een gerecht dat ze niet kennen. Dat drievoudige vertrouwen lijkt beschaamd te worden zodra ze de eerste hap nemen: “Godsman, de dood zit in de pot!” Maar Elisa laat wat meel halen, strooit het in de pot en zegt: “Deel nu nog maar eens uit”. Zou jij er nu wel van eten? Toch deden die profeten dat wel en ze merkten dat deze maaltijd inderdaad helemaal niet verkeerd was.
Het verhaal is zo kort, dat het geen antwoord geeft op de vragen die wij erbij hebben. Was die maaltijd nu eerst dodelijk en daarna niet meer? Of was dat eten eerst alleen maar smerig en daarna niet meer? Maar in beide gevallen kan een beetje meel daar weinig aan veranderen. Wat je wel kunt zeggen is dat er in tijden van hongersnood gegeten kan worden als Elisa dat zegt en als de profeten dat geloven. Hoewel…

Eén profeet had biologie gestudeerd. Hij had die vruchten meteen herkend. Moest hij dat eten? Als hij gek was! Hij lachte dan ook in zijn vuistje toen zijn collega’s riepen dat de dood in de pot zat. Tot zijn stomme verbazing zaten zijn collega’s er echter met smaak van te eten, nadat Elisa er een handjevol meel in gestrooid had. Daar moest hij het zijne van weten. Hij nam een monster van zijn eigen bord en ging er vlug mee naar een vriend die scheikunde gestudeerd had. Die was er gauw mee klaar: “Kolokwint, en verder niks”. Opgetogen keerde hij terug. Maar toen hij het huis van zijn collega’s naderde, kon hij niet meer. Hij móést iets eten, maar waar vind je dat in tijden van hongersnood? Het laatste wat hij hoorde was het gezang van Elisa en de profeten: “De HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets”.

Amen.