Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De HEER zal erin voorzien
titel : De HEER zal erin voorzien
datum : 28 april 2013
volledige onderwerp : Zondag 10
Download deze preek.

Preek over Zondag 10 HC (Niezijl, 4-10-’98/Grijpskerk, 11-10-’98; bewerkt voor Den Ham, 28-4-13)

Ps.131
L Pred.9,11,12
L Jes.45,1-8
L Lc.10,30-35
Ps.3:1,2
T HC 10
Ps.121:1,2 / apostolische geloofsbelijdenis / 3,4
Lied 432 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Stil. Luister. De Here Jezus vertelt een verhaal. Een gelijkenis. “Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde ”.
Hoezo? Wat had hij daar te zoeken? Iedereen weet toch hoe onveilig die weg is? ‘t Stikt daar van de rovers. Wat bezielt zo’n man, om daar in z’n eentje van Jeruzalem naar Jericho re reizwen? Wat dacht hij: “Loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede, ja alle dingen, dus ook leven en dood, vallen ons maar niet bij toeval, maar uit de vaderhand van de Voorzie¬nigheid ons ten deel. Dus als ik in de handen van de rovers val, dan heeft ‘t zo moeten zij.? Dan was ‘t mijn tijd”? Maar je mag jezelf toch ook niet moedwillig in gevaar begeven? Er staat toch ook in de Bijbel: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef” (Mt.4,7)? Als je jezelf onverant-woordelijk gedraagt, dan moet je naderhand niet zeggen: God heeft dat zo geleid.
Hè, val de Here Jezus niet in de rede. Goed. “Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers,” – zie je nou wel? – “die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs”.
Hè? Toevallig? Zegt de Here Jezus dat? De kanttekenaars bij de Statenvertaling zitten er al wat mee. Zij plaatsen meteen een kanttekening bij dat woordje. “Bij geval, dat is: zonder voorbedachtheid, namelijk ten aanzien van deze menschen. Want anderszins ten aanzien van de voorzienigheid Gods geschiedt er niets bij geval”. De redenering van de kanttekenaars is duidelijk. Vanuit die priester gezien was ’t stom toeval dat hij daar net bij die man langskwam die daar voor dood langs de weg lag. Hij kwam daar langs “zonder voorbedachtheid”. Maar vanuit God gezien was ‘t geen toeval dat die priester daar langsging, want ten aanzien van de voorzienigheid Gods geschiedt er niets bij geval. Hij bestuurt alles. Hij stuurt dus ook die priester langs die gewonde man. Waarom dan? Want als Gód die priester daar langs stuurt, dan moet Hij daar toch ook een reden voor hebben.
Nu wordt er wel eens gezegd: “Je moet niet vragen: waarom?, maar: waartoe!”. Daar bedoelt men mee dat je niet moet vragen waar je dit aan verdient hebt, maar dat je moet proberen te ontdekken waar dit toe dient. Want zelfs met het kwaad dat God je in dit moeitevol leven toedeelt heeft Hij een goede bedoeling. Toch komen we ook met die benadering niet altijd uit. Want waartoe stuurde God die priester dan langs die gewonde man? Welk doel diende dat? Je zou zeggen: geen enkel doel. Want “toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen”. Nu zou je misschien nog kunnen zeggen dat de komst voor die man die daar voor dood op de grond lag geen zin had, maar voor ons als toeschouwers wel. Want zo komt wel mooi de schijnheiligheid van die priester aan het licht. Een heel verschil met die barmhartige Samaritaan, die even later - voor zijn eigen gevoel ook stomtoevallig – voorbijkomt. Maar dát was natuurlijk géén toeval. God plaatste die barmhartige Samaritaan op de weg van die gewonde man. Of niet?

Alleen al zo’n eenvoudig verhaal als de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan plaatst ons voor de onoplosbare vragen die de belijdenis van Zondag 10 over de voorzienigheid Gods oproept. Als iemand in handen van misdadigers valt, betekent dat dan ook meteen, dat God dat zo bestuurd heeft? Er is toch ook zoiets als onze eigen verantwoordelijkheid? Er is toch ook zoiets als de macht van het kwade, de duivel? Je zou toch ook kunnen zeggen dat de duivel achter zo’n moordaanslag zit? Dat is op een bepaalde manier ook wel een geruststellende gedachte. Want als dat Gods werk was, wil ik zo’n God dan wel dienen? Als die rovers slechts marionetten in de hand van God zijn, is God dan in feite niet de rover? Maar gelukkig was het Gods schuld niet. Gelukkig is er ook nog een duivel. Maar dat is ook wel weer een beetje een rare uitspraak. Gelukkig is er ook een duivel? Moet de duivel dan ons geloof in de goedheid van God redden? Dat roept nog grotere vragen op. Want als de duivel degene is die achter het kwaad in de wereld zit, waar is God dan? Heeft Hij de duivel dan niet in zijn macht? Is de duivel dan sterker dan God? Als we dat toch ook niet geloven, wat schieten we er uiteindelijk dan mee op om de duivel de schuld te geven: niks toch? We hebben ‘t probleem alleen verschoven, niet opgelost.
En dan dat simpele woordje: “toevallig”. Dat kan de Here Jezus toch niet menen? Hij zegt toch zelf, dat zelfs er nog niet één mus dood neervalt, als onze hemelse Vader het niet wil (Mt.10,29) Hoe kan Hij dan zeggen dat er “toevallig” een priester langskwam? Of is dat alleen maar een menselijke spreekwijze. Zo van: Vanuit óns gezien gebeuren allerlei dingen toevallig. Wij kunnen de zin van allerlei dingen niet inzien, maar dat betekent daarom nog niet dat die zin er niet is.

Zondag 10 is één van de meest geliefde, maar tegelijk ook meest gehate zondagen van de Heidelbergse Catechismus. En in beide gevallen is deze zondag de belijdenis waar het geloof mee staat of valt. Voor de één vált het geloof met zondag 10. Als alle dingen ons uit Gods vaderhand ten deel vallen, dus ook het kwaad en het lijden in deze wereld, dan hoef ik zo’n God niet. Zo’n God is een beul. Zo’n God is zelf de duivel. Voor de ander stáát het geloof met zondag 10. Want als het kwaad en het lijden dat ons overkomt alleen maar blind toeval is, wat heeft het dan voor zin? Maar als er een Vader achter al dat kwaad en al dat lijden staat, dan is dat kwaad tenminste nog ergens goed voor. Dan heeft het tenminste nog zin, ook al zie ik die zin dan ook niet. Dan kan ik er in elk geval, hoe moeilijk dat ook is, nog vrede mee hebben. Dan kan ik er nog in berusten. Dan ben ik in elk geval geen speelbal van het kwade.

Ik hoorde jaren geleden eens een lezing van de professor dogmatiek van de Vrije Universiteit in Amsterdam. En in de bespreking kwam hij met een voorbeeld uit de tijd dat hij zelf nog dominee was. Hij vertelde dat in z’n pastoraat hij kort na elkaar twee vrouwen bezocht had, die al vroeg in hun huwelijk hun man verloren hadden. De eerste vrouw zei tegen haar predikant: “Dominee, wat ben ik toch blij dat ik van u geleerd heb dat God mij dit niet aangedaan heeft, maar dat God degene is die met mij meelijdt. Want als God mij dit aangedaan had, met zo’n God had ik niet kunnen leven. Dan was ik mijn geloof in Hem kwijtgeraakt”. Dominee was blij dat die vrouw zijn preken zo goed begrepen had. Opgewekt belde hij bij die andere vrouw aan. Die zei tegen hem: “Dominee, wat ben ik toch blij dat dit mij niet door een vreemde aangedaan is, want anders was ik wanhopig geworden van verdriet”. En dominee krabde zich nog eens achter zijn oren. Moest hij nou tegen die vrouw zeggen, dat zij zich vergiste; dat God haar dit helemaal niet aangedaan had? Daarmee zou hij die vrouw haar laatste houvast ontnemen; daarmee zou hij haar tot wanhoop drijven. En dat kon toch ook niet de bedoeling van zijn pastoraat zijn. Ook begreep hij nu pas voor ‘t eerst, hoeveel die belijdenis van zondag 10, waar hij zelf niks van moest hebben, voor sommige mensen betekende. Had hij die belijdenis misschien te snel bij de vuilnis gezet, omdat hij eigenlijk helemaal niet wist waar hij over praatte; omdat hij zelf nog nooit in een situatie gezeten had waarin je niet meer weet waar je ‘t zoeken moet; en dat je dan uiteindelijk je houvast vindt in de belijdenis van Zondag 10, de belijdenis van het voorzienig bestel van een God die in alles je Vader is?

En déze dominee dan, uw predikant? Wat vindt die ervan? Wie van die twee vrouwen had er nu gelijk, dominee De Jong? Laat ik allereerst zeggen, dat ik er heel weinig voor voel mijn eigen rechtzinnigheid m.b.v. zondag 10 hier eens even breed uit te meten. Zondag 10 is geen zondag om je gelijk mee te halen. Met het lijden moet je niet willen scoren. En ik pas er dan ook voor om, met zondag 10 in de hand, die eerste vrouw, die het zo’n troost was dat God niet de hand zou hebben gehad in de dood van haar man, met zondag 10 een trap na te geven. Ik kan te goed meevoelen met een schrijver als Maarten ‘t Hart, die zijn moeder onder zijn ogen aan de kanker kapot zag gaan, om hem aan de gereformeerde schandpaal te nagelen, als hij op de eerste bladzijde van zijn boek vol bitterheid Zondag 10 afdrukt, en vervolgens de kerkdeur met een knal achter zich dichtsmijt.
Maarten ‘t Hart en Zondag 10, het was – in elk geval in mijn jeugd – zo’n beetje het standaardvoorbeeld in preken over Gods voorzienigheid. En ik hebl te vaak gehoord dat gereformeerde dominees hun crisisloze gelijk gingen halen met het bittere verdriet van die man. Dan zeggen ze dat de ouderlingen die Maarten ‘t Hart in zijn boek laat opdraven rond het bed van zijn moeder karikaturen zijn. Ouderlingen die het presteren om de Bijbel open te slaan bij het boek Job: “De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd” (Job 1,21b). Nu, zulke ouderlingen zijn geen karikaturen, en zulke dominees ook niet. Ik weet van een gezin waarin de kinderen achter elkaar aan stierven, omdat ze aan een geheimzinnige ziekte leden. Toen hun dominee het presteerde om die woorden uit Job voor te lezen, vloekte de vader het bijna uit: “Maar ik ben Job niet!” Zulke troosters zouden eens door moeten lezen in het boek Job: “Weeg mijn verdriet en mijn boosheid, leg mijn lijden erbij in de weegschaal” (Job 6,2), en: “Dit soort dingen heb ik al zo vaak gehoord, niets dan ellende brengt mij jullie troost” (Job 16,2).

Zondag 10 is een gevaarlijke belijdenis in de mond van mensen die niet weten waar ze over praten. En het is een onuitputtelijke troost voor mensen die wel weten waar ze over praten. De belijdenis van zondag 10, dat is de belijdenis van Abraham tegenover zijn zoon Isaak, toen die hem vroeg: “Vader, we hebben vuur en hout, maar waar is het lam voor het offer?’ Toen antwoordde Abraham: ‘God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen”. De Heer zal erin voorzien, dat is een belijdenis in een ondoorzichtige wereld, over God die ons begrip te boven gaat.
Geen makkelijke praat, waardoor ineens alles zo klaar als een klontje wordt, zo van: God doet alles in deze wereld. Hij schenkt een dronkenlap vol met alcohol en laat die man vervolgens een kind doodrijden, want het was zijn tijd. Of: Niet de Duitsers hebben zoveel miljoen Joden vergast, God heeft dat gedaan. Dat is wrede, makkelijke praat, waardoor we alles weer in kannen en kruiken hebben. Het klopt weer precies: Alles komt uit Gods hand, maar ‘t heeft helemaal niks met het evangelie van zondag 10 te maken heeft.
Zondag 10 geeft ons houvast in een onbegrijpelijk chaotische wereld, waarop wij geen grip hebben. Zondag 10 geeft houvast aan een onbegrijpelijk machtige God, op Wie wij geen grip hebben. Houvast aan een God op Wie je geen grip hebt, houvast in een wereld waarop wij geen grip hebben: dat is zondag 10. Begrijpt u dat? Toch schenkt deze leer ons, volgens art.13 van de NGB ons een onuitsprekelijke troost, ook al gaat zij ons menselijk verstand verre te boven.

Wij leven in een ondoorzichtige, onbegrijpelijk chaotische wereld. Prediker zegt: “Ik heb onder de zon opnieuw gezien dat niet altijd een snelle hardloper de wedloop wint, een sterke held de oorlog, dat hij die wijs is niet altijd zijn brood heeft, en hij die inzicht heeft de rijkdom, hij die bekwaam is het respect. Zij allen zijn afhankelijk van tijd en toeval. Nooit weet de mens wanneer zijn tijd gekomen is: zoals de vissen verraderlijk worden gevangen door de fuik en de vogels door de val, zo wordt de mens verrast door de verraderlijke tijd, wanneer die als een klapnet op hem valt”. Tijd en toeval! Bestaat dat dan: toeval? Ja, dat bestaat. Zoals de apostel Paulus ergens zegt: “De schepping is ten prooi aan zinloosheid” (Rom.8,20). Sinds de zonde in de wereld kwam en de aardbodem door God vervloekt werd, is de goede orde van het begin verstoort. Het toeval heeft z’n intrede gedaan. Er gebeuren dingen die niet goed zijn en die geen zin hebben. We moeten het niet mooier maken dan het is. Lijden en dood zijn horen bij de zinloosheid die over het bestaan gekomen is. Zo had God zijn wereld niet bedoeld.
Daarbij, wij geloven in een onbegrijpelijk machtige God. De Here zegt bij monde van Jesaja: “Ik ben de HEER, er is geen ander die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept.
Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet”. Ook het donker, ook het onheil. Mensen die met de beste bedoelingen God daarbuiten willen houden onderschatten Hem. Wij kunnen geen boedelscheiding maken, zo van: het goede komt van God, en het kwade komt van de duivel, of: dat is het werk van mensen. Nee, God is onbegrijpelijk machtig, ook in zijn oordelen die Hij over de aarde doet gaan. Wij kunnen Hem niet narekenen, lees maar eens verder in het boek Job.

En juist dát geloof, in die, voor ons gevoel, donkere kant van God, is ons tot een onuitsprekelijke, want onbegrijpelijke troost. De schepping is ten prooi gevallen aan de zinloosheid. Allen zijn afhankelijk geworden van tijd en toeval. De schepping is op hol geslagen en het noodlot slaat soms zomaar toe. Maar God heeft ook de zinloosheid, het toeval, het noodlot in zijn hand. Hij kan ook de duivel – de dia-bolos, Grieks voor: door-elkaar-gooier – tot de orde roepen. Hij heeft ook zijn vijand in zijn hand en kan zelfs zijn tegenstander tot zijn handlanger maken. Zoals Hij Cyrus, de machtige koning van de Perzen, de dwingeland, die Gods volk, de ballingen in Babel onder de duim houdt, maakt tot een instrument om zijn volk te verlossen. Hij kan wat Hij niet wil maken en breken. Hij kan wat van zichzelf zinloos is een zin geven. Hij kan de opperste zinloosheid, de dood, het niets dat het laatste woord heeft, maken tot het vóórlaatste woord. Omdat Hij het eerste woord heeft en al in den beginne alles uit niets geschapen heeft. Hij kan het kwaad in het gareel brengen en het doen meewerken ten goede. Of zoals art.13 v/d NGB dat zo weergaloos belijdt: “God is niet de bewerker van de zonde die gedaan wordt (en dat betekent dus ook dat we niet te snel moeten zeggen dat Hij de bewerker is van het kwaad dat gedaan wordt), en evenmin draagt Hij er de schuld van. Want zijn macht en goedheid zijn zó groot en gaan ons begrip zó te boven, dat Hij zijn werk zeer goed en rechtvaardig beschikt, ook al handelen de duivelen en goddelozen onrechtvaardig”.

Zondag 10 is geen belijdenis van een systeem, een systeem dat inzichtelijk is, een systeem dat God heet, die alles doet. Nee, in ons leven zit van zichzelf geen lijn meer, in deze wereld zit van zichzelf geen lijn meer. Gód bréngt er lijn in. En dat is heel wat anders.
Deze wereld is geen gesloten systeem, dat aan elkaar hangt van natuurwetten. Nee, ons leven kent allerlei losse eindjes waar geen touw aan vast te knopen valt. Allerlei open eindjes. Maar dat betekent ook dat dit leven nog steeds openstaat voor het wonder, dat niet in de lijn der verwachtingen ligt, maar dat God in zijn voorzienigheid toch geeft: De Here zal er in voorzien, m’n jongen.
Deze wereld is geen gesloten systeem. Zij staat open voor het wonder en voor het gebed. En zondag 10 roept daar ook toe op. Zondag 10 roept niet op tot fatalisme, tot doffe berusting: God doet toch alles, daar heb je toch geen invloed op. Nee, als wij niet overgeleverd zijn aan een noodlot maar aan Gods vaderhand, dan mag je zijn sterke arm er ook bij roepen, in het geloof dat Hij ook werkelijk kan ingrijpen. Iemand heeft eens gezegd: “Als God ons leert bidden, dan wil Hij blijkbaar dat wij onze neus in zijn zaken steken”. Dat is kras gezegd, maar zo is het wel. Bidden om een wonder, omdat wij niet geleefd, maar geregeerd worden.

En misschien plaatst Hij wel een barmhartige Samaritaan op je weg, die toevallig voorbijkomt.

Amen.