Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Kind zijn en blijven
titel : Kind zijn en blijven
datum : 24 maart 2013
volledige onderwerp : Zondag 39
Download deze preek.

Preek over HC zondag 39 (Den Ham 24-3-13)

Ps.34:1,5,6
Psalm 105:5 (na dopen Johannes Willem Alfing en Stijn Frederik Veurink)
Kinderopw.185
L Ps.131
Lied 427:4,5,7
T HC zondag 39
Gez.179a
Ps.131 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Wee de man in wie het kind gestorven is”. U hebt die kreet misschien wel eens gehoord. Het klinkt natuurlijk wat gezwollen: “Wee de man in wie het kind gestorven is”. Daarom een voorbeeld uit de dierenwereld om te laten zien dat er veel moois in die kreet zit.
Onze Poes is inmiddels een bedaagde heer van tien jaar oud. Maar als hij een potlood op de grond ziet liggen, wordt hij ineens weer jong. Voorzichtig steekt hij een poot uit om dat ding mee te beroeren. Als hij het niet dacht: er zit beweging in! Het duurt maar even of Poes is aan een partijtje ijshockey begonnen. Het potlood vliegt de hele kamer door en Poes rent erachter aan om het een tik te kunnen geven zodra het tot rust komt.
Soms zie je hetzelfde bij grote mensen gebeuren. Als het kind in hen wakker wordt, kan wat wel en niet hoort ze even niets meer schelen. Mooi om te zien is dat. Volwassenen die altijd in de plooi blijven zouden dus nog wel wat van Poes kunnen leren.

Het verband tussen de kreet: “Wee de man in wie het kind gestorven is”, en het gebod: “Toon eerbied voor je vader en je moeder”, lijkt ver te zoeken. Vooral omdat dat vijfde gebod zo eerbiedwaardig klinkt. Toch is dat niet zo. Het vijfde gebod houdt het kind in je levend. Het leert kinderen dat ze kind mogen zijn en ouders dat ze kind mogen blijven.

Dat het vijfde gebod ook betekenis heeft voor ouders blijkt uit de uitleg die Paulus ervan geeft in Ef.6,1-4. Eerst spreekt hij de kinderen aan: “Kinderen, wees gehoorzaam aan je ouders uit ontzag voor de Heer, want zo hoort het. ‘Toon eerbied voor uw vader en moeder,’ dat is het eerste gebod waaraan een belofte verbonden is: ‘Dan zal het u goed gaan en zult u lang leven op aarde’”. Maar daarna zegt hij tegen de ouders: “Vaders, maak uw kinderen niet verbitterd, maar vorm en vermaan hen bij het opvoeden zoals de Heer dat wil”. Oftewel: Ouders moet het kinderen niet zwaar maken om eerbied voor hen te hebben.
Veel preken over het vijfde gebod gaan eigenlijk daarover. Kun je nog wel eerbied hebben voor je vader en je moeder, als de manier waarop ze met je omgegaan zijn ertoe geleid heeft dat er een diepe vervreemding tussen je jou en hen ontstaan is? Je voelt waarschijnlijk wel aan dat je het vijfde gebod niet mag veranderen in een gebod 5b voor de kinderen: “Kinderen, toon eerbied voor je vader en je moeder”, waaraan dan een gebod 5a voorafgaat: “Ouders, verdien de eerbied van je zoon en je dochter”. Zo heeft Paulus het ook niet bedoeld, toen hij zei dat kinderen gehoorzaam moeten zijn aan het gezag van hun ouders, maar dat dat gebod ouders geen vrijbrief geeft hun kinderen het leven bitter te maken. Want ook al heeft het vijfde gebod ook betekenis voor de ouders, in het gebod zelf worden niet de ouders, maar de kinderen aangesproken. Dat blijft moeilijk te verteren. Alsof het bewaren van de goede verhoudingen in het gezin in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de kinderen is.
Nu is het wel de vraag welke kinderen er in het vijfde gebod aangesproken worden. Gaat het alleen om kinderen die nog thuis wonen of ook om kinderen die niet meer thuis wonen? Dat laatste kwam in het oude Israël nauwelijks voor. Kinderen bleven ook in hun trouwen bij hun ouders wonen, waardoor het gebod om eerbied voor je vader en moeder te tonen niet alleen betekenis had voor minderjarige, maar ook voor meerderjarige kinderen. Maar ook al is er een groot verschil tussen de situatie waarin het vijfde gebod toen klonk en waarin het nu klinkt, nog steeds staat er bij het vijfde gebod geen leeftijdsgrens. Ook als je allang niet meer thuis woont, moet je nog steeds laten zien dat je eerbied hebt voor je vader en je moeder. Je kunt je zelfs afvragen of de gehoorzaamheid aan het vijfde gebod wel komt te vervallen bij het overlijden van je ouders. Wij hoeven echt niet ineens aan voorouderverering te gaan doen. Maar de manier waarop tegenwoordig, ook in de kerk, met het voorgeslacht wordt afgerekend lijkt mij niet in de lijn van het vijfde gebod liggen.
Vanmiddag wil ik er echter vooral bij stilstaan dat het vijfde gebod je een houding aanleert waar zowel kleine als grote mensen de vruchten van mogen plukken. Het vijfde gebod leert je om in het leven te staan als een kind. Niet alleen in de omgang met mensen, maar ook in de omgang met God.

We hebben met elkaar Psalm 131 gelezen. Ook dat is een lied dat slechts zijdelings met het vijfde gebod te maken lijkt het hebben. Want het gaat weliswaar over een kind en een moeder, maar dat dat kind eerbied voor zijn moeder moet tonen lezen we niet in Psalm 131. Toch is er tussen dat kind en die moeder de verstandhouding ontstaan die de Here bedoelde, toen Hij zei: “Toon eerbied voor je vader en je moeder”. Laten we de Psalm maar eens rustig op ons in laten werken:
 
HEER, niet trots is mijn hart,
niet hoogmoedig mijn blik,
ik zoek niet wat te groot is
voor mij en te hoog gegrepen.

Het zal duidelijk zijn dat hier een volwassene aan het woord is. Toch staat hij op een kinderlijke manier in het leven. Uit het tweede couplet zal blijken dat die houding hem niet is komen aanwaaien. Daar zegt hij immers dat hij ziel tot rust heeft moeten brengen, om zich weer te voelen als een kind bij zijn moeder. Er is dus wel wat aan voorafgegaan voor deze man kon zeggen dat hij niet trots en hoogmoedig is
Dat neemt mij in elk geval voor hem in. Had hij me niet een kijkje in zijn ziel gegeven, dan had ik hem niet geloofd. Want mensen die van zichzelf zeggen dat ze niet trots en hoogmoedig zijn, zijn het ondertussen meestal des te meer. Deze man heeft zijn trots en zijn hoogmoed echter afgeleerd. Misschien omdat hij eerder wél pogingen gedaan heeft om te zoeken naar wat te groot was voor hem en te hoog gegrepen. In elk geval heeft hij er vrede mee dat de dingen die hij ambieerde buiten zijn bereik liggen. De dingen hebben hun geheim weer en dat is goed. Deze volwassene kijkt weer met de ogen van een kind naar het leven. Alsof hij helemaal geen ervaring met het leven heeft. Alles is groot en mooi en nieuw. Hoe hard de straatstenen waren, hij lijkt het vergeten te zijn als een kind dat uitgehuild heeft op de schoot zijn moeder.
Het wonderlijke is alleen dat hij helemaal niet uitgehuild heeft op de schoot van zijn moeder. Hij heeft uitgehuild bij zichzelf. “Stil, zei ik, stil maar, wees gerust. Ik was een moeder voor mijzelf. Ik ben een kind dat rust”. Zo wordt het tweede couplet van Psalm 131 vertaald in de Psalmen voor Nu. Een vondst waardoor de Psalm ineens gaat spreken. De dichter vervult dus beide rollen: de rol van moeder en de rol van kind. Ik denk dat hij die rol van moeder alleen kon spelen omdat zijn moeder hem vroeger geleerd heeft hoe je dat doet. Ik denk dat hij die rol van kind alleen kon spelen omdat hij van vroeger nog weet hoe dat voelt.
Psalm 131 verklapt het geheim achter het vijfde gebod. Als dat zegt: “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder”, dan gaat het niet in de eerste plaats om gehoorzaamheid, maar om eer, liefde en trouw, zoals de Catechismus terecht zegt. Hoe bewijs je je vader en je moeder nu eer, liefde en trouw? Door je vader te laten zijn wat hij is: je vader, en door je moeder te laten zijn wat zij is: je moeder. Psalm 131 laat zien hoe mooi dat is. Je hoeft niet alles te begrijpen om met vertrouwen in het leven te staan. Het is juist fijn dat je een vader en een moeder hebt die meer weten dan jij. Het is doet juist goed van hen mee te krijgen dat het echt wel goed komt.
Hoe fijn dat is en hoe goed dat doet blijkt meteen in Psalm 131. Want de dichter van deze Psalm wordt weer even het kind dat hij was. Of moet ik zeggen: het kind dat hij is? Want hij besluit zijn lied met de woorden: “Israël, hoop op de HEER, van nu tot in eeuwigheid”. Bij de HEER mag je dat kind zijn dat niet alles hoeft te weten om er op te kunnen vertrouwen dat het goed komt. Zoals we net gezongen hebben:

Laat Hem besturen, waken,
’t is wijsheid wat hij doet!
Zo zal Hij alles maken
dat Ge u verwondren moet,
als Hij, die alle macht heeft,
met wonderbaar beleid
geheel het werk volbracht heeft,
waarom gij thans nog schreit.

Het zijn wat ouderwetse woorden. Maar in die woorden klinkt hetzelfde basale gevoel van vertrouwen als in Psalm 131. De eerbied voor je vader en je moeder heeft dan ook alles te maken met de eerbied voor je Vader in de hemel. Het vertrouwen dat zij uitstralen: “Stil maar, het komt goed”, zou nergens op gebaseerd zijn als ze zelf niet zouden geloven dat het goed komt. Ze kunnen pas ouders zijn als ze zelf nog dat kind zijn dat met vertrouwen opkijkt naar zijn Vader. Gelukkig weet Hij meer dan ik. Gelukkig kan Hij meer dan ik. Dan komt het goed, ook al weet ik niet hoe. Dan komt het in orde, ook al weet ik niet wanneer.

De Catechismus zegt niet alleen dat kinderen in de omgang met onze ouders moeten leren wat eerbied, maar ook in de omgang met hun ouders moeten leren wat geduld is. Op dat punt ik heb ik wel mijn vragen. Ik ben me ervan bewust dat ik die vragen stel als zo’n beste stuurman die aan wal staat. Dus als u denkt: “Hij weet niet waar hij over praat”, dan geef ik u bij voorbaat gelijk. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat kinderen er niet geduldiger op worden. Tijdens een buffet vliegen kinderen meteen naar de bak met frietjes of naar de schaal met ijs. Maak u geen zorgen, ik zeg dat niet omdat ik bang ben dat de frietjes of het ijs op zijn als ik aan de beurt ben. Ik heb liever gebakken aardappelen en ben ook niet zo’n toetjesmens. Dus schep je bord maar vol, ik vind het best. Maar ik vind het niet best als kinderen niet leren om op hun beurt te wachten. Want kinderen die opgroeien met het idee dat alles om hen draait worden niet goed voorgesorteerd voor een leven waarin het niet om hen draait, maar om God en om hun naasten.
Maar als u zich daar niet in herkent, dan hoop ik dat u zich wel herkent in het beeld dat Psalm 131 oproept. Ja, ik hoop dat dat het beeld is dat ook Judah en Stijn zullen herkennen als ze later het vijfde gebod horen. In dat gebod worden kinderen hun plaats gewezen. De plaats van een klein kind bij een groot God. Een plek waarin eerbied en vertrouwen hand in hand gaan. Dan zullen ze later van harte meezingen:


U weet het, HEER,
ik ben niet arrogant, verbeeld me niets.
Ik doe niets bovenmenselijks,
Maar weet steeds wie en wat ik ben,
en overschreeuw dat niet.

Integendeel.
Ik zweeg toen ik bezorgd en angstig was.
Stil, zei ik, stil maar, wees gerust.
Ik was een moeder voor mezelf.
Ik ben een kind dat rust.

Jij, Israël,
Vertrouw de HEER en wees gerust. Vandaag
en morgen weer.

Amen.