Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De kerk: voorhoede en voorbede van het Koninkrijk
titel : De kerk: voorhoede en voorbede van het Koninkrijk
datum : 13 maart 2011
volledige onderwerp : Zondag 48
Download deze preek.

Preek over HC zondag 48 (GZR, 20-11-05; Oegstgeest, 24-9-06; Krimpen, 26-11-06; opnieuw bewerkt voor Den Ham, 13-3-11)

Ps.96:6,7,8
Avondmaalsformulier 4
Gez.179a
L Flp.3,17-4,9 (aan tafel)
Ps.22:12,13,14 (aan tafel)
T HC zondag 48
Lied 284
Gez.111 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

[ppt] “Jezus verwachtte het koninkrijk, maar wat kwam was de kerk”. Deze kreet van een Duitse theoloog is een gevleugeld woord geworden. Als je er even goed over nadenkt, dan begrijp je al wel dat deze theoloog niet gereformeerd was. Hij zegt immers met zoveel woorden dat Jezus Zich vergist heeft. Hij zei wel dat het Messiaanse vrederijk waar de profeten van gesproken had elk moment kon aanbreken, maar het is er niet van gekomen. In plaats daarvan kwam de kerk. Maar die kon de verwachtingen die Jezus gewekt had niet waarmaken. Is de wereld beter geworden van de kerk? Nog steeds gelden toch die woorden uit een bekend gezang:

Geef vrede, Heer, geef vrede,
de wereld wil slechts strijd.
Al wordt het recht beleden,
de sterkste wint het pleit.
Het onrecht heerst op aarde,
de leugen triomfeert,
ontluistert elke waarde,
o red ons, sterke Heer.

Ja, is het niet nog schrijnender dan dit lied het voorstelt? Want niet alleen de wereld wil slechts strijd, maar ook de kerk lijkt niet vies van te zijn van een robbertje vechten. Christenen vliegen elkaar al net zo hard in de haren als niet-christenen. Ze vliegen elkaar misschien nog wel harder in de haren dan niet christenen. Christenen strijden immers, alsof / omdat hun leven ervan afhangt?
Ook al wordt in de kreet van die Duitse theoloog een hele leugen over de Here Jezus verkondigd en een halve waarheid over zijn gemeente, is die halve waarheid over Christus’ gemeente daarmee ook een hele leugen? Laat de kerk inderdaad al iets van het komende koninkrijk zien of roept de kerk alleen heimwee naar Jezus op? Is de kerk een eerste verhoring van de bede: “Uw koninkrijk kome”, of ga je dat alleen maar harder bidden als je naar de kerk kijkt?

[ppt] De Catechismus lijkt voor het eerste te kiezen: de kerk als eerste verhoring van de bede om de komst van het koninkrijk. Hij legt de bede: “uw koninkrijk kome” immers uit als: “bewaar en vermeerder uw kerk”? Dat zou betekenen dat we met de tweede bede niet zozeer bidden of de Here Jezus gauw mag komen, maar of de kerk hard mag groeien. De wederkomst van Christus blijft in zondag 48 niet helemaal onvermeld, maar het blijft een bijzinnetje aan het eind: “totdat de volmaaktheid van uw rijk komt, waarin U alles zult zijn in allen”. Daardoor lijkt de volmaaktheid van Gods rijk het sluitstuk te zijn van de groei van de kerk. Alsof het één naadloos in het ander overgaat. Alsof het koninkrijk uit de kerk voortkomt via een evolutionair proces van vooruitgang. Alsof er aan het eind van de tijd helemaal geen wereldbrand nodig is, om de eerste dingen te zuiveren tot de laatste dingen. Alsof het oordeel niet begint bij het huis Gods. Of zoals de Nieuwe Bijbelvertaling Petrus’ woorden weergeeft: “Besef goed dat de tijd van het oordeel is aangebroken. Dat oordeel begint bij Gods eigen mensen” (1Pt.4,17).
Toch heeft de Catechismus goede redenen om de tweede bede uit te leggen zoals hij die uitlegt. Want ook de eerste en de derde bede hebben betekenis voor ons leven van nu. “Uw naam worde geheiligd”, betekent allereerst: geef dat ík uw naam heilig. “Uw wil geschiede”, betekent allereerst: geef dat ík uw wil doe. Ja, alle beden van het Onze Vader stellen degene die ze bidt onder kritiek. Je kunt niet bidden: “Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben”, als je helemaal niet bij de dag leeft en begeert naar veel meer dan alleen wat je nodig hebt. Je kunt niet bidden: “Vergeef ons onze schulden”, als je zelf niet vergeven hebt wie jou iets schuldig was. Je kunt niet bidden: “Leid ons niet in verzoeking”, als je zelf niet radicaal afstand neemt van dingen die je bij God weg kunnen trekken.
In die lijn is het volkomen terecht dat volgens de Catechismus de tweede bede niet slaat op daar, maar op hier, niet op straks, maar op nu. [ppt] “Uw koninkrijk kome” bidden is heel wat anders dan “‘t Hoofd omhoog en ‘t hart naar boven, hier beneden is het niet” zingen. Zeker, we richten ons met de tweede bede omhoog, maar dan omdat we oog hebben voor de wereld en die daarop wonen (Ps.24,1), omdat we hart hebben voor ons dorp en haar bewoners. Zeker, we verwachten als Abraham de stad die fundamenten heeft (Hebr.11,10), maar dan wel zó dat die stad ook hier mag verrijzen. Wie hoopt op het nieuwe Jeruzalem, die heeft hoop voor Den Ham. Zeker, van de stad met fundamenten is God de ontwerper en bouwmeester (Hebr.11,10), maar wie bidt: “Uw Koninkrijk kome”, die wil aan die stad graag een steentje bijdragen, hoe dwaas dat ook klinkt. Een kerk die bidt: “Uw koninkrijk kome”, die vouwt de handen, om ze uit de mouwen te krijgen. “Want uw Koninkrijk kome”, dat betekent: Onze Vader die in de hemelen zijt, verbeter de wereld, begin maar bij ons”.
Ik verkondig u vanmiddag het evangelie onder het volgende thema:

Uw koninkrijk kome
1. de kerk als voorhoede van het koninkrijk
2. de kerk als voorbede van het koninkrijk

1. Het gedeelte dat we gelezen hebben uit de brief van Paulus aan de gemeente in Filippi lijkt niet zo te stroken met wat ik net al naar aanleiding van zondag 48 gezegd hebt. De apostel lijkt daarin immers de mensen van zijn dagen af te schilderen als mensen die slechts leven voor de snelle kick: [ppt] “Velen leven als vijanden van het kruis van Christus en gaan hun ondergang tegemoet. Hun god is de buik, hun eer is schaamteloosheid en hun aandacht is alleen gericht op aardse zaken”. Van hen moeten kerkmensen zich gunstig onderscheiden door hun redding uit de hemel te verwachten: “Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. Met de kracht waarmee Hij in staat is alles aan Zich te onderwerpen, zal Hij ons armzalig lichaam gelijk maken aan zijn verheerlijkt lichaam”.
Maar wat betekent dat nu: “Hun eer is schaamteloosheid”? Bedoelt de apostel te zeggen dat het in de grote, boze wereld alleen maar draait om seks en drugs en rock-’n-roll? Ik denk het toch niet. Want tot nu toe had hij het helemaal niet over de grote, boze wereld. Tot nu toe ging het over christenen die verkondigden dat je je nog steeds aan de wetten van Mozes zou moeten houden om gered te kunnen worden. Je laten dopen? Prima, maar je moest je toch ook laten besnijden. [pp] Dan haalt Paulus uit: “Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis van ze!” (Flp.3,2) Als Paulus verderop schrijft, in het gedeelte dat we wél gelezen hebben: “Hun eer is schaamteloosheid”, of zoals de oude vertaling het zei: “Hun eer stellen zij in hun schande”, dan ligt het meer voor de hand dat hij het nog steeds over dezelfde mensen heeft. Niet over heidenen, maar over jodenchristenen. Zij, met hun “versnijdenis” – wat klinkt dat al schamper! – , stellen in feite hun eer in hun schande. Dat betekent dat heel concreet: in hun schaamdelen. Als Paulus dát bedoelt, dan krijgen ook die andere woorden ineens een heel andere betekenis: “hun god is de buik”. [ppt] Dat slaat dan op de eis van die jodenchristenen om de spijswetten te handhaven: dit mag je niet eten en dat wel, want dit maakt je onrein en dat niet. De Here Jezus had daar de spot al mee gedreven door erop te wijzen dat ook dat zgn. reine voedsel uiteindelijk wél via het maagdarmkanaal in de beerput terecht komt (Mt.15,17). Paulus doet daar nog een schepje bovenop door te zeggen dat mensen wier godsdienst draait om rein of onrein, besneden of onbesneden hun buik tot god maken en hun schande tot eer. Is dat niet wat al te bot?
Toch komt het in feite hierop neer: Wat heeft dit nou allemaal met God te maken? Moet dat de ware godsdienst zijn: wat je wel of niet eet, of je je wel of niet laat besnijden? Waarin onderscheid je je dan van mensen die ook leven voor culinair en seksueel genot? Komt het in feite niet op hetzelfde neer? “Ja, maar wij doen het tot eer van God”. Dus uiterlijk lijkt het hetzelfde, maar innerlijk is het heel wat anders? Paulus veegt er de vloer mee aan. In beide gevallen is je aandacht gericht op aardse zaken. Je bent helemaal niet met God bezig. Je bent nog steeds met jezelf bezig.
Daar ligt wonde waarop Paulus de vinger legt, als hij schrijft: “hun aandacht is alleen gericht op aardse zaken”. Dat slaat niet op het goddeloze leven, maar op het godsdienstige leven van zijn dagen. Men zegt wel dat men tot eer van God bezig is, maar in feite is men met zichzelf bezig. Zou de apostel dat nu ook zeggen, wanneer hij naar onze gemeente kon kijken?
Natuurlijk, “ze zeggen wel dat ze tot eer van God bezig zijn, maar in feite zijn ze met zichzelf bezig”, dat zou wel erg ongenuanceerd zijn. Maar dat was het in de richting van de Jodenchristenen uit Paulus’ dagen ook al. Paulus deed daarmee geen recht aan hun goede bedoelingen: dat ze zo strikt waren omdat ze meenden dat God dat van hen vroeg. Ze zochten echt de eer van God en niet hun eigen genot, door bepaalde dingen niet te eten. Ze probeerden echt God te behagen en niet zichzelf te bevredigen, door aan de besnijdenis vast te houden. En toch als je met de ogen van een buitenstaander zou kijken, en dat is wat Paulus hier doet, dan zou je tot de conclusie komen: ze zijn vooral met zichzelf bezig.
Dat is nog steeds het beeld dat veel buitenkerkelijken hebben van de kerk. Misschien niet meer zo sterk als vroeger, een eeuw tot driekwart eeuw geleden, toen het christendom de armen verloor aan het socialisme. [ppt] De bekende rooie dominee Buskes beschrijft in zijn memoires wat hij tegenkwam toen hij als evangelisatiepredikant een arbeiderswijk introk. “Wie is daar?”, roept iemand van bovenaan de trap nadat Buskes aangebeld heeft. “Ds. Buskes!” “Probeer eens naar boven te komen, dan smijt ik je weer naar beneden”. Buskes naar boven. Voor de deur ontspint zich toch een heel gesprek. Maar de grieven van die arbeider kwamen hierop neer: [ppt] “Ik ben tegen Colijn”, de gereformeerde minister-president, die in crisistijd zijn hand op de knip hield, omdat de harde gulden anders misschien wat minder hard zou worden. “Ik ben tegen Colijn”, dat was hetzelfde als: “Ik ben tegen de kerk”. Maar dat is toch niet eerlijk? Colijn was de kerk toch niet? Nee. Maar die arbeider heeft het verschil nooit kunnen merken. Want de kerk was in elk geval niet met hém bezig.
De kerk had er ook altijd wel haar redenen voor om niet met hem bezig te zijn. Want de kerk wilde niet graag op één hoop gegooid worden met socialisten, communisten, anarchisten en andere wereldverbeteraars, die de illusie wekten de hemel op aarde te kunnen brengen. God zelf is immers Degene die een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont, zal scheppen. Mensen daar nu al zelf een steentje aan willen bijdragen, kunnen daar zich alleen maar aan vertillen. Wat Paulus schrijft in zijn brief aan de Filippenzen zou een waarschuwing moeten zijn aan al die socialisten, communisten, anarchisten en andere wereldverbeteraars: “Hun aandacht is alleen gericht op aardse zaken. Maar wij, kerkmensen, hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. Met de kracht waarmee Hij in staat is alles aan Zich te onderwerpen, zal Hij onze armoede gelijkmaken aan zijn heerlijkheid”. Of niet dan?
Inderdaad: niet dus. Paulus bedoelt helemaal niet dat wij wel met de armen over elkaar kunnen zitten, als wij de komst van het koninkrijk verwachten. Mensen die het koninkrijk verwachten moeten juist in de benen komen. Want wat schrijft de apostel even verderop? [ppt] “Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij”. Die beide zinnetjes hebben alles met elkaar te maken. Juist mensen die geloven dat de Heer nabij is, d.w.z.: dat het koninkrijk der hemelen nabijgekomen is, moeten bij iedereen bekend staan als vriendelijke mensen. Vriendelijke mensen, die christenen, dat klinkt nog een beetje braaf. Maar de apostel heeft het echt niet alleen over de je je naaste vriendelijk moet groeten. Want weer wat verderop schrift hij: [ppt] “Schenk aandacht aan alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient”. Ook dat klinkt nog wat braafjes: edel, zuiver, lieflijk, deugdzaam. Tenzij je niet zo moet denken, maar zo moet doen. En dat is dus de bedoeling: [ppt] “Doe het, en de God van de vrede zal met u zijn”.
“Hun aandacht is gericht op aardse zaken”, schreef Paulus. Dat slaat dus op mensen die wel bidden: “Uw koninkrijk kome”, maar hun leven hier en nu niet door de verwachting van dat koninkrijk laten beheersen. Dan verwacht je van God van alles voor de toekomst, maar niks voor het heden. In de praktijk leef je dan ook net zo als mensen die niks van de toekomst verwachten. Je bent net zo met jezelf bezig als ieder ander. In elk geval lijkt het daar van de buitenkant op.
Maar die buitenkant zegt toch niet alles? De Here kijkt toch naar je hart (1Sam.16,7)? Inderdaad. Dan ziet Hij toch ook wat een buitenstaander niet ziet? Inderdaad. Maar dat is niet alleen een gedachte om blij van te worden. Want dan ziet Hij ook dat de wereld die Hij geschapen heeft en nog steeds liefheeft, ons koud laat. Hij hoort ons wel bidden: “Uw Koninkrijk kome”, maar Hij hoort ook of die bede uit ons hart komt. Verlangen wij echt uit naar een wereld waarin geen armoede meer is, omdat het ons echt raakt dat er nog steeds mensen zijn die bittere armoede lijden? Zien wij echt met reikhalzend verlangen uit naar een wereld waar gerechtigheid woont, omdat we het onrecht niet kunnen verdragen dat onze medemensen aangedaan wordt, veraf, maar net zo goed dichtbij? Als dat zo is, dan moet dat nu al uit onze daden blijken. Want het is goedkoop om te bidden: “Uw koninkrijk kome”, als dat betekent dat God straks maar moet oplossen waar wij nu al wat aan kunnen doen. Zoals een bevrijdingstheoloog eens bad tot God: “We kunnen U niet domweg bidden, o God, om een eind te maken aan de hongersnood, want U hebt ons de middelen al gegeven om de wereld van voedsel te voorzien, als we er maar wijs gebruik van maken. We kunnen U niet domweg bidden, o God, om een einde te maken aan de wanhoop, want U hebt ons de macht al gegeven de sloppenwijken op te ruimen en weer hoop te schenken. We kunnen U niet domweg bidden…, want U heb ons al… Daarom bidden we U in plaats daarvan, o God, om kracht, vastberadenheid en een sterke wil, om te doen, in plaats van alleen maar te bidden, om te worden, in plaats van uitsluitend te bidden”.

2. Toch is de kerk niet alleen de voorhoede, maar ook de voorbede van het komende koninkrijk. Terecht bidt die bevrijdingstheoloog: “Geef ons kracht, vastberadenheid en een sterke wil, om te doen, in plaats van alléén maar te bidden”.[ppt] Bidden kan niet zonder werken, maar werken kan ook niet zonder bidden. Juist mensen die werken gaan bidden. Zij gaan pas echt voelen dat hun werken dweilen met de kraan open is. Zij gaan God smeken de kraan te sluiten.
[ppt] Wij zijn Jezus niet. We kunnen de melaatsen van onze dagen wel als Jezus opzoeken, maar wij kunnen de melaatsen van onze dagen niet als Jezus genezen. Maar we kunnen toch om genezing bidden? Ja, we moeten zelfs om genezing bidden. Omdat Jezus niet alleen kón genezen, maar ook kán genezen. Hij is niet dood, maar leeft. Zoals Hij toen de hoop op een spoedige komst van Gods koninkrijk kon aanwakkeren, zo kan Hij dat ook nu. Hij kan dat niet alleen, Hij doet het ook. Is het niet bij ons, omdat wij er niet echt in geloven, dan wel bij anderen, die er wel echt in geloven. Toch maakte Hij niet alle zieken in Israël weer beter, maar veel. Toch wekte Hij niet veel doden in Israël op, maar drie. Te weinig om mensen de illusie te geven dat Gods Koninkrijk al gekomen was. Genoeg om mensen die de wanhoop nabij waren weer hoop te geven dat Gods koninkrijk wel degelijk nabij gekomen was.
“Uw Koninkrijk kome”. Het zal voor de discipelen schokkend geweest zijn dat hun Meester ze ook die bede op de lippen legde, toen ze Hem vroegen: “Here, leer ons bidden”. Bleef die bede dan nodig, nu de Messias toch gekomen was? Blijkbaar wel. Straks gaan de discipelen de wereld in op het bevel van hun Here: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan heen, maakt alle volken tot mijn discipelen, doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb” (Mt.29,18.19). En één van die dingen die zij die gedoopt zijn in de naam van Vader, Zoon en Geest moesten blijven onderhouden was de bede: “Uw koninkrijk kome”. De kerk is het Koninkrijk nog niet. De voorhoede van het koninkrijk misschien, maar niet het koninkrijk zelf.
Soms moet je zelfs zeggen dat je niet naar de wereld hoeft te kijken om te gaan bidden: “Uw koninkrijk kome”. Want een blik op de kerk is vaak al genoeg. Hetzij omdat die kerk hopeloos verdeeld is, hetzij omdat die kerk hopeloos zelfgenoegzaam is. Als het wel lekker warm is in de kerk, maar in de wereld nog steeds akelig koud. De kerk mag er niet warmpjes bij zitten. Zo’n kerk laat de wereld koud. Zo’n kerk heeft het koninkrijk niet meer nodig.

Jezus verwachtte het koninkrijk, maar wat kwam was de kerk? Nee. Jezus belóófde het Koninkrijk. En de kerk dan? Die mag zijn: “een nieuwe lente, een nieuw geluid”. Een nieuwe lente in haar daden, een nieuw geluid in haar gebeden. Maar eens komt de grote zomer.

Amen.