Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Heimwee naar de sabbat
titel : Heimwee naar de sabbat
datum : 10 maart 2013
volledige onderwerp : Zondag 38
Download deze preek.

Preek over HC zondag 38 (GZR/GCS, 17-4-05; Oegstgeest, 22-1-06; Bodegraven, 13-4-08: Gouda, 15-6-08; geheel herzien voor Den Ham, 10-3-13)

Lied 1
Avondmaalsformulier V
Gez.179a
L Rom.8,1-6
Lied 244:1,2
L Ex.31,12-17
T HC zondag 38
Ps.116:4,5,10
Ps.84:5,6 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Sabbath

Heilige Dag, uw klare luister spreidt
Over alle dagen een teedre gloor
Van Schoonheid en uw Licht blinkt eeuwig door
Het Duister, dat zich over ons Volk breidt.

Ik bleef niet trouw. Mijn lusten zijn gedwaald
Langs al verboden wegen, maar ik keer
Moede van lust en verboden begeer
Naar de schoonheid, die van uw luister straalt.

Twee strofen uit een gedicht van Jacob Israël de Haan. Hier is een jood aan het woord die heimwee heeft naar de sabbat. Hij weet dat de weg terug naar het joodse leven van zijn jeugd afgesloten is. Zijn lusten hebben hem verboden wegen opgedreven, zegt hij. Hij bedoelt dat hij zijn homoseksualiteit ontdekt heeft, waar in het jodendom geen plaats voor was. Toch ging elke zaterdag, als hij met vrienden in de kroeg zat, door hem heen: het is vandaag sabbat. En elke keer deed dat pijn. Hij zegt ervan, in een ander gedicht:

Dikwijls met mijne maten aangezeten
Denk ik verkommerd: ‘Sabbath is 't vandaag’
Dan wordt drank wrang, bitter de bete.
Vriendschap een plaag.

Ach: hoeveel vrienden hebben mij geschonken
Aan menig maal overmaat van hun wijn,
Van wijn maar nooit van vreugde dronken
Verbeet ik pijn.

Kunt u van de zondag zingen zoals Jacob Israël de Haan van de sabbat? De tijd dat kerkelijke bladen week na week gevuld werden met antwoorden op de vraag wat misschien nog net wel en wat zeker vooral niet mocht op zondag is ook bij ons allang voorbij. Maar is daarmee de zondag van een last in een lust veranderd? De zondag mag veel minder een last zijn dan vroeger, maar het is ook veel minder de dag van de Heer. Is het niet vooral een dag voor onszelf geworden?
Ik merk bij mezelf dat ik daar steeds minder vrede mee heb. Mij bekruipt soms de vraag of wij het geheim van de sabbat niet kapot gediscussieerd hebben. Het is allemaal heel erg terecht als wij zeggen met artikel 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zeggen dat de sabbat één van die schaduwachtige gebruiken van het oude verbond is, die met de komst van Christus hebben afgedaan. Toch spreekt uit onze belijdenis ook het besef dat de nieuwtestamentische gemeente niet moet menen dat zij wel klaar is met die oudtestamentische geboden. Want artikel 25 zegt ook: “Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zij hun vervulling hebben”. In de lijn van die belijdenis zeg ik dat God ook voor ons in het sabbatsgebod een geheim bewaard heeft dat het waard is ontdekt te worden. God had immers zelf gezegd in Exodus 31: “Generatie na generatie moeten de Israëlieten de sabbat in acht nemen en vieren. Voor mij en hen is die dag een teken van een eeuwigdurend verbond, want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zevende dag heeft hij gerust om op adem te komen”. Natuurlijk, de Here noemt de sabbat nadrukkelijk een teken van het verbond tussen Hem en Israël. Maar de kerk uit de heidenen is wel op dat verbond met Israël geënt (Rom.11,17), “en op Gods rol, waar Hij de volken schrijft, telt Hij ons als in Isrel ingelijfd” (Ps.87,4). Er is continuïteit tussen Israël en de kerk, tussen de besnijdenis en de doop, en ook tussen de sabbat en de zondag.
Ik druk mij voorzichtig uit: “er is continuïteit tussen sabbat en zondag, zoals er continuïteit is tussen Israël en de kerk, en tussen besnijdenis en doop”. Maar het kan zijn dat die voorzichtige formulering sommigen van u nog niet voorzichtig genoeg is. Want waarin bestaat die continuïteit tussen sabbat en zondag dan in? Dat je nog steeds één bepaalde dag aan de Here moet wijden? Maar de Catechismus zegt toch niet: “dat ik op de éérste dag van de week mijn wérken nalaat”, maar dat ik “ál de dagen van mijn leven mijn sléchte werken nalaat”. Dat staat er inderdaad. Maar dat het vierde gebod betekenis heeft voor alle dagen van de week, sluit niet uit dat het óók betekenis heeft voor één dag in de week.
Dat was trouwens in het oude testament ook al zo. Ook toen had het sabbatsgebod betekenis voor alle dagen van de week. Zo horen we Gods volk bij de profeet Amos mopperen: “Wanneer is de sabbat voorbij, zodat we weer graan kunnen verhandelen?” Maar de Here antwoordt: “Jullie maken de efa kleiner, jullie maken de sjekel zwaarder en jullie knoeien met de weegschaal. Jullie kopen de zwakken voor een handvol zilver, de armen voor een paar sandalen, en jullie zeggen: ‘Ook het kaf verkopen we als graan!’” (8,5.6) God koopt er dus niks voor als zijn volk formeel correct de sabbat houdt, maar ondertussen steeds op zijn horloge zit te kijken: Wanneer kunnen we ons weer verrijken? De besnijdenis is niks als het hart onbesneden blijft, een schuldoffer is niks als het niet gebracht wordt vanuit een diep zondebesef, en zo is de sabbat niks als die niet meer inhoudt dan één keer per week verplicht wat aan God doen, om verder goddeloos te leven.
Er wordt dan ook een valse tegenstelling gecreëerd, als gezegd wordt dat het sabbatsgebod in het oude testament betekende dat je één dag per week niet mocht werken, maar in het nieuwe testament dat je zeven dagen per week met God moet leven als zijn kind; dat het toen ging om het je houden aan de regeltjes en dat het nu gaat om je hart. Want toen ging het net zo goed om je hart en nu gaat het net zo goed om het je houden aan de regels.

Dat laatste strijkt u misschien wat tegen de haren in: dat leven met God nog steeds zou betekenen dat je je aan de regels moet houden. Toch staat het zo in het stukje uit Paulus’ brief aan de Romeinen, dat we met elkaar gelezen hebben: “Waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door de menselijke natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft Hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, opdat in ons wordt volbracht wat de wet eist. Ons leven wordt immers niet langer beheerst door onze eigen natuur, maar door de Geest”. Vroeger stond er: “opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest”. Als de Heilige Geest in je werkt, blijkt dat dus daaruit dat je begint te leven zoals God het vroeger in zijn wet had voorgechreven. God schrijft die wet nu door zijn Geest in je hart. Mensen die werkelijk vervuld zijn met de Heilige Geest, die is het sabbatsgebod dus uit het hart gegrepen. Het is hun diepste verlangen hun tijd te besteden tot eer van God. In de woorden van een bekend gezang:

Neem mij leven, laat het, Heer,
toegewijd zijn aan uw eer.
Maak mijn uren en mijn tijd
tot uw lof en dienst bereid (Lied 473:3).

Dus niet alleen die 2 uren dat je in de kerk zit, maar al je uren? Dus niet alleen die ene dag in de week, maar al de dagen van je leven? Inderdaad. Dat is je diepste verlangen, als je wandelt door de Geest.
Maar betekent dat dus ook dat je een gebod dat zegt: “Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet”, maar beneden je niveau vindt? Ik kan het me niet voorstellen. Als je werkelijk je hele leven aan God wilt wijden, ben je juist dolgelukkig als je de ruimte krijgt daar een begin mee te maken.
Als je je leven zo graag met God zou willen delen, is het frustrerend als daar in de praktijk maar weinig van komt. Je hebt nu eenmaal je werk, je taken, je verplichtingen. Dat zijn ook geen dingen die er niet toe doen. Juist in het vierde gebod waarschuwt God ons voor overgeestelijkheid. Want Hij eiste niet van zijn volk dat alle zeven dagen van de week zouden heiligen, maar één dag. Hij doet dat mede bedoeling ons tot navolgers van Hemzelf te maken. Want Hij zegt bij monde van Mozes: “Voor mij en hen is die dag een teken van een eeuwigdurend verbond, want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zevende dag heeft hij gerust om op adem te komen”.
Er is wel verschil tussen de sabbat van God en de sabbat van ons. Want God ging niet, na op de zevende dag gerust te hebben, op de achtste dag weer aan het werk. Nee, zijn scheppingswerk was áf: klaar en goed. Maar als God rust van zijn werk, dan betekent dat niet dat Hij die schepping voor één dag met rust laat. Nee, het is juist omgekeerd: dan verlustigt Hij Zich in het werk van zijn handen: de schepping met de mens als kroon daarop. Met deze mens kan en wil Hij het doen. Voor hem geen ander. Nee, zo is het goed, zeer goed zelfs. Naar déze mens gaat in het vervolg zijn voortdurende zorg en aandacht uit. De Here Jezus kan dan ook op de sabbatdag zeggen: “Mijn Vader werkt tot nu toe, dus werk Ik ook” (Joh.5,17). Juist op de sabbatdag kan Jezus Zich niet afwenden van een verlamde. Nee, als zijn Vader wendt Hij Zich naar Hem toe en geneest Hem.
Anders dan voor God breekt voor ons na de zevende dag wel een achtste aan. Toch maakt God ons op een bepaalde manier tot navolgers van Hem door te zeggen: “Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard”. Zoals God heen werkte naar het moment waarop Hij Zich kon verlustigen in de mens, zo werkt de mens heen naar het moment dat Hij Zich kan verlustigen in God. Al ons werk, we doen het voor zijn aangezicht en in dienst van Hem. Op de zevende dag komt dat eruit: Hem werken we tegemoet. Wat heerlijk ons nu helemaal aan Hem te kunnen wijden. Want dat is het doel van alles wat we doen: onszelf geven aan Hem.
Het is opvallend dat zowel de sabbat in het oude testament (Jes.58,13) als de zondag in het nieuwe testament (Opb.1,10) “de dag van de Heer” genoemd worden. Wij zijn gewend aan die naam: de dag van de Heer, dat is de zondag. Wij hebben daar zelfs wel een mooie verklaring voor: de zondag het dag van de Heer omdat op die dag de Here uit de doden is opgestaan. Eenmaal op dat spoor wordt gezegd dat het verschil tussen joden en christenen is dat joden naar de rust toewerken (zevende dag) en christenen vanuit de rust werken (eerste dag). Dat zijn mooie, inhoudsrijke gedachten. Maar de dag van de Heer is in de Bijbel toch vooral de grote dag waarop de eeuwige sabbat begint en het leven één feest wordt.
Christenen leven, net zo goed als de joden, de dag van de Heer tegemoet. En God roept ons, net zo goed als de joden, op, om alvast op die dag vooruit te grijpen, door kleine dagen van de Heer te beleggen, als voorproefjes van de grote dag van de Heer. In de brief aan de Hebreeën wordt dan ook een verband gelegd tussen die kleine dagen en die grote dag van de Heer. Want daar staat geschreven: “Laten we, in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen, en dat des te meer naarmate u dé dag (van zijn komst) ziet naderen” (Hebr.10,25).

Ik bespeur, ook in onze gemeente, twee tendensen die ik niet zo goed met elkaar kan rijmen: oprecht verlangen naar de Geest, dat zich echter niet uit in verlangen naar de zondag in het algemeen en de kerkdiensten in het bijzonder. Ik zie dat mensen genoeg beginnen te krijgen van een leven dat opgaat in van alles en nog wat, dingen die soms best nuttig, vaak best leuk zijn, en toch, het voelt zo leeg allemaal, het gaat nergens over, omdat het niet draait om God. Maar hoe gaat je leven dan wel om God draaien? Vooral onder jonge mensen zijn er velen die zo graag hulp krijgen om hun leven echt in dienst van God te stellen. Maar als je zou zeggen: begin dan maar eens met die ene dag in de week, dan zouden ze je glazig aankijken. Levensheiliging? Graag! Zondagsheiliging? Hou nou toch op! Dat is toch iets van vroeger, toen er op zondag niks mocht?
Die kant wil ik ook niet op. Om meteen dat misverstand meteen maar op te ruimen: ik heb al eens eerder gezegd dat ik ben blij dat de tijd voorbij is dat je een discussie kon beslechten met: dat doen ‘wij’ niet op zondag. Want wat ‘wij’ niet op zondag doen is niet zo interessant. Interessant is pas wat jíj niet op zondag doet. Nog interessanter is wat jij wél op zondag doet. Hoe komt op die dag er nou uit dat jij de hele week naar God toe leeft? Door naar de kerk te gaan?
De grootste theoloog van de twintigste eeuw, Karl Barth, heeft daarover eens het volgende opgemerkt: Je kunt niet zeggen dat rusten van je werk en naar de kerk gaan betekent dat je gehoorzaam bent aan het vierde gebod. Je kunt wél zeggen dat je zonder te rusten van je werk en zonder naar de kerk te gaan je onmogelijk aan het vierde gebod gehoorzaam kunt zijn (K.D. IV 3, 65). Deze zelfde theoloog sloeg de spijker op zijn kop, toen hij dat overbekende woord uit de Catechismus aanhaalde: “Mijn enige troost is dat ik niet van mij zelf, van van de Here ben”, maar eraan toevoegde: “Maar dat moet op de rustdag geoefend worden” (a.w., 78).
Oftewel: dat wíj niet van onszelf zijn moeten we onszelf van doordringen door een dág te houden die niet van onszelf is. Laat er eens één dag zijn waarover wij niet de beschikking hebben. Een dag die niet van ons is, maar van de Here, omdat wijzelf niet van onszelf zijn, maar van de Here. Het kan toch niet zo zijn dat wie de Here graag wil dienen niet gediend is van een dag waarop niet jij maar Hij de dienst uitmaakt? Sterker nog, wie Hem wil dienen, die ontmoet Hem op die dag als Degene die jou dient. Hij heeft in Christus de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is gehoorzaam geworden aan zijn eigen wet, ook als dat zijn dood werd (Flp.2,7.8). Alle ware Godsdienst begint en eindigt daarmee: stil staan bij het kruis, stil worden van God die werkt in jouw plaats. Dan mag jij ook los. Maar als je echt stil gestaan en echt stil geworden bent, dan realiseer je je dat je werkt aan iets dat in Christus al klaar is. Reden om er dus niet meer aan te beginnen? Juist wel. Je hoeft er niks meer aan bij te dragen. Je hoeft er alleen maar van te genieten. Je hoeft niks klaar te maken. Je hoeft alleen maar te beleven en vóór te leven hoe gaaf dat is. Hoe gaaf, dat zal op dé dag van de Heer wel blijken.

Ondertussen krijgen wij de tijd om alvast wat aan die dag te wennen. Want dat is het: wennen. Nu eens niet te leven van verdienste maar van genade. Nu eens niet op te komen voor jezelf, maar vrijgesproken te worden. Nu eens niet te doen, maar te laten. Nu eens niet te geven, maar te ontvangen. Nu eens niet geleefd te worden, maar te leven. Nu eens niet te sterven, maar op te staan. Dat is inderdaad wennen. Het oude leven afwennen en het nieuwe leven aanwennen. Eerst maar eens een dag per week.

Amen.