Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Gereformeerd? Ja, graag! (2)
titel : Gereformeerd? Ja, graag! (2)
datum : 18 januari 2015
volledige onderwerp : Zondag 23
Download deze preek.

Preek over NGB art. 22 (Den Ham, 18-1-15, Gereformeerd? Ja, Graag! I 2)

Ps.119:64-66 (melodie: Gez.174)
Doopsformulier 1
Apostolische geloofsbelijdenis (na Gebed)
Gez.165
Gez.148 (na dopen Stan Voort, Gerrit Jan Veurink en Pieter Bram Otten)
L Mrc.10,32-52
Ps.72:1,7,9b10a
T NGB art.22
NLB 182
Lied 20:1,6,7 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Vanmiddag het tweede deel van de serie: Gereformeerd? Ja, graag! Ging het vorige week over het eerste sola van de reformatie: sola gratia, door genade alleen, vandaag gaat het over het tweede sola van de reformatie: sola fide, door geloof alleen. Die volgorde is op zichzelf al gereformeerd. Gods woord van genade gaat voorop, ons antwoord van geloof volgt. Vooral in de gereformeerde leer over de doop komt dat goed uit: Gods keuze voor ons gaat vooraf aan onze keuze voor God. Omdat de doop niet het teken is bij onze keuze voor God, maar bij Gods keuze voor ons, laten wij ook de kinderen dopen. Zo wordt zichtbaar dat God Stan, Kian en Bram al liefheeft, voor zij Hem kunnen liefhebben. Of om die termen ‘door genade alleen’ en ‘door geloof alleen’ te gebruiken: dat God zijn genade al aan hen belooft, voor zij die genade in geloof kunnen aannemen.
Toch rijst er dan ook een vraag. Want wanneer gaat die belofte dan in vervulling? Je zou zeggen: Wanneer Stan, Kian en Bram tot geloof komen. Want je wordt niet alleen gered door genade alleen, maar ook door geloof alleen. Kun je Gods genade wel ontvangen, zolang je niet gelooft? Want alleen door het geloof kan ik alles wat Christus voor mij verdiend heeft aannemen en tot mijn eigendom maken (HC v&a 61).
Nu zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis daarvan: “Wij vatten dit, nauwkeurig gesproken, niet zo op, dat het geloof zelf ons rechtvaardigt, want het is slechts het middel waarmee wij Christus, onze gerechtigheid, omhelzen”. Deze zin uit de gereformeerde belijdenis is me heel dierbaar. Misschien wel omdat het zo’n beeldende zin is. Het geloof als het middel waarmee wij Christus omhelzen. Dat roept het beeld bij me op dat geloven Christus in de armen vliegen is. Een beeld waar jullie, Daniël en Annemarije, Gert en Judith, Johan en Ineke, je misschien al heel snel iets bij kunnen voorstellen. Ik moet tenminste denken aan een kind dat in zijn verdriet naar zijn vader rent, als die op zijn hurken gaat zitten, zijn armen spreidt en roept: “Kom maar bij papa”.

Heer, waar dan heen?
Tot U alleen!
Gij zult ons niet verstoten.
Uw eigen Zoon
heeft tot uw troon
de weg ons weer ontsloten (Gez.155:3).

Misschien vind je het een wat grote overgang van het beeld van dat kind dat naar z’n vader rent en dat klassieke kerklied. Toch voel je dan wel aan waar het niet alleen in dat klassieke kerklied, maar ook in die klassieke leer van de rechtvaardiging door geloof alleen om gaat. Rechtvaardiging door het geloof alleen, dat is dat kind dat zijn vader in de armen vliegt. “Heer, waar dan heen? Tot U alleen”.
Dan voel je in één keer ook aan dat het niet raar is dat de gereformeerde leer twee keer dat woordje ‘alleen’ gebruikt: redding door genade alleen en redding door geloof alleen. Wie verkeerd wil, kan zeggen: “Wat is het nu: door genade alleen of door geloof alleen? Want je kunt wel zeggen: door genade én door geloof, maar je kunt niet zeggen: door genade alléén en door geloof alléén. Als beide dingen nodig zijn: Gods genade en ons geloof, dan kan je verlossing niet honderd procent genade zijn. Misschien wel negenennegentig procent genade en één procent geloof, maar honderd procent genade en honderd procent geloof, dat slaat nergens op”.
Maar dat soort logica heeft niets begrepen van de aard van Gods genade en de aard van ons geloof. Want waarom rent dat kind naar zijn vader? Om ook een bijdrage te leveren aan de oplossing van het probleem? Dat kind is inderdaad bijzonder actief. Zie het eens rennen! Maar waarom? Omdat het nergens anders heen kan en nergens anders heen wil dan naar papa. “Heer, waar dan heen? Tot U alléén!”
Daarmee ben ik terug bij de zin waar ik de vorige preek mee eindigde: Waarom worden we gered door geloof alleen? Omdat we gered worden door genade alleen. Door te geloven leveren we geen bijdrage aan de verlossing. We leveren ons juist helemaal over aan onze Verlosser, omdat Hij de enige is die ons kan redden.

Door genade alleen en door geloof alleen: in die woorden gaat dus een wereld van bevrijding open. Zo is het in de tijd van de reformatie in elk geval wel ervaren. Wat heerlijk dat je niet eerst hoeft te bewijzen of je Gods liefde wel waard bent; dat je je met al je fouten en tekortkomingen mag overgeven aan Christus; dat Hij het voor jou helemaal goed gemaakt heeft bij God. Ja, dat God zelf zo’n Zoon gegeven heeft omdat Hij het zelf zo graag weer goed wilde hebben tussen Hem en ons. Zo’n God kun je niet wantrouwen. Aan zo’n God kun je je zonder enige reserve toevertrouwen.
Ik kom het nog steeds wel tegen dat mensen dat evangelie als bevrijdend ervaren. Toen ik een aantal jaren terug eens aan een groep jongeren die belijdenis gingen doen vroeg waar ze tijdens de belijdeniscatechisatie het meest aan gehad hadden, antwoordde een meisje: “Die les over door geloof alleen”. Voor haar was dat zo’n eyeopener geweest! Want wanneer was je er nu klaar voor om belijdenis te doen? Moest er niet nog een heleboel in haar leven anders voor ze God haar jawoord kon geven? Besteedde ze niet teveel tijd aan verkeerde dingen? Besteedde ze niet te weinig tijd aan goede dingen? Ze besefte wel dat als het daar vanaf moest hangen, ze nooit tot het doen van belijdenis zou komen. Maar toch, moest ze innerlijk niet wat meer zekerheid hebben? Ze geloofde echt wel dat Christus voor haar zonden gestorven was. Maar daar voelde ze niet altijd even veel bij. Moest de liefde van Christus haar niet wat meer doen vóór ze kon beloven dat ze voor God wilde leven? Voor haar was het echt een ontdekking dat God niet meer van haar vroeg dan dat ze Hem vertrouwde. Ook als ze niet zo in de stemming was. Ook als ze van weinig maakte van een leven naar Gods geboden.
Toch herinner ik me dat meisje zo goed, omdat ik mensen niet zo vaak hoor zeggen dat het voor hen zo bevrijdend is dat God van hen niet meer vraagt dan geloof alleen. Nu zegt dat niet alles. Maar als dat nu daarvan kwam dat mensen niet zo makkelijk over hun geloof praten, dan was het wel verklaarbaar dat ik niet zo vaak wat hoor over de bevrijding die het evangelie voor hen betekent. Maar mensen gaan steeds makkelijk over hun geloof praten. In elk geval is het zo dat de behoefte om met je broeders en zusters in gesprek te gaan over je geloof toeneemt. Je hoort in elk geval veel kerkmensen zeggen dat er bij hen thuis weinig over het geloof gepraat werd. Blijkbaar ervaren ze dat als een gemis. Want daardoor hebben ze niet geleerd zelf onder woorden te brengen wat het geloof voor hen betekent. Terwijl ze dat wel graag zouden willen. Op een bijbelstudievereniging met je broeders en zusters of thuis met je eigen kinderen.
Maar waar praat je dan over, als je praat over je geloof? Als ik me niet vergis gaan veel gesprekken over het geloof eigenlijk helemaal niet over het geloof. Want geloof is onlosmakelijk verbonden met genade. Om even terug te keren naar het voorbeeld uit het begin van de preek: Hoe praat dat kind dat naar zijn vader toe rent over z’n geloof? Zo: “Papááá!” Maar natuurlijk praat dat kind helemaal niet ‘over’ zijn geloof. Nee, als het ‘papááá!’ roept, gelooft het juist. Geloof bestaat alleen in de relatie tussen de vader en het kind. Een kind kan leren te reflecteren op de vertrouwensband die het met zijn vader heeft. Maar die reflectie is nog steeds niet die band zelf.
Misschien zijn onze geloofsgesprekken wel zo teleurstellend, omdat ze zich buiten de omgang met God zelf afspelen. Dan kijken we er van een afstandje naar en valt ons vooral op hoeveel er nog aan ons vertrouwen ontbreekt. Zulke gesprekken zijn niet waardeloos. Want als je kwetsbaar durft te zijn tegenover een ander, geef je die ander ook de ruimte om jou te bemoedigen. Maar waar moet die ander jou dan mee bemoedigen? Toch niet met een woord over zichzelf, maar met een woord over God? Dat hoeft geen tegenstelling te zijn. Want je kunt ook vertellen over jou ervaring met God. Maar dan nog steeds over jou ervaring met Gód. Hoe in jouw zwakheid zijn kracht zich openbaarde.

In het gedeelte dat we gelezen hebben uit het evangelie van Marcus stond dat Jezus, gevolgd door een grote menigte, weer uit Jericho vertrok. Waarom volgden zoveel mensen Hem toen Hij de stad verliet? Misschien omdat ze aan zijn lippen hingen? Het lijkt mij waarschijnlijker dat ze Hem niet zozeer volgden uit Jericho, als wel dat ze Hem volgden naar Jeruzalem. We hebben gelezen dat twee van zijn leerlingen, Jakobus en Johannes, Jezus al gevraagd hadden of zij links en rechts van Hem mochten zitten, als Hij straks de troon van David beklom. Maar blijkbaar zijn zij niet de enige die met spanning uitzien naar wat er nu gaat gebeuren. Ook tot de inwoners van Jericho is doorgedrongen dat Jezus op weg is naar Jeruzalem.
Maar als Hij in het gezelschap van een grote menigte mensen Jericho verlaat, zit daar een blinde bedelaar, Bartimeüs. Als hij hoort dat Jezus van Nazaret langskomt, begint hij te schreeuwen: “Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij! Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!” De mensen snauwen hem toe dat hij zijn mond moet houden. Op zichzelf is dat bijzonder. Want als Jezus zou stoppen bij Bartimeüs, zou de kans groot zijn dat Hij hem zou genezen van zijn blindheid. Maar blijkbaar hadden de mensen nu even geen behoefte meer aan wonderen. Dat hield alleen maar op. Maar tot hun teleurstelling blijft Jezus staan en zegt: “Roep hem”. Hun stemming slaat meteen om. Als de koning zegt dat Bartimeüs voorgaat, dan zeggen zij ook dat Bartimeüs voorgaat: “Houd moed, sta op, hij roept je”.
Bartimeüs gooit zijn mantel af, springt op en gaat naar Jezus. Dat hij zijn mantel afgooit heeft iets onbeschaamds. In zijn hemd komt hij bij Jezus. Of liever gezegd: In zijn hemd komt hij bij de Zoon van David. Kom je zo bij de koning van Israël? Ja, zo kom je bij de koning van Israël. Want als Jezus werkelijk de langverwachte Messias is, dan toch ook voor Bartimeüs? Uit zijn schaamteloze geschreeuw en zijn schaamteloze naaktheid spreekt een onbegrensd vertrouwen in Jezus.

Ondertussen leren wij van Bartimeüs wat nu echt geloof is. Wie zijn catechismus nog kent zegt dat waar geloof een stellig weten en een vast vertrouwen is (HC v&a 21). In tekst van de catechismus die de ouderen nog geleerd hebben stond dat waar geloof niet alleen een stellig weten of kennis is, maar ook een vast vertrouwen. Niet alleen, maar ook. Daardoor werd de indruk gewekt dat je pas echt geloofde als je gevoel kreeg bij wat je al wist. Je bent er niet als je gelooft dat het waar is wat God in zijn woord zegt, maar pas als je ervaart dat het ook voor jou waar is. Maar zo zijn die woorden ‘niet alleen een stellig weten, maar ook een vast vertrouwen’ nooit bedoeld. Die hele constructie van geloof is verstand plus gevoel spat ook stuk op het verhaal van de redding van Bartimeüs.
Juist omdat Bartimeüs zeker weet dat Jezus van Nazaret de beloofde Verlosser is, vliegt hij op Hem af. Kiest Bartimeüs daarmee voor Jezus? Ik denk dat Bartimeüs dat een hele rare vraag zou vinden? Valt er dan wat te kiezen als je blind en arm en naakt bent (vgl. Opb.3,17) en de Verlosser die God beloofd heeft komt bij je langs? Dan heb je toch maar één keuze? Als de donder naar Jezus!
Ik besef dat dat geen kerktaal is. Ik heb het ooit ergens zo gelezen en vond het toen ook maar zozo. Toch zeg ook ik het vandaag zo, omdat zo ontzettend veel gekletst wordt over wat geloven is. Dat geklets komt denk ik vooral daarvan dat we ons niet blind en arm en naakt voelen. Dat zo’n Bartimeüs naar Jezus vliegt, oké, die had ook geen keus. Maar voor mij ligt dat anders. Maar hoezo ligt dat voor jou dan anders? Hoor je wel wat Jezus tegen Bartimeüs zegt: “Je geloof heeft je gered”. Hij zegt niet: “Je geloof heeft je genezen”, maar: “Je geloof heeft je gered”. Dat betekent dat Bartimeüs nu niet alleen mag zien, maar dat Bartimeüs nu ook mag leven.
“En meteen kon hij weer zien”, staat er dan. Maar waar kijkt Bartimeüs dan naar? Naar Jezus en naar Jezus alleen. Het is niet zo dat hij wel weer zonder Jezus kan nu hij weer kan zien. Nee, “meteen kon hij weer zien en hij volgde hem op zijn weg”. Bij deze man moet hij blijven, want alleen in het contact met deze man is er toekomst. Daarom zegt de gereformeerde belijdenis dat het onmogelijk is dit heilige geloof niets in de mens zou uitwerken. Want het is juist een geloof dat door de liefde werkt. Het beweegt zich ertoe zich te oefenen in de werken die God in zijn woord geboden heeft (NGB art. 24).

Bij de grote menigte die met Jezus op weg gaat naar Jeruzalem voegt zich dus nog iemand: Bartimeüs. Maar zouden al die andere mensen hetzelfde vertrouwen in Jezus hebben als die ene? Of zouden ze onderweg hele gesprekken over het geloof hebben zonder dat het in hen opkwam in hun hemd voor Jezus te gaan staan en te zeggen: “Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij?” Zouden ze Hem nog volgen als Hij Jeruzalem weer verliet met een kruis op zijn rug? Zouden ze nog naar Hem opkijken, als Hij aan dat kruis hing? Of verwachtten ze een heleboel van Hem, behalve dat Hij voor hen stierf? Dan zou het nooit tot hun doordringen hoe groot hun eigen nood was. Maar ze zouden ook nooit ervaren dat Jezus’ liefde voor hen nog groter is.
Ik hoop dat Stan, Kian en Bram nooit te groot zullen worden om naar Jezus toe te rennen zoals een kind naar zijn vader rent. Maar het helpt al een heel stuk als ze zien dat jullie, Daniël en Annemarije, Gert en Judith, Johan en Ineke je daar ook nog steeds niet te groot voor voelen. Dan hoef je het niet de hele tijd te hebben over je eigen geloof. Heb het maar over Hem in Wie je gelooft. Laat maar zien dan je niemand zo vertrouwt als je Vader in de hemel. Dan leef je uit geloof alleen. Omdat je leeft van genade alleen.

Amen.