Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De doop door besprenging spreekt krachtige taal
titel : De doop door besprenging spreekt krachtige taal
datum : 12 september 2010
volledige onderwerp : Zondag 26
Download deze preek.

Preek over HC zondag 26 (Niezijl/G’kerk, 05-01-03; Bodegraven, 9-5-04; GCS, 26-9-04; Alblasserdam + Nieuw Lekkerland, 10-7-05; Zoetermeer, 5-11-06)

Ps.109:1,9,14
Ps.26:1,4
Ezech.36,16-36
Ps.51:4,5,7
HC zondag 26
Lied 87:1,2,4,5
Ps.116:1,5,8,10 (C)

Gemeente van de Here Jezus,

“Wij en onze kinderen zijn in zonde ontvangen en geboren. Daarom rust Gods toorn op ons, zodat wij in het rijk van God niet kunnen komen, of wij moeten opnieuw geboren worden. Dit leert ons de onderdompeling in en de besprenkeling met het water”. Zo opent de uiteenzetting die het doopsformulier geeft van de leer over de doop. Het is dat wij deze woorden wel kunnen dromen, anders zouden we ineens klaarwakker zijn. Wat een loodzware opening. Voor ons is de doop het teken van het opgenomen zijn in Gods verbond. Maar volgens het doopsformulier is het het teken van het uitgesloten zijn van Gods verbond. Wij kunnen in Gods rijk niet komen, omdat wij in zonde ontvangen en geboren zijn. Dit leert ons de onderdompeling in en de besprenkeling met het water.
De onderdompeling in en de besprenkeling met het water. Het doopsformulier laat de wijze van doopsbediening dus open. Naast de sprenkeldoop is ook de sparteldoop toegestaan. Een doop waarbij je helemaal kopje ondergaat dus. Het doopsformulier lijkt aan deze doopsvorm zelfs de voorkeur te geven, omdat het die als eerste noemt. Tot in de zestiende eeuw was dat nl. de gebruikelijke vorm. De dominee die zowel Luthers trouw- als zijn rouwdienst geleid heeft, ds. Bugenhagen, schrijft over een doopdienst die hij in 1529 in Hamburg meegemaakt heeft: “Toen nam de doper het kind tot zich in zijn kleren en wikkels en doopte alleen het hoofd; ik schrok, omdat ik dit nog nooit gezien of gehoord had; ook had ik in geen kerkgeschiedenisboek gelezen, dat het ooit zo gebeurd is, behalve dan in geval van nood, zoals bij zieken”. Hij vond het dus heel raar dat het kindje dat gedoopt werd zijn kleertjes gewoon aanhield en alleen wat water op het voorhoofd gesprenkeld kreeg. Hij schrok er zelfs van. Want hij was gewend dat de ouders het baby’tje uitkleedden en dat het poedelnaakt in handen van de dominee gelegd werd. Die dompelde het vervolgens drie keer helemaal onder in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest. Bij ons zou dat niet kunnen, omdat ons doopvont daarvoor veel te klein is. Maar in oude kerken zie je vaak nog doopvonten staan die zo groot zijn dat het wel gekund had. Nu kan dat meestal niet meer, omdat men er een schaal overheen geplaatst heeft met slechts een klein kuiltje erin.
Stel, jongens en meisjes, dat dat een pasgeboren baby’tje uitgekleed werd alsof het in bad moest en dat ik het helemaal kopje onder liet gaan in het doopvont. Je zou nog erger schrikken dan die dominee die schrok van onze manier van dopen. Want een paar druppels water op het voorhoofdje, dat kan geen kwaad. Hooguit loopt er wat water in de oogjes. Maar zo’n kindje in de armen van zo’n stuntelige dominee die anders ook nooit de kinderen in bad doet: het kan wel verdrinken!
Toch is dat volgens het doopsformulier de eerste betekenis van de doop, broeders en zusters. Luther heeft een lied geschreven over de doop van de Here Jezus in de Jordaan. Daarin komen de regels voor, die ik even heel letterlijk vertaal:

Daar wou Hij stichten ons een bad,
te wassen ons van zonden,
verzuipen ook de bitt’re dood,
door zijn bloed en zijn wonden.

Dat is wel heel ruig geformuleerd. De vertaling in het Liedboek voor de Kerken (Lied 165:1) is dan ook beschaafder. Maar we moeten ons goed realiseren dat de doop zo’n beschaafd teken niet is. Het zegt van een kind, waar wij geen kwaad in zien, dat het voor de ondergang geboren is. De geboorte uit de moederschoot moet eigenlijk ongedaan gemaakt worden. Het zou opnieuw geboren moeten worden. Het kind van een aardse vader en moeder moet sterven, om als kind van de hemelse Vader opgewekt te worden.
Ook al beeldt de sparteldoop de verdrinkingsdood van onze oude mens veel duidelijker uit, dat betekent niet dat onze sprenkeldoop onbijbels zou zijn, zoals door baptisten wel eens beweerd wordt. We lazen immers in Ezechiël 36 dat er alleen toekomst voor Gods volk is als onze oude natuur vervangen wordt door een nieuwe natuur, ons stenen hart door een hart van vlees. Slechts als Gods Geest in ons hart woont, zullen wij naar Gods inzettingen wandelen en ijverig zijn verordeningen onderhouden. Maar met welk teken en zegel onderstreept God die belofte? “Ik zal rein water over u sprengen en gij zult rein zijn”. Ook onze doop door besprenging, [zoals die vanmorgen aan Anneke Boersma weer bediend is,] spreekt krachtige taal.

De doop door besprenging spreekt krachtige taal, nl.:

1. onrein, onrein, onrein!
2. kind, kind, kind!
3. heilig, heilig, heilig!

1. “Onrein, onrein, onrein!” Dat moest een melaatse volgens de wet van Mozes roepen als er iemand in zijn buurt kwam die nog niet met die huidziekte besmet was (Lev.13,45). Was dat een maatregel om besmettingsgevaar in te dammen? Een soort quarantaine avant le lettre? Daar ging het niet om. Ook als je zelf niet besmet werd, werd je door in contact met een melaatse te komen onrein. Melaatsen moesten dan ook buiten de bewoonde wereld verblijf houden. Dat komt ons nogal primitief voor. Het doet ons denken aan praktijken uit de derde wereld, waar bij voorbeeld mensen met psychische klachten uitgestoten worden, omdat ze bezeten zouden zijn. Hoewel, voelt u zich op uw gemak naast een aids-patiënt? Je weet dat je niet besmet kunt worden door hem de hand te schudden, zelfs niet door hem te kussen, maar toch… Zit achter die wet van Mozes ook zulke onberedeneerde smetvrees? Heeft de Here ook een afschuw van zieke mensen?
Nee. Hij heeft een afschuw van ziekte. Die hoort in zijn wereld niet thuis. In de wetten die Hij uitvaardigde voor zijn volk grijpt Hij als het ware al vooruit op een wereld waarin er geen ziekte meer is. De legerplaats van Israël was zo een soort etalage van Gods nieuwe wereld, waarvan geen inwoner zal zeggen: “Ik ben ziek” (Jes.33,24). Het oude Jeruzalem, waarin voor melaatsen geen plaats was, bood een voorsmaak van het nieuwe Jeruzalem, waarin de dood niet meer zal zijn, noch rouw, noch geklaagd, noch moeite, want de eerste dingen zij voorbijgegaan (Opb.21,4).
De Here zegt echter, bij monde van Ezechiël: Die roep van de melaatse: “Onrein, onrein, onrein!”, die zouden jullie allemaal in de mond moeten nemen. Want “als de maandelijkse onreinheid, zo is uw wandel in mijn ogen” (36,17). Dat hele onderscheid tussen reinen en onreinen, dat slaat eigenlijk helemaal nergens op. De uitslag van een melaatse is slechts een symptoom van de ziekte die jullie allemaal onder de leden hebben. Omdat jullie ongeneeslijk zondig, onverbeterlijk onheilig, chronisch zelfzuchtig zijn. Daarom zul je in het beloofde land niet weer kunnen komen, of je moet opnieuw geboren worden. Je hart, dat gevoelloos lijkt voor mijn liefde, moet uit je lijf gesneden worden en vervangen door een hart dat klopt van liefde voor Mij. Mijn Geest moet in je binnenste wonen en maken dat je naar mijn inzettingen wandelt en ijverig mijn verordeningen onderhoudt. Dat moet? Dat zal! Ik beloof je: “Ik zal rein water op je sprengen en je zult rein worden”.

Wanneer zal dat geschieden? Aan het einde der tijden. Tenminste, zo is deze profetie opgevat door vrome joden die zich in de tijd tussen het oude en het nieuwe testament teruggetrokken hadden in de woestijn van Juda. Ze leden onder de zonden van hun volksgenoten. Want het volk was dan weliswaar teruggekeerd naar het beloofde land, maar het had nog steeds een hart van steen. Die vrome joden konden dan ook maar één conclusie trekken: Ezechiëls profetie was nog niet in vervulling gegaan. De regel voor hun leefgemeenschap is in 1947 teruggevonden in grotten bij de Dode Zee. Ik zal u er een stukje uit voorlezen: “God heeft in zijn wijze geheimenissen en zijn majesteitelijke wijsheid een eind gesteld aan het bestaan van het onrecht en op de tijd van zijn bezoeking zal Hij het voor eeuwig verdelgen. (…) Dan zal God door zijn waarheid alle werken van de mens reinigen en voor zich ’s mensen bouwsel louteren door iedere geest van onrecht uit het binnenste van zijn vlees weg te doen en hem door een heilige geest te reinigen van alle goddeloze daden. Hij zal op hem sprenkelen de geest van de waarheid als water ter ontzondiging (om hem te reinigen) van alle gruwelen van de leugen en bezoedeling door een onreine geest” (1QS IV 18,19a,20,21).
Behalve deze Regel der Gemeenschap zijn er ook fragmenten bewaard gebleven van reinigingsvoorschriften, waar die kluizenaars zich aan hielden. Door zich daar aan te onderwerpen lieten ze zien dat ze nu al uit de belofte die de Here bij monde van Ezechiël gedaan had wilden leven.
Door de doop in te stellen liet Christus ons hetzelfde doen. We grijpen op zijn bevel vooruit op Gods nieuwe wereld, waarin we eindelijk van onze zonde genezen zijn, waarin ons hart eindelijk geen twijfel meer kent over Gods liefde voor ons en onze liefde voor Hem, waarin we onszelf eindelijk helemaal aan Hem wijden. Door ons te bevelen in de doop op die wereld vooruit te grijpen belooft Hij ons naar die wereld mee te willen nemen. Want ook voor ons is de belofte van Ezechiël en voor onze kinderen en voor allen die nu nog op een afstand staan, zovelen als de Here, onze God, erbij roepen zal (Hnd.2,39).
In doop ontvangen we de vliegtickets voor het hemelse Jeruzalem in de bus. Ga mee, broeders en zusters, ga mee, jongens en meisjes[, ga mee, Anneke]. “Ik ga op reis”, zegt Jezus, “en neem je mee naar het beloofde land”.

2. Voor ons is de belofte en voor onze kinderen en voor allen die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal. De belofte. Maar is het ook nu al werkelijkheid? Belooft de doop ons slechts een schone toekomst, of toch ook al een heilig heden?
Beiden. De doop bestempelt je tot erfgenaam, omdat je nu al Gods kind bent. Straks zul je delen in de erfenis, omdat je nu al tot Gods kind bent aangenomen door de doop. Ja, op die erfenis krijg je nu zelfs al een voorschot, als je vanuit belofte van een schone toekomst leeft. Zoals een kind niet pas van zijn vader krijgt wat het nodig heeft, wanneer het eindelijk zijn bezittingen erft, zo mogen ook wij tegen God zeggen: “Als ook voor mij de belofte is dat U mij rein zult maken, vergeef mij dan nu al mijn zonden. U wilt toch dat ik rein ben binnenin (Ps.51:3)? Wees mij dan nu al nabij en reinig mij door uw diepe mededogen (Ps.51:1)”.

Volgens Zondag 26 van de Heidelbergse Catechismus heeft Christus bij de instelling van de doop beloofd dat wij van God vergeving van de zonden hebben om het bloed van Christus, dat Hij in zijn offer aan het kruis voor ons vergoten heeft. Wij hébben vergeving van de zonden, tegenwoordige tijd. Maar wij moeten dat niet misverstaan. Ik héb in de la van mijn bureau een vliegticket voor een weekje Tanzania liggen. (Dat weet u dan ook weer.) Maar dat betekent niet dat ik dus ook in Tanzania kom. Het wel heel dom zijn als ik dacht: Ik heb die ticket, dus ik kom er wel. Want ik moet natuurlijk wel inchecken op Schiphol.
Wat in het natuurlijke leven vanzelf spreekt, doet het echter in het geestelijk leven vaak niet. Door de doop zíjn we toch tot Gods kinderen en erfgenamen aangenomen? Zeker. Maar ben je een kind van God als je geen contact hebt met je Vader?” Rechtens wel. Maar wie nu geen kind is, is straks geen erfgenaam. Als je geen gebruik maakt (1Kor.9,15.18) van de rechten die je in de doop ontvangen hebt, dan moet je niet raar opkijken als je straks onterfd blijkt te zijn.

Als het erop aankomt lijkt het ineens te wemelen van de mitsen en de maren. Zit er dan toch een addertje onder het gras van de zekerheid die de doop je wil geven? Helemaal niet. Is het zo’n ramp om op Schiphol in moeten te checken als je een paar uur daarna elkaar eindelijk weerziet? Is het zo’n straf, als je kind van God bént, het dan ook te zíjn? Wie daarover zit te mokken lijkt op de oudste zoon uit de gelijkenis van de verloren zoon: “Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te maken. Doch nu die zoon van u gekomen is, die uw bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten”. Maar de vader antwoordde: “Kind, kind, kind, jij bent altijd bij me en al het mijne is van jou…” (Lc.15,29-31)

3. Nu zegt de Catechismus dat wij niet alleen de vergeving van de zonden hebben, maar ook de Heilige Geest, door wie wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven. Anders gezegd: door de doop krijgen nu al niet alleen deel aan de schone toekomst van Ezechiël 36, maar ook aan de heilige toekomst van Ezechiël 36. God vat niet alleen je reiniging aan, maar ook je harttransplantatie. Je stenen hart gaat aan de vergruizer en het begint weer te kloppen voor God.
Dat is het wonder van de wedergeboorte, zoals dat door de Dordtse Leerregels bezongen is: God dringt door tot in het diepst van de mens, Hij opent het gesloten hart, Hij maakt het harde zacht, Hij besnijdt het onbesnedene, Hij vernieuwt de wil: van dood maakt Hij hem levend, van slecht goed, van onwillig gewillig, van weerbarstig gehoorzaam. Wanneer de wil vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf (DL III/IV 11 en 12).
Herkent u daar iets van bij uzelf, broeders en zusters? Zeg niet te snel nee. Misschien moet u zichzelf gewoon eens wat beter onderzoeken. Zelfonderzoek is in onze kring niet populair. De doop leert ons toch dat je je zekerheid niet in jezelf, maar buiten jezelf, in Jezus Christus, moet zoeken? Zeker. Maar als je bij Hem onderdak zoekt, zul je tot je verbazing merken dat Hij bij jou onderdak zoekt. Hij maakt woning in je en betrekt je. Het bestaat niet dat je daar niks van zou merken.

Nou, denkt u misschien, dat zegt die dominee nou wel, maar volgens mij bestaat dat wel degelijk. Bij mij is dat tenminste wel zo. Ik zoek wel onderdak bij Christus, maar Hij niet bij mij.
Toch wil ik daar voorzichtig drie kritische kanttekeningen bij plaatsen. In de eerste plaats: Als het waar is wat u zegt: dat Christus geen onderdak bij u zoekt, is het dan wel waar dat u uw onderdak bij Christus zoekt? Petrus zonk pas weg in de golven toen hij niet naar Christus bleef kijken, maar zijn blik afwendde en het tot hem doordrong hoe hard het eigenlijk stormde en hoe hoog de golven waren (Mt.14,30). Is het niet zo dat de conclusie: “Wat zal ik nog bidden? Het helpt toch niks”, meestal pas getrokken wordt als je met bidden gestopt bent?
In de tweede plaats: Waar wou je dat dan aan merken, dat Christus met zijn Geest onderdak bij jou zoekt? Dacht je dat Hij zó wel bij je in kon trekken? Moet Hij niet eerst grote schoonmaak houden? Moet Hij niet eerst de rommel opruimen en de afwas doen vóór het voor Hem een beetje leefbaar wordt? Als Hij daarmee bezig gaat, zul je dat allereerst daaraan merken dat je zondebesef weer levend wordt. Maar het gevolg daarvan kan alleen maar zijn dat je je toevlucht nog meer bij Hem gaat zoeken. Dat Hij bij jou onderdak zoekt betekent dus in de praktijk dat jij temeer je onderdak bij Hem zoekt.
In de derde plaats moet je niet vergeten dat de gave van de Heilige Geest nú slechts een voorschot is op de erfenis van stráks. De apostel Paulus noemt de Geest tenminste Gods “eerste gave” (Rom.8,23) en niet zijn laatste, een “onderpand” (2Kor.1,22; 5,5; Ef.1,14) en niet de erfenis zelf. Die eerste gave, dat onderpand is bedoeld als een voorproefje dat smaakt naar meer. Dus niet om onze honger te stillen, maar om die op te wekken.

Maar ook al is de Geest, die ons bij de doop beloofd wordt, niet Gods laatste gave, maar zijn eerste, is Hij niet de erfenis zelf, maar een onderpand ervan, die eerste gave en dat onderpand, die zijn er dan toch. En dat is niet niks. De schrijver van de brief aan de Hebreeën schrijft zelfs: “Gij zijt genaderd tot het bloed der besprenging dat krachtiger spreekt dan Abel” (12,24).
Toen Kaïn zijn broeder Abel vermoord had riep de Here hem ter verantwoording met de woorden: “Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem” (Gen.4,10). Abels bloed riep om vergelding, om wraak. Maar het doopwater waarmee wij besprengd zijn doet dat nog meer. Dat is immers een teken, niet van het bloed van een zoon des mensen, maar van het bloed van de Zoon van God. Als dat bloed op je voorhoofd gesprenkeld is, dan kan dat niet zonder gevolgen blijven. Je grijpt vooruit op laatste het oordeel, als de duivel in de poel van vuur en zwavel geworpen wordt (Opb.20,10). Op de macht die je wijsmaakte dat God je met zijn geboden aan banden hield neem je wraak door alsnog met vreugde je leven te wijden aan de Here.
En als je geweten je aanklaagt dat je tegen alle geboden van God gezondigd hebt en geen daarvan gehouden hebt, weet dan dat het water waarmee je voorhoofd besprenkeld is krachtiger spreekt dan Abel. Misschien hoort u alleen een stemmetje dat roept: “Onrein, onrein, onrein!” Maar die aanklacht wordt voor Gods oren overschreeuwd door een krachtig: “Heilig, heilig, heilig!” Amen.