Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Als Jezus je aankijkt
titel : Als Jezus je aankijkt
datum : 15 december 2013
volledige onderwerp : Zondag 02
Download deze preek.

Preek over HC zondag 2 (Den Ham, 15-12-13)

Ps.119:10-12
L Luc.23,47-62
Ps.51:1,2
T HC zondag 2
Gez.179a
Lied 437 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Het is even slikken dat we het na een prachtige preek over zondag 1 toch weer over onze zonden en ellende moeten hebben. Dat voelt toch een beetje alsof we na zondag 1 weer bij zondag 0 moeten beginnen. Klopt dat eigenlijk wel?
Toch lijken we dat in de kerk niet 1x per jaar, maar 52x per jaar te doen. Want elke zondagmorgen is ons eerste gebed een belijdenis van schuld en een bede om vergeving. Dat voelt altijd wat dubbel. Want het is waar dat we in de week die tussen twee kerkdiensten in ligt in veel dingen tekort geschoten zijn. Maar is het werkelijk zo erg als het staat in één van de formuliergebeden uit ons kerkboek voor de schuldbelijdenis staat? “Heilige God en Vader, we maken ons klein voor u, omdat we vaak en ernstig tegen u hebben gezondigd. We erkennen dat we uw oordeel verdiend hebben. Het zondigen zit ons in het bloed. We waren al schuldig bij onze geboorte, zelfs al zondig toen onze moeder ons ontving. Er leven allerlei slechte neigingen in ons, die tegen u en onze naaste ingaan. Dagelijks overtreden we uw geboden met onze gedachten, woorden en daden. Wat u ons geboden hebt, hebben we nagelaten en wat u ons verboden hebt, hebben we juist gedaan. We hebben zo tegen u gezondigd, dat we het niet meer waard zijn uw kinderen te heten. Wie zijn wij dat we onze ogen durven op te slaan naar u in de hemel”.
Wie zijn wij? Het eigendom van Jezus Christus! Toch? Van nature zijn we inderdaad zo slecht als in dat formuliergebed staat. Maar moet het in de kerk wel gaan over de mens die we van nature zijn? Want dan doen we net of Christus nog niet gekomen is. Maar wat blijft er dan van de kerk over? Niets toch? Want het enige dat ons bindt is de persoon en het werk van de Here Jezus. Zonder Hem zijn wij geen broeders en zusters van elkaar (of we moeten van nature al familie van elkaar zijn). Misschien kijkt u zo wel eens naar de kerk. Met sommige mensen heb je wel wat. Omdat ze uit dezelfde familie komen. Omdat ze uit hetzelfde dorp komen. Omdat ze dezelfde opvattingen hebben. Mensen met wie je die band niet voelt, daar heb je niks mee. Maar is de gemeente van Christus dan tussen twee zondagen in al weer uit elkaar gevallen? Door elke week weer bij nul te beginnen, ontstaat de indruk dat de kerk zich elke week weer opnieuw moet vormen. Alsof we elke zondag weer het eigendom van onze trouw Heiland Jezus Christus moeten worden.
Dat heeft iets raars. Want dat zou betekenen dat de dienst die we een week geleden meegemaakt hebben niets met ons gedaan heeft. Nu doet de ene kerkdienst je ook meer dan de andere. Het zal je vaak genoeg overkomen dat je heel diep na moet denken om weer boven water te krijgen waar het afgelopen zondag ook weer precies over ging. Maar we moeten niet doen of dat normaal is. Want dan ga je er bij voorbaat vanuit dat het effect van een kerkdienst wel weer nul zal zijn. Dat is funest voor de verwachting waarmee je naar de kerk gaat. Want wat er ook gezegd, gezongen of gedaan wordt in zo’n kerkdienst, je wordt er toch niet anders van. Volgende week ben ik weer net zo’n grote zondaar als vandaag. Maar dan doen we niet alleen onszelf, maar ook God tekort. Van een dominee hoef je inderdaad niet veel te verwachten. Tenzij God Hem wil gebruiken om in je hart te werken met zijn woord en Geest. De enige reden om naar de kerk gaan is de gegronde verwachting dat God dat inderdaad wil doen. Want als je het eigendom van je trouwe Heiland Jezus Christus bent, dan mag je ook weten dat Hij je met zijn Geest zekerheid wil geven van het eeuwige leven en je van harte bereid wilt maken om voortaan voor Hem te leven.
We mogen zondag 1 dan ook niet vergeten, als we beginnen met de behandeling van de leer over onze ellende. Zondag 1 zet ook de toon voor zondag 2. Ook in mijn zonde en ellende ben ik het eigendom van Jezus Christus, die met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost heeft. Ja, ik geloof dat je pas voelt hoe groot je zonde en ellende is, als je je het eigendom van Jezus Christus weet.

Heb je niks met Christus, hoe zul je je dan schuldig voelen tegenover Hem? Dat is ook de reden waarom vermaangesprekken vaak zo moeilijk verlopen. Je wel tegen een andere zeggen dat hij in zonde leeft, maar dat zegt hem weinig als hij al niet zoveel met God heeft. Zonde is dan niet meer dan het overtreden van een regel. Een regel die de kerk misschien bedacht heeft, maar waar jij het niet mee eens bent. Want die kerk, daar heb je al helemaal niks mee. Een vermaangesprek gaat pas lopen, als je beseft dat je God met je zonden verdriet doet, terwijl je dat nu juist niet wilt. Je wilt juist dicht bij Hem leven en realiseert je dat er afstand tussen Hem en jou aan het ontstaan is. Dan pas zul je je geroepen voelen je tot God te bekeren.
Zo wil ik vanmiddag zondag 2 met u lezen. Pas in de relatie met Christus leer je je zonden en ellende kennen.

Nu zegt zondag 2 dat je je ellende leer kennen uit de wet van God. De HC heeft er ook wel een goede reden voor om dat antwoord te geven. Want dat staat zo letterlijk in de Bijbel: “de wet leert ons de zonde kennen” (Rom.3,20; vgl. 7,7). In Paulus’ brief aan de Romeinen, om precies te zijn. Maar Paulus schrijft dat nog steeds aan mensen die al tot geloof gekomen zijn: “aan allen in Rome, geliefden van God, geroepen door Jezus Christus om Gods heiligen te zijn” (Rom.1,6.7). Als Paulus in die brief de wet ter sprake brengt, blijkt ook dat die wet pas pijn gaat doen als je Jezus Christus kent. Zo was het bij Paulus zelf ook gegaan. Zolang hij Christus niet kende, meende hij dat hij die wet best kon houden. Schuldig voelde hij zich pas toen Jezus Hem riep: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij?” (Hnd.9,4). Zo was het ook bij de Romeinen gegaan. Ze waren niet vastgelopen in hun gehoorzaamheid aan de tien geboden en slaakten een zucht van verlichting toen ze hoorden dat Christus hen al van de vloek van de wet verlost had. Nee, toen ze Christus leerden kennen, gingen ze ook de wet van God met nieuwe ogen lezen. Toen pas ontdekten ze hoe hard ze Christus eigenlijk nodig hadden. Zonder Hem leek het heel wat, maar door Christus ontdekten ze dat ze veel dieper gevallen waren dan ze vroeger doorhadden.
Ook de HC komt daarbij uit. Want ook die zegt dat we onze ellende leren kennen door de wet zoals Christus die ons leert te lezen. Want wat eist God in zijn wet van ons? Dat leert Christus ons. In de samenvatting die Hij ervan gegeven heeft in Mat.22,37-40 en in de samenvatting die Hij ervan gegeven heeft in zijn eigen leven en sterven. Dat het in de wet gaat om liefde voor God en liefde voor je medemensen, dat leer je pas goed als je dichtbij Jezus blijft. Hij heeft de wet van God vervuld, niet door zich aan de regeltjes te houden, maar door in heel zijn doen en laten lief te hebben.

Maar hoe dicht kun je bij Jezus blijven? Als er iemand was die dat tot het bittere einde geprobeerd heeft, dan Petrus wel. Vlak voor Jezus’ arrestatie in de tuin van Getsemane had hij Jezus nog bezworen: “Misschien zal iedereen u afvallen, ik nooit”. Jezus kon Hem dat niet uit zijn hoofd praten, ook niet met de woorden: “Ik verzeker je, in deze nacht zul je, nog voor de haan gekraaid heeft, mij driemaal verloochenen”. Want Petrus antwoordde: “Al zou ik met u moeten sterven, verloochenen zal ik u nooit” (Mt.26,33-35).
En Petrus lijkt woord te houden. Als iedereen Jezus afvalt, blijft Hij hem trouw. Kom hem niet aan Jezus. Kijk maar eens hoe hij zijn zwaard trekt, als de mannen van de hogepriester Jezus in willen rekenen. Daar ligt het oor van de dienaar van de hogepriester al op de grond. Wie niet horen wil, moet maar voelen. Maar Jezus raakt het oor van zijn vijand aan en geneest het.
Stel dat je die dienaar van de hogepriester zou kunnen vragen: Waar uit ken jij je ellende?, dan zou hij niet geantwoord hebben: “Uit de wet van God”. Want hoe slecht hij zelf was, daarvan werd hij zich van bewust toen hij ervoer hoe goed Jezus was. Malchus heette hij (Joh.18,10). Het zou me niet verbazen als die naam bekend gebleven is in de kring van Jezus’ leerlingen, omdat Malchus zich bij die kring heeft aangesloten.
Maar Petrus lijkt zichzelf buiten de kring van Jezus’ leerlingen te sluiten. Als hij tegen de morgen de haan hoort kraaien, gaat hij naar buiten en huilt hij bitter.
Waarom huilt Petrus zo bitter? Dat lijkt misschien maar een vreemde vrraag. Want hij had Jezus toch verloochend, zoals Jezus al gezegd had? Toch vinden we in het evangelie van Lucas een zinnetje dat een bijzonder licht werpt op het berouw van Petrus. Want wat staat er? “Toen de haan kraaide, draaide de Heer zich om en keek Petrus aan. Toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer: ‘Nog voor er vannacht een haan gekraaid heeft, zul je mij 3x verloochenen’. Hij ging naar buiten en huilde bitter”.
Waarom ging hij dus naar buiten? Omdat hij Jezus’ blik niet kon verdragen. Keek Jezus hem dan zo verwijtend aan, zo van: “Zie je nou wel, ik had ’t toch al gezegd”? Ik geloof er niks van. Ook toen keek Jezus hem vol liefde aan. Want hij had zich ook voor Petrus laten binden, om ook Petrus in vrijheid te stellen.
In het evangelie van Lucas blijkt dat ook uit de woorden die Jezus tot Petrus sprak toen hij aan de ingang van zijn lijden stond. Want Jezus zegt tegen Petrus: “Simon, Simon, weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken” (22,31-33). Zelfs toen Petrus in zonde viel, werd hij gedragen door Jezus’ gebed. Op dat gebed breekt Petrus in snikken uit. Nu pas voelt hij dat zonder Jezus niets kan beginnen. Toch maakt dat hem tot de man die zijn broeders mag sterken. Niet met de kracht die hij in zijn eigen liefde voor Jezus gevonden heeft, maar met de kracht die hij in Jezus’ liefde voor hem gevonden heeft.

Wij moeten niet eerst onze ellende maar eens grondig leren kennen, voor we erop mogen rekenen dat we verlost kunnen worden. Zo wordt zondag 2 uitgelegd in allerlei gereformeerde gemeenten. Pas als je kapotgeslagen bent door de hamer van de wet, mag je er misschien op hopen dat Christus je wil verlossen. Maar zo is het niet. Denk je liever eens in dat Christus je liefdevol aankijkt op het moment dat jij hem verloochent met je gedachten, je woorden of je daden. Dan voel je je pas ellendig.
En toch, wat zou je doen als Jezus ook tegen jou zei wat Hij tegen die overspelige vrouw zei? “Al veroordeelt iedereen je, ik niet. Ga heen en zondig vanaf nu niet meer” (Joh.8,11).

Amen.