Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Grijze Christus voor grijze christenen?
titel : Grijze Christus voor grijze christenen?
datum : 9 februari 2014
volledige onderwerp : Zondag 04
Download deze preek.

Preek over HC zondag 4 (Den Ham, 9-2-14)

Gez.32
L Klaagl.3,40-57
Ps.56:3,4
T HC zondag 4
Gez.179a
Lied 387:1,2,6,7 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

De Heidelbergse Catechismus besteedt niet veel tijd aan onze ellende. Van de tweeënvijftig zondagen in een jaar hoeven we er maar drie zondagen bij stil te staan. Toch zou het me niet verbazen als sommigen van u dat nog steeds teveel vinden. Is het nu werkelijk nodig om te horen hoe diep je in de ellende zit? Wat word je er nu beter van om zó met jezelf geconfronteerd te worden?
Ja, wordt je in die drie zondagen over je ellende eigenlijk wel met jezelf geconfronteerd? Want in die drie zondagen over je ellende gaat het over de mens die van nature bent. Maar daar hoort het in de kerk toch helemaal niet over te gaan? Paulus zegt in zijn tweede brief aan de Korintiërs: “Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees” (2Kor.5,16). Ik las die woorden aan u voor uit de oude vertaling, omdat daarin het woord ‘vlees’ is blijven staan. Met dat woord typeert Paulus onze zondige aard. Maar de tijd dat we op een vleselijke manier naar elkaar kijken is voorbij. We mogen elkaar juist op een geestelijke manier kennen. Want door de werking van de Heilige Geest in ons hart heeft ons leven een nieuwe koers gekregen. We hoeven ons niet langer te leiden door ons vlees, maar mogen ons laten leiden door de Geest (Gal.5,16). Als we dat doen, hoeven we bij elkaar niet langer het slechte aan te wijzen, maar mogen we bij elkaar het goede ontdekken. Ja, we mogen naar onszelf kijken als mensen met wie God iets goeds kan beginnen.
Zei de Catechismus dat zelf ook al niet in zondag 3? Want die zondag eindigde toch met vraag en antwoord 8: “Maar zijn wij zo bedorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goed en uit op elk kwaad? Ja, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden”. Nou, dan zijn we er toch? Sluit het hoofdstuk van de ellende maar gauw dicht en doe het hoofdstuk over onze verlossing maar gauw open.
Toch gaat dat wat te snel. Want hoezo moet het hoofdstuk over onze verlossing nu maar snel open? Moet dat eigenlijk nog wel open, als je door de Geest van God opnieuw geboren bent? Kun je dat hoofdstuk dan niet beter ook maar overslaan, om meteen aan het hoofdstuk over de dankbaarheid te beginnen? Nou, laten we het maar eens proberen.
Dan plonzen we in het deel over de dankbaarheid vrijwel meteen in de behandeling van de tien geboden. In theorie zou dat moeten kunnen. Want zolang we nog niet opnieuw geboren zijn, leren we uit de wet van God alleen maar onze ellende kennen. Maar als we al wel opnieuw geboren zijn, worden we juist vrolijk van die wet. Want nu kunnen we die geboden wel houden. Dezelfde wet die een vloek voor ons was toen we ons nog lieten leiden door ons vlees, is een zegen voor ons geworden nu we ons laten leiden door de Geest.
Maar klopt die theorie ook in de praktijk? Als dat zo was, zou zondag 4 nergens meer op slaan. “Doet God de mens dan geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?” Die vraag begrijp je niet, als je de wet inmiddels best kunt houden. Maar is dat ook zo? Ben je weer de mens die God bedoeld had en leef je weer als de mens die God bedoeld had? Ik hoop wel dat u met zondag 44 van de Catechismus kunt zeggen: Door de werking van de Heilige Geest ben ik begonnen niet naar sommige, maar naar alle geboden van God te leven. Maar al is een goed begin het halve werk, het is nog altijd niet het hele werk.

Misschien ergert die laatste opmerking u wel een beetje. Want als uw glas halfvol is, waarom moet ik dan weer zo nodig zeggen dat het dus ook half leeg is? Dat gesomber altijd. Het is ook nooit goed.
Nu, als dat als het enige was wat bij u bleef hangen van mijn prediking of van de prediking van mijn collega’s, dan zou dat niet best zijn. Want het punt dat gereformeerde prediking wil maken is niet dat het ook nooit goed is. Het punt is juist dat het wel goed is. Omdat je in Christus alles hebt wat voor je redding nodig is. Zo staat het in zondag 11 van de Catechismus. Maar ik zou ook artikel 22 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis kunnen aanhalen. Dat belijdt: “Wij geloven dat de Heilige Geest (…) in ons hart waar geloof ontsteekt, dat Jezus Christus met al zijn verdiensten omhelst, Hem zich toe-eigent en niets meer buiten Hem zoekt. Want één van beide: óf in Jezus Christus is niet alles wat voor ons heil nodig is, óf dit alles is wel in Hem en dan heeft hij die Jezus Christus door het geloof bezit, al zijn heil. Zou men dus beweren dat Christus niet genoeg is, maar dat er naast Hem nog iets anders nodig is, dan is dat een gruwelijke godslastering. Daaruit zou immers volgen dat Christus maar een halve Heiland is”.
Daarmee zet de Nederlandse Geloofsbelijdenis ons geloof op scherp: alles in Christus. Zondag 4 van de Heidelbergse Catechismus doet hetzelfde door de keerzijde te laten zien: niets in onszelf. Is dat niet wat al te zwart-wit? Het is inderdaad zwart-wit. Maar of het daarmee al te zwart-wit is? Want wat is het gevolg als je liever wat genuanceerder praat over de verhouding tussen Christus en ons? Niet alleen dat wij wat minder zwart worden, maar ook dat Christus wat minder wit wordt. Een grijze Christus voor grijze christenen. Wij zijn gelukkig wat minder slecht en Christus is gelukkig wat minder nodig.
Gelukkig? Dat is de meest rampzalige vergissing die je kunt maken! Dan wordt Christus Degene die alleen maar aanvult wat aan jouw bekering nog ontbreekt. Sommige christenen menen zelfs dat Christus steeds minder heeft aan te vullen naarmate je groeit in geloof en bekering. Maar dat zou betekenen je Christus steeds meer ontgroeit. Terwijl de Bijbel juist zegt dat groei in geloof en bekering betekent dat je steeds meer met Christus vérgroeid raakt. Je band met Hem wordt niet steeds losser, maar steeds vaster. Met de woorden van de apostel Paulus: “Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus” (Ef.4,15).

Zondag 4 van de Heidelbergse Catechismus is zo zwart-wit, omdat hij ons alle redenen die wij kunnen bedenken om onze redding niet voor de volle honderd procent bij Christus te zoeken uit handen wil slaan. De eerste vraag is meteen de meest spannende: “Doet God de mens dan geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?” Misschien vindt u die vraag helemaal nog niet zo spannend klinken. Er zit ook wel weer iets logisch in. Denk maar eens aan ouders die het vmbo te min vinden voor hun kind. Het moet de havo toch makkelijk aankunnen. Zo’n kind wordt daar doodongelukkig van. Het doet z’n uiterste best, maar kon nooit voldoen aan de verwachtingen die zijn ouders van hem hebben. Dwaze ouders. Maar ik zou het niet durven datzelfde verwijt aan mijn Vader in de hemel te maken.
Toch laat de Catechismus ons dat verwijt wel maken. Hij sluit daarmee aan bij de verwijten die in het eerste deel van Klaagliederen 3 aan het adres van God gemaakt worden. We hebben dat stuk niet met elkaar gelezen. Maar als ik er alsnog een stukje uit voorlees, schrik ik ervan:

7 Hij trekt een muur rond mij op, ik kan er niet uit; zwaar zijn mijn bronzen ketenen.
8 Al schreeuw ik en roep ik om hulp, hij wil mijn gebed niet horen.
9 Hij verspert mij de weg met rotsblokken, mijn paden maakt hij krom.

10 Als een beer loert hij op mij, als een leeuw in het verborgene.
11 Hij dringt me opzij, hij verscheurt me en verwoest mijn leven.
12 Hij spant zijn boog en kiest mij als doelwit voor zijn pijlen.

Alsof het Gods schuld was dat Jeruzalem in puin lag. Had Hij maar geen verbond moeten sluiten met een volk dat toch nooit aan zijn eisen kon voldoen. Maar het is of dichter pas voelt hoe onredelijk zijn verwijten zijn als hij ze uitspreekt. Want was het dan beter geweest als God Israël maar met rust gelaten had? Israël was nog maar koud op weg naar het beloofde land, toen het die wens al uitgesproken had: “Waarom hebt u ons uit Egypte weggehaald?” (Ex.14,11). Toch had de HEER zijn naam steeds eer aangedaan: “Ik zal er zijn”. En de dichter van het boek Klaagliederen moet bekennen dat de HEER dat zijn naam nog steeds eer aandoet. Want zelfs als Hij zijn volk in ballingschap stuurt, is Hij er nog steeds voor hen. Maar het omgekeerde is ook waar: Zelfs als Hij zijn volk in ballingschap stuurt, zijn zij er nog steeds niet voor Hem. Dan schaamt de dichter zich en zegt in het gedeelte dat we wel gelezen hebben:

40 Laten we ons leven onderzoeken en doorvorsen, laten we terugkeren naar de HEER,
41 laten we met onze handen ook ons hart opheffen tot God in de hemel.
42 Wij hebben gezondigd, wij zijn opstandig geweest, en u hebt ons niet vergeven.

Dat laatste zinnetje steekt u misschien: “en u hebt ons niet vergeven”. Zoals ook het tweede vraag en antwoord uit zondag 4 u misschien steekt: “Wil God zo’n ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? Beslist niet”. Daar wordt dan toch maar met zoveel woorden gezegd dat God niet zomaar kan vergeven. Terwijl je misschien denkt dat als iemand zomaar zou moeten kunnen vergeven, dan God wel.
De dichter van de Klaagliederen lijkt echter wél te begrijpen dat God niet zomaar kan vergeven. Want hij roept zijn lotgenoten toe: “Laten we met onze handen ook ons hart opheffen tot God in de hemel”. Het is of hij ineens beseft dat de handen die hij in zijn wanhoop omhoog gestoken leeg waren. Zijn hart lag er niet in. Uit de verwijten die hij God maakte klonk slechts woede, geen liefde. In plaats van te roepen: “God, wat hebt U ons aangedaan?”, zou het beter zijn te roepen: “God, wat hebben wij U aangedaan?”
Wij hebben nog veel meer reden dat laatste te roepen als we Gods eigen Zoon voor ons zien bloeden. “Zitten onze zonden U zo hoog? Raken onze zonden U zo diep? God, wat hebben wij U aangedaan?” Dan hebben we de moed niet meer om te vragen: “Maar God is toch ook barmhartig?” Want door zijn rechtvaardigheid te bewijzen aan zijn eigen Zoon, heeft Hij zijn barmhartigheid bewezen aan ons. Wij hoeven God niet aan zijn barmhartigheid te herinneren. God moet ons wel aan zijn rechtvaardigheid herinneren. Anders gaan we nog denken dat God wel tegen een stootje moet kunnen.

Zondag 4 bepaalt ons erbij dat ons gebrek aan liefde voor God en de mensen om ons heen niet alleen door Christus aangevuld moet worden, maar ook door Christus verzoend moet worden. Blijf dus maar heel dicht bij Hem. Dan kun je door je goede daden niet gered worden en door je slechte daden niet verloren gaan.

Amen.