Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Niet langer boven je stand leven
titel : Niet langer boven je stand leven
datum : 14 mei 2017
volledige onderwerp : Zondag 13
Download deze preek.

Preek over HC zondag 13 (Den Ham, 14-5-17)

Votum en groet
Ps.2 (NB)
Gebed
L Joh.1,1-18
LB 470:1,4-7
T HC zondag 13
Gez.123:1
Apostolische geloofsbelijdenis deel 2
Gez.123:5
Dankzegging en voorbede
Collecte
Gez.70
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Het verhaal gaat dat een paus eens de mis opdroeg in een nonnenklooster. Net als bij ons gaat in de rooms-katholieke kerk de geloofsbelijdenis vooraf aan de maaltijd van de Heer. Maar anders dan bij ons werd de geloofsbelijdenis in de rooms-katholieke kerk gezongen door een koor. Voor deze gelegenheid had het nonnenkoor een prachtige mis ingestudeerd. Maar daardoor duurde de geloofsbelijdenis de paus veel te lang. Want die non bleven die woorden uit de geloofsbelijdenis van Nicea maar herhalen: “geboren, niet geschapen – geboren niet geschapen”. U herkent die woorden waarschijnlijk wel: ‘en wij geloven in de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren, niet geschapen”. Toen de non voor de zoveelste keer zongen: “geboren, niet geschapen”, stond de paus op en zei: “Geboren of geschapen, hoe het ook zij, vrede zij met u”.
Dit verhaal duikt voor de eerste keer op bij een theoloog die het geweldig vond dat een paus zo luchtig deed over de leer van de kerk. Wat doet het er ook toe dat de Zoon van God geboren en niet geschapen is. Als we de vrede van Christus maar bewaren. Maar daar zijn zijn collega’s het nog altijd lang niet allemaal mee eens. Want wat is die vrede van Christus waard, als het niet de vrede van God, maar de vrede van een mens is?
De catechismus doet niet zo onverschillig over de leer van de kerk als die paus uit het verhaal. Maar in de vraag waarmee zondag 13 opent kun je toch wel iets beluisteren dat erop lijkt: “Waarom wordt Christus de eniggeboren Zoon van God genoemd? Wij zijn toch ook Gods kinderen?” Degene die die vraag stelt heeft blijkbaar het gevoel dat de leer van de kerk over de persoon van Christus afstand schept tussen God en ons. Dat woord ‘eniggeboren’ betekent toch dat Hij de unieke Zoon van zijn Vader is? Zo is er geen tweede. Maar waar blijven wij dan? Zijn wij als het erop aankomt geen kinderen van God? Worden wij wel zo genoemd, maar zijn we het eigenlijk niet?
Het antwoord dat de catechismus geeft lijkt die moeite echter niet weg te nemen. Want daarin wordt nog steeds het verschil tussen Christus en ons benadrukt: Alleen Christus is de eeuwige en natuurlijke Zoon van God. Maar wij zijn om Christus wil uit genade tot Gods kinderen aangenomen. Ongetwijfeld is de bedoeling van dat antwoord geweest om ons gerust te stellen. Want dat God ons om Christus wil tot zijn kinderen heeft aangenomen betekent dat wij nu ook echt zijn kinderen zijn. Zo staat het ook zwart op wit in de Bijbel. Bijvoorbeeld in 1 Johannes 3 vers 1: “Bedenkt toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook”. Maar al zal dat vast de bedoeling van de catechismus geweest zijn om dat te zeggen, zo klinkt het niet. Zo klinkt het in elk geval niet meer.
Velen u van u zullen op tv weleens gezien hebben hoe volwassen mensen die als kind geadopteerd zijn op zoek gaan naar hun natuurlijke ouders. Lang niet altijd is dat omdat hun ouders in Nederland voor hun gevoel toch niet echt hun ouders zijn. Nee, als ze hen ‘papa’ en ‘mamma’ noemen is dat omdat dat ook echt hun papa en mama zijn. En toch, het blijft knagen dat de vrouw die je ter wereld gebracht heeft je moest afstaan. Het is hartverscheurend te zien hoeveel verdriet zij daar nog steeds van heeft. Ze kon echt niet voor je zorgen. Het was echt beter zo. Veel deelnemers aan zo’n tv-programma vinden door de ontmoeting met hun natuurlijke ouders de vrede waar ze onbewust toch steeds naar op zoek waren.
Maar als wij om Christus’ wil uit genade tot Gods kinderen aangenomen zijn, wie zijn dan onze natuurlijke ouders? Ik vermoed dat de opstellers van de catechismus grote ogen opgezet hadden, als ze zich ervan bewust werden dat hun antwoord honderden jaren later die vraag zou oproepen. Die kant wilden ze helemaal niet op. Toch vond ik gister nog een preek van een – ook door mij – zeer gerespecteerd dominee, die die kant wel opging. Want staat er niet in het volgende vraag en antwoord dat Christus ons met lichaam en ziel uit de macht van de duivel verlost heeft? Onze natuurlijke vader was dus de duivel. Als je dat weet, wees dan maar blij dat die uit de ouderlijke macht ontzet is en dat je nu een aangenomen kind van God mag zijn.
Maar dat is grote onzin. Als wij in de macht van de duivel waren, betekent dat toch niet dat wij dus van duivelse oorsprong zijn? Dat is veel te veel eer voor de duivel. Want die kan helemaal niets maken. Die kan alleen wat God gemaakt heeft breken. Onze oorsprong ligt in God. Hij heeft ons gemaakt, Hem behoren wij toe (Ps.100,3). De Bijbel zegt zelfs dat Hij ons gemaakt heeft met het doel Paulus schrijft in Romeinen 8 vers 29 dat Gods ons er van tevoren toe bestemd heeft om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeborene moest zijn van talloze broeders en zusters.
“God heeft ons er van tevoren toe bestemd om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeborene moest worden van talloze broeders en zusters”. Als dat bijbelwoord nog door je hoeft speelt, ga je zondag 13 met heel andere ogen lezen. Zeker, Christus is de eniggeboren Zoon van God, omdat Hij alleen de eeuwige en natuurlijke Zoon van God is. Maar het is van eeuwigheid al Gods bedoeling geweest dat die eniggeborene de eerstgeborene zou zijn van talloze broers en zusters. Dat woord ‘eniggeboren’ is dus niet exclusief bedoeld. Het sluit ons niet uit, maar juist in. Want het was altijd al Gods bedoeling ons als zijn kinderen aan te nemen. Wij zouden mogen delen in de liefde die er al van eeuwigheid in God is tussen Vader en Zoon.
Er zijn theologen die beweren dat Christus ook mens geworden was als wij niet in zonde gevallen waren. Maar dat weet ik nog zo net niet. Paulus schrijft immers niet dat God zijn Zoon er al van tevoren toe bestemd had om mens te worden, maar hij schrijft dat God ons er van tevoren toe bestemd had het evenbeeld van zijn Zoon te worden. God stuurt zijn Zoon dus niet naar de aarde omdat wij Hem niet meer liefhebben, maar omdat Hij ons nog steeds liefheeft. Als Gods Zoon mens wordt, betekent dat niet dat God is overgegaan op plan B. Er is geen plan B. Zelfs de zonde is voor God geen reden om plan A los te laten, maar alleen maar meer reden om eraan vast te houden.

Nog sterker dan de woorden van Paulus bepalen de woorden van Johannes die we in deze dienst gelezen hebben ons daarbij. Want wat stond daar? “Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen. Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft Hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God”.
Als de woorden van Johannes naast de woorden van vraag en antwoord 33 van de catechismus legt, valt zoveel de overeenkomst als het verschil op. Maar daarvoor moeten we wel even de oude vertaling erbij pakken. Daar stond namelijk: “allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden”. ‘Aangenomen’. De catechismus gebruikt precies hetzelfde woord: “wij zijn om Christus’ wil uit genade tot Gods kinderen aangenomen”. Maar dan valt meteen ook een groot verschil op. Want de Catechismus zegt dat God die ons tot zijn kinderen aanneemt, terwijl Johannes zegt dat wij Christus aannemen en daarmee het voorrecht krijgen van God te worden. Gaat het nu van God of van ons uit dat wij kinderen van God worden? Je zou met de Catechismus zeggen dat dat van God uitgaat. Hoe kan Johannes dan de indruk wekken dat het afhangt van onze keuze of we wel of niet kinderen van God worden?
Maar als Johannes die indruk al wekte, dan neemt hij dat misverstand meteen weg in de woorden die hij erop laat volgen. Want wie zijn dat die Christus aannemen en in zijn naam geloven? Zij die niet op natuurlijke wijze, maar uit God geboren zijn. Kind van God ben je niet door geboorte, maar door wedergeboorte. Gód opent je ogen voor het licht dat met Jezus in de wereld gekomen is. Maar dan wil je ook niets liever dan in dat licht leven. Je wilt in de nabijheid van Jezus blijven, want daar is het leven goed.
Let erop dat Johannes dus niet zegt dat Jezus in jou het verlangen wekt om ook een zoon of dochter van God te mogen worden. God wordt niet menselijk opdat de mens goddelijk zou worden. In oosters-orthodoxe werken wordt dat wel geleerd, maar dat lijkt me toch echt een dwaling. Want is alle ellende niet daarmee begonnen dat de mens God wilde zijn? Gods Zoon is niet naar de aarde gekomen om dat zondige verlangen alsnog in vervulling te laten gaan. Kind van God zijn betekent niet dat je boven jezelf uitstijgt. Kijk maar naar Hem die tot ons neergedaald is. Want wat staat er meteen in het volgende vers? “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige [en natuurlijke] Zoon van de Vader”. Maar waarin hebben we die grootheid van de Zoon dan gezien? In zijn kleinheid! Bij zijn menswording verbergt Hij zijn goddelijke heerlijkheid niet in het vlees, maar Hij openbaart zijn goddelijke heerlijkheid juist in het vlees. Juist in zijn nederigheid is Hij de enige en natuurlijke Zoon van God.
Wanneer wij wedergeboren worden tot kinderen van God, is dat dus niet alleen een verandering in staat: van slaven van de duivel tot kinderen van God. Het is ook een verandering van stand. Maar die verandering houdt in dat wij ophouden boven onze stand te leven. We vertonen het beeld van Gods Zoon door Hem te volgen in zijn dienstbaarheid. Dan zijn we niet alleen in rechte, maar ook in feite kinderen van God.
Een bekend lied brengt het heel eenvoudig en treffend onder woorden:

Hij kwam bij ons, heel gewoon,
de Zoon van God als mensenzoon.
Hij diende ons als een knecht
en heeft zijn leven afgelegd.

Zie onze God, de Koning-knecht
Hij heeft zijn leven afgelegd
Zijn voorbeeld roept
om te dienen iedere dag
gedragen door
zijn liefde en kracht.

Wij willen worden als Hij.
Elkanders lasten dragen wij.
Wie is er nederig en klein?
Die zal bij ons de grootste zijn.

Zie onze God, de Koning-knecht…

Misschien hikt u nog wat aan tegen die eerste regel van het refrein: Zie onze God, de Koning-knecht. Als er nu gestaan had: “Zie op naar Hem, de Koning-knecht”, dat was het nog wat anders geweest. Maar kun je zeggen dat de Koning-knecht onze God is? Want dat geldt toch alleen voor de Zoon, niet voor de Vader?
En toch zegt dat versje alleen maar na wat het evangelie voorzegt. We lazen immers bij Johannes: “Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die heeft Hem doen kennen”. In de oude vertaling ontbraken de woorden “die zelf God is”. Dat heeft te maken met een verschil tussen de oudste handschriften. Maar die woorden horen er toch echt bij. Als je ze heel letterlijk vertaalt – de Naardense Bijbel doet dat – staat er zelfs: “God: niemand heeft hem ooit gezien; de eniggeboren God, die is in de schoot van de Vader, heeft (hem) uitgelegd!” “De eniggeboren God”, dat is ook wel heel kras geformuleerd. Ik kan me dan ook best vinden die in de omschrijving die de Nieuwe Bijbelvertaling geeft: “de enige Zoon, die zelf God is”. Maar waar het om gaat is dat je niet alleen de Vader gezien hebt als je de Zoon gezien hebt (Joh.14,9), maar dat je God gezien hebt als je Jezus gezien hebt. De Zoon heeft de natuur van zijn Vader. Want God is liefde (1Joh.4,8.16).

“God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren niet geschapen”. Het zijn wel degelijk woorden die je eindeloos in je hart kunt laten rondzingen. Want de liefde die God in Jezus openbaart ontspring al van eeuwigheid aan het wezen van God. Al van eeuwigheid gaat de liefde van de Vader uit naar de Zoon en van de Zoon uit naar de Vader, door de Geest die van beiden uitgaat. Het is waar wat we ook vanmorgen nog zongen:

Wij danken U, o liefde groot,
dat Christus is gekomen.
Wij hebben in zijn stervensnood
uw diepste woord vernomen.
Nog klinkt dat woord, het spreekt met macht
en het wordt overal volbracht
waar liefde wordt gegeven,
wij uit uw liefde leven.

Amen.