Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Geloven als een heer die knecht werd
titel : Geloven als een heer die knecht werd
datum : 14 augustus 2011
volledige onderwerp : Zondag 07
Download deze preek.

Preek over HC zondag 7 (GZR, 15-2-04; R’dam-N, 2-5-04; Bodegraven, 5-2-06; opnieuw bewerkt voor Den Ham, 14-8-11)

Ps.43:3,4,5
L Mt.8,1-13
Ps.55:9,10
T HC zondag 7
Gez.163
Gez.179a (n.m.)
Lied 440:1,4 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Nee”. Dat lijkt het meeste schokkende woordje uit de leer van de kerk te zijn. Er is een Middelaar tussen God en mensen: Jezus Christus, die God is zoals Hij en mens is zoals wij. Hij heeft gedaan wat wij zouden moeten doen. Hij heeft Gods toorn gedragen over wat wij niet hadden moeten doen. Zover was de Catechismus in zondag 6 gekomen. Dan is nu natuurlijk dé vraag: Krijgen nu alle mensen door Christus het leven terug, zoals ze in Adam tot de dood veroordeeld zijn? Dat zou toch wel zo eerlijk zijn. Want ook al waren wij er niet bij toen Jezus Gods reddingsplan op aarde trok, wij waren er toch ook niet bij toen Adam zijn rampenplan op aarde trok? Als wij er niks aan kunnen doen dat wij ten dode gedoemd zijn, dan zouden we er toch ook niks voor hoeven doen om weer ten leven opgeschreven te worden? Als wij door een ander meegesleurd worden in zijn val, dan mogen we toch ook wel door een Ander meegesleept worden in zijn opstanding? Maar de Catechismus zegt: Nee, zo werkt dat niet.
Voor sommige gereformeerden is dit woordje zo’n beetje hét kenmerk van het ware. Zij balen van liedboekliederen en gospelsongs waarin alleen gezongen wordt van Gods liefde. Maar God is toch ook toorn? God zegt in Christus helemaal niet “ja” tegen alle mensen. Hij zegt “ja” tegen sommige mensen, maar “nee” tegen andere mensen. Tegen welke mensen zegt Hij dan “ja” en tegen welke “nee”? Tja, dat heeft natuurlijk iets met de leer van verkiezing en verwerping te maken. God heeft sommigen al van eeuwigheid uitverkoren voor het eeuwige leven en anderen niet. Die heeft Hij daarmee van eeuwigheid verworpen. Zij zijn al van eeuwigheid ten dode opgeschreven. Dat staat natuurlijk zo niet in de zondag 7 van de Catechismus. Daar staat slechts dat alleen zij die door waar geloof bij Christus ingelijfd worden het leven terugkrijgen. Maar volgens de gereformeerde leer is het geloof een gave van God en die gave is natuurlijk alleen voor de uitverkorenen. Zo zou tussen de regels van zondag 7 door toch de leer van de uitverkiezing doorschemeren. Dat zou ook al blijken uit de passieve of lijdende vorm, waarin antwoord 20 gesteld is: ingelijfd wórden. Je lijft jezélf niet in bij Christus, maar je wórdt bij Hem ingelijfd, door het geloof dat een gave van God is.
Toch denk ik dat we zo wat teveel tussen de regels van zondag 7 door lezen. We mogen na dat akelige woordje “nee” geen punt zetten, alsof wat er na de komma staat slechts kleine lettertjes bij een uitzonderingsclausule van een verzekeringspolis zijn voor mensen die het naadje van de kous willen weten. Die kun je wel lezen, maar het wordt er toch niet anders van: sommigen zijn in de prijzen gevallen, anderen helaas niet. Dan verlaag je zondag 7 tot het niveau van de vraag die de discipelen eens aan Jezus stelden: “Here, het zijn zeker wel weinigen die behouden worden?” Maar als zij meenden dat zij uiteraard wel tot die gelukkigen behoorden, dan krijgen ze als antwoord: “Strijden jullie nou zelf maar om in te gaan” (Lc.13,23.24). Ook Jezus zegt “nee”. Maar dat is een heel ander “nee” dan het “nee” waartoe sommigen de gereformeerde leer terugbrengen. Het is niet gericht tot outsiders, maar tot insiders. God schrijft mensen af die zichzelf al ingeschreven hadden en Hij schrijft in wie wij al afgeschreven hadden. Zoals Jezus zegt in het gedeelte dat we net gelezen hebben: “Ik zeg u dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen, maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars” (vgl. Lc.13,28-30).
Het “nee” van zondag 7 is van dezelfde aard. Het is geen zelfingenomen “nee”, uitgesproken door iemand voor wie het allemaal zo klaar als een klontje is. Het is een “nee” waarin verbazing doorklinkt. Hoe kan dat nou dat er mensen zijn die Christus, na alles wat Hij voor hen gedaan heeft, niet aannemen? Ieder die een beetje nadenkt kan toch weten dat, als er een God is, je Hem bitter weinig te bieden hebt? Dat je een beetje fatsoenlijk probeert te leven, niet alleen aan jezelf, maar ook aan een ander, wat moet Hij daarmee? Wat heeft Hij daaraan? Hij is geen externe deskundige, die de boeken nakijkt en constateert dat er meer aan de creditkant dan aan de debetkant staat, Hij is zelf belanghebbende: “Welke plek neem Ik in het boek van je leven in? Kom Ik er ook in voor? Waar dan? In de marge? Dat kleine beetje tijd dat je overhad, nadat je aan je dagelijkse verplichtingen voldaan had, was dat voor Mij? Of was zelfs dat teveel gevraagd? Moest je toch en vooral om jezelf denken?” Waarom zou God met ons verder willen, met u, met jou, met mij? Geef Hem daarvoor eens één goeie reden. En nu is het evangelie dát je God ook geen goeie reden hoeft op te geven, waarom Hij met jou verder zou gaan. Hij heeft Zichzelf een reden gegeven om met jou verder te gaan. In zijn Zoon is Hij zelf naar de aarde gekomen om de mens te zijn die Hij bedoeld had en om de godvergeten eenzaamheid te dragen van de mens die Hij niet bedoeld had. Als God al reden heeft om jouw God te zijn, dan is die reden Jezus. Maar nog steeds zijn er mensen die, bewust of onbewust, leven of ze Jezus niet nodig hebben. Mensen die zichzelf overschatten. Mensen die God in Christus onderschatten. Mensen die zich wel redden. Mensen die het wel zien als het zover is. Mensen die met een boog om Jezus heenlopen. Mensen die aan Jezus een voorbeeld nemen voor de omgang met anderen, maar Hem zelf niet nodig hebben. Dan zegt de Catechismus: Snap je dat nou? Er is een Middelaar die echt God en tegelijk echt en rechtvaardig mens is: onze Here Jezus Christus, die ons door God geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing, zondag 6. En toch zijn er mensen die het zelf blijven proberen. Mensen die het leven dan ook niet terug krijgen, zoals ze het in Adam verloren hebben. Omdat ze het niet door Christus terug proberen te krijgen.
Het “nee” van de Catechismus is dan ook niet in de eerste plaats het “nee” van God tegen mensen, maar het “nee” van mensen tegen Christus. God neemt dat “nee” alleen volstrekt serieus. Hij laat ze slechts in hun val en verderf, waarin ze zichzelf gestort hebben, om de Nederlandse Geloofsbelijdenis in dit verband ook eens aan te halen (art. 16).

Als we de lijn van zondag 6 naar zondag 7 volgen, is het niet zo moeilijk de volgende vraag van de Catechismus te beantwoorden: Wat is waar geloof? Het is je toevertrouwen aan de Middelaar die God zelf gegeven heeft. De woorden die de Catechismus daarvoor gebruikt: “stellig weten” en “vast vertrouwen” zijn zó bekend geworden, dat ze een beetje een eigen leven zijn gaan leiden. “Stellig weten” is dan iets dat zich in je hoofd afspeelt, en “vast vertrouwen” iets dat zich in je hart afspeelt. Op formule gebracht: Geloof = hoofd + hart. Dat zou echter de indruk kunnen wekken dat je pas echt gelooft, als je in je hart ook gevoel hebt bij wat je met je hoofd gelooft. Kenmerk van het ware geloof is dan de geloofservaring. Zolang je niet kunt zeggen dat de Heilige Geest je vervult met blijdschap over je redding, heb je blijkbaar het ware geloof nog niet. Veel kerkmensen worden daar toch een beetje onzeker van. Om nou te zeggen dat je er nooit wat bij voelt, dat gaat ook wel weer wat ver. Maar een constante warme onderstroom is het toch ook niet. Omgekeerd kunnen mensen die zo de nadruk leggen op beleven van de blijdschap van je verlossing onbedoeld wat neerkijken op wat ik maar traditionele gereformeerden zal noemen: mensen die trouw twee keer naar de kerk gaan, aan tafel met het hele gezin de bijbel lezen aan de hand van het vrijgemaakte dagboekje of gewoon van kaft tot kaft, maar van wie de blijdschap nu niet voor iedereen zichtbaar afstraalt. Ze uiten zich ook niet zo makkelijk over wat Jezus voor hen betekent. Terwijl toch ook in de Bijbel staat: “Waar het hart vol van is, vloeit de mond van over” (Mt.12,34). Is hun hart dan wel vervuld met de Heilige Geest? Streven zijn daar wel naar, om helemaal vol te zijn van hun Verlosser? Moet je niet naast of misschien wel in plaats van twee keer naar de kerk gaan en aan tafel bijbellezen tijd vrijmaken om alleen te zijn met God? Dan kun je je band met God toch pas echt beleven?
Hoeveel waars daar ook in zit, toch lijkt het me goed nog eens te wijzen op het verband waarin die woorden “stellig weten” en “vast vertrouwen” staan. Als we de weg volgen waarlangs de Catechismus tot die woorden komt, dan wordt duidelijk dat met dat “vast vertrouwen” niet zozeer een belevenis als wel een daad bedoeld wordt: je nu ook helemaal tóevertrouwen aan die Middelaar die in het woord van God aan je voorgesteld wordt. Dat is waar geloof.
Waar geloof. Blijkbaar is er ook schijngeloof. Maar dat is dan niet een gebrek aan beleving, maar een gebrek aan vertrouwen. Mensen kunnen teveel blijven steken in hun eigen gevoelens van onzekerheid, maar net zo goed in hun gevoelens van zekerheid. Het moet ons allen te denken geven dat Jezus zegt, in het stuk dat we gelezen hebben: “Ik verzeker jullie, bij niemand in Israël heb ik zo’n groot geloof gevonden als bij deze heidense hoofdman”.

We zijn geneigd bij die woorden “bij niemand in Israël” te denken aan de joodse schriftgeleerden en farizeeërs. Dat is wel juist. Minder juist is het bij farizeeër te denken aan een hypocriet. Zo iemand die de kat in het donker knijpt. Wij gaan over onze nek, wanneer we in een overbekende gelijkenis een farizeeër horen bidden: “O God, ik dank U dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig, onrechtvaardig of overspelig, en dat ik ook niet ben als die tollenaar, die daar achter een pilaar zijn prevelementje staat op te zeggen. Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af” (Lc.18,12). Maar daar was geen woord aan gelogen. De farizeeërs deden veel meer goede werken dan ze volgens de wet van Mozes toe verplicht waren. Deze farizeeër bracht dat niet naar voren om tegen God te zeggen: “Kijk mij eens”. Nee, hij zag het feit dat hij zou was als een gave van God: “Ik dank Ú ervoor dat ik zo ben als ik ben en doe als ik doe”. We hebben geen enkele reden om aan te nemen dat hij tegen zijn zin deed wat hij deed. Deze man wist, als meer joden, wat de vreugde der wet is, waarvan in Psalm 119 zo uitbundig gezongen wordt. Als je die Psalm leest, krijg je bepaald niet de indruk dat Gods geboden de dichter een blok aan het been zijn. Ze zijn juist een lamp voor zijn voet en een licht op zijn pad (Ps.119,105). In dat lamplicht koestert hij zich. Heel Psalm 119 is eigenlijk een uitwerking van dat woord uit Psalm 1, wat in de E&R-bundel op muziek gezet is: “Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht”. Als je eens een spreker zou willen hebben over de vreugde van de stille omgang met God en zijn woord, dan zou je best een orthodoxe jood kunnen uitnodigen. En toch zegt Jezus dat het geloof van joodse schriftgeleerden en farizeeërs in het niet valt bij het geloof van die hoofdman.
Maar ik denk dat Jezus toch niet alleen de schriftgeleerden en farizeeërs bedoelde, toen Hij zei: “Bij niemand in Israël heb ik zo’n groot geloof gevonden”. Want waren die duizenden die aan zijn voeten gezeten hadden toen Hij in de hoofdstukken 5 t/m 7 zijn bergrede uitsprak dan geen Israëlieten? Sterker nog, waren zijn eigen discipelen geen Israëlieten? Zij hadden alles prijsgegeven en waren Hem gevolgd (19,27). Toch had Jezus ook bij hen blijkbaar niet zo’n groot geloof gevonden als bij die hoofdman. Wat had hij dat zij niet hadden? Wel, zij hadden een verkeerd beeld van hun Heer en daarmee ook van hun eigen plaats als slaaf.

Het lijkt er bij oppervlakkige lezing op dat die hoofdman zich ook meer presenteert als heer dan als slaaf. Ja, hij lijkt zich daarin zelfs met Jezus op voet van gelijkheid te plaatsen, als hij zegt: “Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: “Ga!” dan gaat hij, en tegen een andere: “Kom!” dan komt hij, en als ik tegen mijn dienaar zeg: “Doe dit!” dan doet hij het”. Maar dat betekent voor hem niet dat hij zo ook Jezus meent te kunnen commanderen. Hij wil zich juist door Jezus láten commanderen. Zegt Jezus: “Ga”, dan zal hij weer gaan. Zegt Jezus: ”Kom hier en volg Mij”, dan zal hij komen en Hem volgen, waarheen Hij ook gaat. Zegt Jezus: “Doe dit”, dan zal hij het doen, wat het ook is. Jezus mag zo omgaan met Hem, als hij zelf met zijn slaven omgaat.
Uit het verhaal kunnen we wel opmaken dat hij zijn slaven goed behandelt. Zij gaan voor hem door het vuur. Wat hij ze ook gebiedt, ze doen het voor hem. Nu is het op zich best denkbaar dat een soldaat doet wat zijn meerdere hem opdraagt, gewoon omdat zijn meerdere zijn meerdere is. Hij kan het zelfs doen omdat hij bang voor hem is. Maar dat is hier toch niet het geval. Want deze hoofdman komt tot Jezus, omdat hij hart voor zijn mannen heeft. Als zijn slaaf thuis ligt, verlamd, met hevige pijn, dan is zijn heer bereid om slaaf van Jezus te worden.
Als ik dat zo zeg, moet ik denken aan woorden van Jezus, verderop uit het evangelie, waarin Hij zegt: “Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal jullie dienaar moeten zijn – zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen” (20,26-28). Jezus zegt dat, als de discipelen er ruzie over maken wie van hen wel een ereplek naast Jezus mocht innemen, wanneer Hij eenmaal de troon van zijn Koninkrijk bestegen had. De houding van deze hoofdman staat daarmee in schril contrast. Hij is geen discipel die meester wil woorden, maar een heer die voor het leven van zijn slaaf zelf slaaf wil worden. Zonder het te weten heeft deze man daarmee verwoord wat Jezus zelf ten diepste was: de Heer die voor het leven van zijn slaven zelf slaaf is geworden. Jezus reageert dan ook opgetogen. Deze man is de eerste die verwoordt hoe de verhoudingen in het Koninkrijk der hemelen werkelijk liggen. In dat Koninkrijk stappen dames en heren van hun voetstuk, om zich te laten dienen door een Heer die voor hen van zijn voetstuk komt.
Dat laatste hebben de discipelen tot het bittere einde van Jezus’ leven moeite mee gehad. Petrus nam er aanstoot aan dat Jezus de Christus was, de Zoon van de levende God, door veel te lijden van de zijde van de joodse religieuze leiders (16,21.22). Nog tijdens het laatste avondmaal verbood Petrus Jezus hem de voeten te wassen: “O nee, mijn voeten zult u niet wassen, nooit!” (Joh.13,8) Petrus wilde er niet aan dat de Messias zo diep zou moeten zinken. Omdat hij er blijkbaar niet aan wilde dat hij zelf zo diep gezonken was. De Messias mocht niet van zijn voetstuk vallen, omdat hij zelf niet van zijn voetstuk wilde komen.
Maar als je die stap niet wilt maken, kan Jezus niet bij je komen. Hij steekt je zijn hand toe vanuit de diepte, maar je staat nog hoog. Vergelijk het met een kind dat zijn beker uit het keukenkastje probeert te pakken. Jij bent de beker, Jezus is het kind. Waar geloof is een toontje lager zingen. (Een toontje hoger mag ook, maar dan wel met veel bas.)

“U hoeft maar te spreken en mijn slaaf zal genezen”. Of zoals de oude vertaling zei: “Spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen”. Maar als je goed leest dan spreekt Jezus zelfs dat ene woord niet uit. Dat is nog minder dan tegen die melaatse in de geschiedenis die hier aan voorafgaat. Die zei: “Heer, als u wilt, kunt u mij rein maken”. En Jezus antwoordde: “Ik wil het, word rein”. Maar tegenover deze heiden kan zelfs dit ene woord er niet vanaf. Jezus stuurt hem onverrichterzake naar huis: “Ga naar huis”. Of is dit toch dat ene woord, waardoor die slaaf zal herstellen? De man had op Jezus’ bevel alles wel willen doen. Zoals hij tegen Hem gezegd had: “Ik zeg tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het”. Maar hij hoeft niks te doen. Hij moet slechts heengaan, opdat hem zou geschieden naar zijn geloof.

Een bekende negrospiritual zingt: “Give me that old time religion”. Dat betekent zoveel als: Geef me het geloof uit die goeie, ouwe tijd. Een swingende song: Give me that (klap) old time religion, give me that (klap) old time religion. Maar van de tekst word je wat minder vrolijk: geloof uit die goeie, ouwe tijd? Tot je beseft dat de tijd van de Bijbel bedoeld wordt. Bijbelheiligen als Abraham en Mozes, wat hebben zij anders gedaan dan gehoor geven aan het bevel: “Ga heen, u geschiede naar uw geloof”? Zij gingen op weg naar het beloofde land, niet om het in bezit te nemen, maar om het in bezit te krijgen. “Ga heen”, dat bevel heeft dan ook een dubbele bodem. Voor een militair als die hoofdman zal het geklonken hebben als het bevel: “Ingerukt, mars!” Wordt er dan niet gestreden? Jawel, maar dan door Hem die dat bevel geeft: God in Christus. Hij strijdt onze strijd, zonder ons voor ons. Wij moeten vechten tegen de neiging Hem een handje te helpen. Give me that old time religion: ingerukt, mars.

Amen.