Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Nirwana of bamihapjes
titel : Nirwana of bamihapjes
datum : 21 december 2014
volledige onderwerp : Zondag 22
Download deze preek.

Preek over HC zondag 22 (Den Ham, 21-12-14)

Ps.85:1,2
L Jes.63,15-64,11
Gez.80
T HC zondag 22
NLB 848:1-4
NLB 848:5 (na apostolische geloofsbelijdenis)
Ps.73:9,10 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Evenals ik nu al het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel, zal ik na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensenhart is opgekomen, en wel om God daarin eeuwig te prijzen”. Zo omschrijft de Catechismus het eeuwige leven: als een leven dat zó heerlijk is dat je het je niet kunt voorstellen.
Het heeft iets goeds dat de Catechismus onze fantasieën over het eeuwige leven maar laat voor wat ze zijn. Want daarin worden over het algemeen slechts onze persoonlijke voorkeuren uitvergroot. Wat wij hier fijn vinden, moet daar helemaal zijn. Maar wat wij hier niet fijn vinden, mag daar helemaal niet zijn. Met die fantasieën lopen we alleen vast. Want bij een leven waarin het kwade afwezig en het goede aanwezig is, kunnen wij ons niets meer voorstellen. Vooral niet als dat leven eeuwig duurt. Gaat dat op den duur toch niet vervelen?
Toch lijkt het ook iets onbevredigend te hebben dat de Catechismus zich beperkt tot een heerlijkheid die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensenhart is opgekomen. Want ook al kunnen wij ons niet voorstellen hoe heerlijk het leven dan zal zijn, we willen ons er wel wat bij voor kunnen stellen. Anders kun je er ook niet naar verlangen.
Jaren terug was er een programma op tv waarin twee bekende Nederlanders een half uur met elkaar moesten praten. Ik herinner me een uitzending waarin Paul de Leeuw en monseigneur Bär, de toenmalige bisschop van Rotterdam, met elkaar in gesprek gingen. Ook zij kwamen op het eeuwige leven. Paul de Leeuw vroeg aan monseigneur Bär: “Zijn er daar ook bamihapjes?” De bisschop antwoordde: “Als jij graag wilt dat daar bamihapjes zijn, dan zijn daar bamihapjes”. Wat je ook van dat antwoord kunt zeggen, het was in elk geval een pastoraal antwoord. Want als je als herder één ding niet wilt, dan wel mensen met het evangelie teleurstellen.
Waarschijnlijk zou u niet vragen of je in het eeuwige leven nog kunt genieten van bamihapjes. Maar misschien zou u wel vragen of u in het eeuwige leven nog kunt genieten van de omgang met mensen van wie u gehouden hebt. Ik geloof niet dat het de taak van een herder is daarop te antwoorden dat je dat niet weet. Want waar verlangen schapen naar? Toch naar groene weiden en vredig water? De bekendste Psalm van de Bijbel zegt dat dat verlangen werkelijkheid wordt (Ps.23,2). Op de een of andere manier zal het eeuwige leven de voltooiing zijn van dit tijdelijke leven. Ik ben ervan overtuigd dat het nog veel meer zal zijn dat dat. Maar dat is het toch ook. Want God vervangt de oude wereld niet door een nieuwe wereld, maar herschept de oude wereld tot een nieuwe wereld. Wat dit leven mooi maakte, kan dus in dat leven alleen maar mooier zijn.

Ook in de Catechismus ontbreekt de lijn tussen het leven nu en het leven straks niet. De Catechismus begint daar zelfs mee: “Evenals ik nu al het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel, zal ik na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten”. De blijdschap die we nu al voelen gaat dus niet over, maar wordt alleen maar meer.
De vraag is natuurlijk wel: blijdschap waarover? De Catechismus bedoelt met ‘het begin van de eeuwige vreugde’ vast niet dat als je nu al blij wordt van bamihapjes, je er straks nog veel blijer van wordt. Nee, dat bedoelt de Catechismus er inderdaad niet mee. Maar dat betekent niet dat de eeuwige vreugde dus niets met bamihapjes te maken heeft. Want wat is die eeuwige vreugde?
Daarvoor verwijst de Catechismus naar Johannes 17 vers 3. Dat is een woord uit het gebed dat de Here Jezus heeft uitgesproken bij zijn overgang van de aarde naar de hemel. Dat begint zó: “Vader, nu is de tijd gekomen, toon nu de grootheid van uw Zoon, dan zal de Zoon uw grootheid tonen. Hij heeft van u macht over alle mensen ontvangen, de macht om iedereen die u hem gegeven hebt het eeuwige leven te schenken. Het eeuwige leven, dat is dat zij u kennen, de enige ware God, en hem die u gezonden hebt, Jezus Christus”.
Misschien verbaast het u dat dat volgens de Here Jezus het eeuwige leven is: God kennen. Maar God kennen houdt in de Bijbel ook veel meer in dan weten dat Hij bestaat. Neem bijvoorbeeld het bekende woord uit Hosea 4: “Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis”. Als je dat woord in de Nieuwe Bijbelvertaling leest, staat er: “Mijn volk komt om doordat het met mij niet vertrouwd is” (Hos.4,6a).
Eigenlijk is dat woord van Hosea precies het tegenovergestelde van het gebed van Jezus. Als je niet meer met God vertrouwd bent, kom je om. Je leeft in een eigen wereld, omdat je God buiten je leven houdt. Je houdt geen rekening met Hem bij de keuzes die je maakt. Je dankt Hem niet als het goed met je gaat. Je bidt niet tot Hem als je voor problemen komt te staan. Zo vervreemd je van God. Hij leidt zijn leven en jij leidt jouw leven. Maar van dat leven heeft God gezegd: “Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug” (Gen.3,19).
Misschien begrijpt u nu hoe Jezus kan zeggen dat het eeuwige leven bestaat in het kennen van God. Want dan leef je in verbondenheid met Hem die het leven zelf is. Er zijn geen dingen meer waar God niets mee nodig heeft. Zelfs van bamihapjes kun je pas echt genieten als je je blijdschap met God kunt delen. Dan kom je tot jezelf als je tot God komt. Want in zijn tegenwoordigheid kom je tot rust. De oude berijming van Psalm 73 zei het zo:

Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot,
nabij te wezen bij mijn God;
‘k vertrouw op Hem, geheel en al,
de HEER, wiens werk ik roemen zal.


Maar ook al eindigde dichter van Psalm 73 met die woorden, hij begon er niet mee. Want hij had juist vaak het gevoel dat God helemaal niet zo nabij was. Een ervaring die hij met veel gelovigen deelt.
Eén van die gelovigen was Jesaja. We lazen dat hij zelfs tot God riep: “Scheurde u maar de hemel open om af te dalen”. Een wanhoopskreet waarin de christelijke kerk zich nog altijd herkent. Want op de vierde adventszondag wordt vanouds een lied gezongen waarin dat woord uit Jesaja 63 wordt aangehaald:

O Heiland, open wijd de poort,
laat toch uw volk niet onverhoord,
ontgrendel dan uw deuren, Heer,
ach, scheur de hemel en daal neer.

Daal neer gelijk de hemeldauw
die ’t leven laaft, dat sterven zou.
Wanneer wordt onze hoop vervuld?
Waar blijft Gij die ons troosten zult? (Gez.80:1,2)

Dat is een gewaagde bede. Want God heeft één keer eerder in de geschiedenis de hemel gescheurd. Maar toen druppelde er geen dauw, maar stortte er een zondvloed op de aarde neer (Gen.7,11). Bijna overal in de Bijbel wordt het dan ook als teken van Gods trouw gezien dat de hemel sinds die tijd staat als een huis. U kent die woorden uit Psalm 103 misschien wel: “Zoals de hoge hemel de aarde overspant, zo welft zich zijn trouw over wie hem vrezen” (Ps.103,11). Maar zo kon Jesaja de hemel blijkbaar niet meer zien. Voor hem was het hemelgewelf een stolp die tussen God en hem instond.
Waarschijnlijk slaat de profetie uit Jesaja 63 en 64 op de tijd van na de ballingschap. Het volk van God woonde weer in het beloofde land. Maar dat volk was niet meer dan een schim van wat het ooit geweest was. Want slechts een handjevol mensen uit de stam van Juda was naar Jeruzalem teruggekeerd. Ook van het beloofde land was weinig meer over. Want een zelfstandig koninkrijk was het niet weer geworden. Misschien slaagden de mensen erin hun leven weer wat op de rit te krijgen en begonnen de gewone dingen hun beloop weer te krijgen. Maar was dit het nu? Het leek net of God vond dat Hij zo wel genoeg voor hen gedaan had en dat ze het nu verder zelf maar uit moesten zoeken.
Daar kan Jesaja niet mee leven. Hij schreeuwt naar boven: “Kijk dan toch eens naar beneden. Als Abraham en Israël zouden kunnen zien wat er van ons geworden is, zouden ze de vervulling van uw beloften niet herkennen. U wel? Kom dan voor ons op. Vecht voor ons. Scheur de hemel open en kom bij ons”.
Een moderne dichter zei het zo:

god hoog in de nok kom en daal af
verlos opnieuw uw kind uit het graf

kunt gij het verlossen van de pijn
alleen met zichzelf te moeten zijn (Arie Visser)

Een gedicht dat me aangrijpt. Ook omdat het geschreven is door een gereformeerde jongen die zich tot de islam bekeerd heeft. Want de God die uit de nok komt en afdaalt in het graf, dat is toch Jezus Christus? Heeft hij Hem dan gemist?
Dan is hij de enige niet. Want een pasgeboren kind dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt, moet dat God zijn die de hemel scheurt en afdaalt? Je zou verwachten dat de bergen zouden beven en de zeeën zouden koken, als God op aarde kwam. Ook Jesaja had verwacht dat dat zou gebeuren, als God zijn gebed zou verhoren. En hij vervolgt: “Nog nooit is zoiets gehoord, niet eerder is zoiets vernomen. Geen oog zag ooit een god buiten u, die opkomt voor wie hem verwachten”.
Toch haalt de apostel Paulus, in zijn eerste brief aan de Korintiërs, juist die woorden aan als hij het kindje in de kribbe en de man aan het kruis bezingt: “Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefhebben” (1Kor.2,9). Woorden die de Catechismus weer aanhaalt om van het eeuwige leven te zingen.

Het lijkt of Jesaja’s woorden zo een eigen leven gaan leiden. Toch is dat niet zo. Want goden die groot en sterk zijn, die vind je over de hele wereld. Maar een God die klein en zwak wordt? Terecht schreef een groot theoloog eens: “Daarin is de ware God van de valse goden onderscheiden, dat zij tot deze daad van vernedering niet in staat zijn. Hun zogenaamde eer, heerlijkheid, eeuwigheid, almacht sluiten hun zelfvernedering uit. Zij zijn allen tezamen spiegelbeelden van de valse, al te menselijke zelfverhoging. Zij zijn allen tezamen heren, die geen knechten willen en kunnen zijn, en daarom ook geen echte heren zijn” (Karl Barth).
Wij kunnen niet met God vertrouwd raken, als wij Jezus Christus niet kennen. Niet voor niets bad Hij zelf dan ook: “Het eeuwige leven, dat is dat zij u kennen, de enige ware God, en hem die u gezonden hebt, Jezus Christus”. Maar misschien zou je dat gebed ook zó weer kunnen geven: “Het eeuwige leven, dat is dat zij u kennen, de enige ware God, in hem die u gezonden hebt, Jezus Christus”. Want het begin van de eeuwige vreugde ervaar je niet als je loskomt van het stoffelijke en in contact komt het geestelijke.
Dat is wel de weg die door spirituele leermeesters over de hele wereld aanbevolen wordt. Door boeddhisten, maar ook door christenen. Maar het zijn pogingen om God te ervaren buiten Jezus Christus om. Want in Christus is Hij juist in ons stoffelijk bestaan neergedaald. Hij heeft een menselijk lichaam aangenomen, opdat niet alleen onze ziel, maar ook ons lichaam in verbondenheid met Hem mocht leven.
De Catechismus komt voor dat typisch christelijke geloof op als hij in het eerste vraag en antwoord van zondag 22 zegt, “dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot haar hoofd Christus opgenomen zal worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt, weer met mijn ziel verenigd en aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig zal worden”. Eeuwig leven, niet alleen voor mijn ziel, maar ook voor mijn lichaam. Juist daarin onderscheidt het ware geloof zich van valse godsdienstigheid. Want heel veel mensen op deze wereld geloven wel in een leven na dit leven. Maar in dat eeuwige leven deelt over het algemeen alleen hun geest. Die vindt de eeuwige rust. Hindoe’s noemen dat het Nirwana. Wat dat betreft had Paul de Leeuw meer van het eeuwige leven begrepen, toen hij vroeg of daar ook bamihapjes waren. Want eeuwig leven is geen eeuwig zweven, maar eeuwig leven is eeuwig mens zijn. Mens met God in alles. Mens met God voor altijd.

Niet ons lichaam, maar onze zonde schept afstand tussen God en ons (Jes.59,2). Wij houden God buiten ons leven, als we op ons eigen gevoel afgaan en onze eigen zin doorzetten. Zelfs als we dat niet meer willen, we kunnen het maar niet laten. Kunt u geloven dat Christus die afstand al heeft overbrugd? Wij zijn niet meer met God vertrouwd, maar Gods vertrouweling is omgekomen. Dat is toch onvoorstelbaar? Als iets in geen mensenhart zou opkomen, dan dat toch wel?
Maar ook al komt Christus niet uit jouw hart op, Hij daalt wel in jouw hart neer. Er komt blijdschap over je, als bij je landt dat er wat God betreft niets meer tussen Hem en jou in staat, ook als er wat jou betreft nog heel veel tussen jou en Hem in staat. Dat is het begin van de eeuwige vreugde. Maar die blijdschap is pas volkomen als je in Gods nabijheid inderdaad geen zondaar meer blijkt te zijn. Zelfs bij de kleinste dingen niet meer de behoefte hebben God er buiten te laten. God met jou en jij met God. Onafscheidelijk. Heerlijk.
Amen.