Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Bidt u wel?
titel : Bidt u wel?
datum : 13 februari 2011
volledige onderwerp : Zondag 45
Download deze preek.

Preek over HC zondag 45 (Grijpskerk/Niezijl, 5-11-2000; Grootegast, 27-01-02; De Lier, 14-9-03; Pijnacker, 22-5-05; GZR, 16-10-05; Vroomshoop, 3-5-09; opnieuw bewerkt voor Den Ham, 13-2-11)

Gez.156 (tevens openingsgebed)
L Hnd.9,1-19a
Ps.14:1,3,4,5
T HC zondag 45
Gez.174
Gez.179b
Ps.34:1,2,6 (na collecte)

Broeders en zusters, jongens en meisjes,

[ppt] Bidt u wel? Bid jij wel? Die vraag wil ik u, jou vanmiddag graag stellen. Het gebed is immers volgens de Catechismus het voornaamste in de dankbaarheid die God van ons eist.
Als ik daar vanmiddag de vinger bij leg, dan zeg ik niks nieuws. De meesten van u zullen dat wel weten. Hooguit in de woorden van de oude tekst van de Catechismus: “Waarom is het gebed den Christenen van node? Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert”. Omdat die uitdrukking overbekend is, lijkt het voor de hand te liggen er maar niet lang bij stil te staan. Toch zou dat een gemiste kans zijn. Want het is best wel een prikkelende uitdrukking. Als het gebed het voornaamste is in de dankbaarheid die God van ons eist, [ppt] dan betekent dat toch dat het gebed voornamer is dan het gebod? Als dat waar is dan zou dus niet in de eerste plaats de wet, maar het gebed, het Onze Vader, de regel der dankbaarheid zijn. Als dat geen prikkelend standpunt is! En ligt in de Catechismus ook nog eens voor het oprapen. Geprikkeld door de Catechismus, zou ik de vraag kunnen opwerpen of wij dan niet veel te wettisch zijn. Zijn wij niet veel meer met de buitenkant dan met de binnenkant bezig? Zo’n preek zou mooi aansluiten bij de mening van sommige jongeren, dat er in onze kerken te weinig aandacht is voor de beleving van het geloof en teveel voor regeltjes: wat mag wel en vooral niet, in je persoonlijk leven en ook in het kerkelijk leven. Misschien herkent u dat wel.
Maar dan nog. Ik zou dan misschien niet over die uitdrukking “het voornaamste in de dankbaarheid” heen vliegen, maar toch wel naar aanleiding van die uitdrukking nog steeds in algemeenheden blijven steken: het wetticisme, dat er in de kerken teveel aandacht is voor de regeltjes en te weinig voor de beleving van het geloof. Dat is prijsschieten. Maar ik heb me laten vertellen dat op de kermis de prijzen nog goedkoper zijn dan het schieten.
Als het gebed het voornaamste is in de dankbaarheid die God van ons eist, dan gaat het niet over de vraag of dat in de kerken ook zo is, maar of dat in uw, in jouw leven ook zo is. De vraag is niet of er in de kerk wel genoeg ruimte is voor de beleving, maar [ppt] of u, of jij wel bidt. Het is wat goedkoop om te klagen over een gebrek aan beleving in onze kerken, als je zelf niet bidt. Maar misschien is ook dit wel een beetje een goedkope opmerking. Misschien moet je tussen de regels door horen, en is kritiek van jongeren op een gemis aan beleving in de kerken slechts een uiting van gemis aan beleving in hun eigen leven. En als dat zo is, dan is de vraag toch op zijn plek, of ouders, meesters en juffen, dominees hun misschien een heleboel geleerd hebben over God of over de christelijke levensstijl, maar niet of nauwelijks over hoe ze nu met hun Vader in de hemel kunnen omgaan.
Natuurlijk is het zo, dat je dan wel moet weten wie Hij is. Als de Catechismus vraagt: “Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt?”, dan geeft hij als eerste antwoord, dat je wel de enige ware God, zoals Hij Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, moet aanroepen. Om te kunnen bidden moet je dat woord dus wel kennen. Een vertrouwelijk gesprek, waarin je je hele ziel en zaligheid op tafel legt, voer je immers niet met een vreemde. Dat is tussen mensen al zo, en dat is tussen de Here en jou helemaal zo. Je kunt Hem immers niet zien. Wil je werkelijk vertrouwelijk met Hem worden, dan moet je de vertrouwelijke stukken die Hij je toestuurt wel openen. Vroeger moest je een boek opensnijden om het te kunnen lezen. Bij mijn weten was dat met Bijbels niet zo. Maar het zou wel wat zijn. Dan zou je in de eerste plaats zelf meteen kunnen zien hoe het er met je gebedsleven voorstaat. Want zonder kennis van Gods woord kun je ook niet aangenaam kennismaken met de God van dat woord. En daar komt het uiteindelijk op aan. Christen-zijn is niet: kennis hebben van God, maar kennis hebben aan God. Niet: kennis van God hebben, maar kennis van God zijn. [ppt] Wie echt tot God bekeerd is, die bidt. Het gebed is het kenmerk van de ware bekering.

Waar komt die bekering ineens vandaan? Die komt uit een Catechismuszondag eerder. Daarin werd nog wat nabeschouwd over de wet. Binnen dat kader werd de vraag gesteld: [ppt] “Maar kunnen zij die tot God bekeerd zijn, deze geboden volbrengen?” Antwoord: “Nee”. Dat roept natuurlijk als tegenvraag op: “Waarom laat God ons de tien geboden dan zo scherp prediken, als toch niemand ze in dit leven kan volbrengen?” Antwoord: “Ten eerste wil God, dat wij ons leven lang onze zondige aard steeds meer leren kennen, en daardoor nog meer begeren de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken”. Hoe doe je dat: “de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus zoeken”? Door te bidden! Dat dat de bedoeling van de Catechismus is blijkt ook duidelijk uit het “ten tweede”: “dat wij zonder ophouden ons inspannen en God bidden om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden”. Dat “ten eerste” en “ten tweede” worden door de Catechismus in de zondagsafdeling van vandaag nog eens opgehaald, als we lezen in vraag en antwoord 116, dat God zijn genade (het ten eerste) en zijn Heilige Geest (het ten tweede) alleen wil geven aan hen die Hem zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.
Daarom noemde ik het gebed het kenmerk van de ware bekering. Wie bekeerd is, is dus niet zo heilig geworden dat hij geen vergeving meer nodig heeft. Een bekeerde is niet iemand die op eigen kracht de zaligheid wel kan bereiken. Nee, het is juist omgekeerd: Wie bekeerd is beseft pas ten volle dat hij totaal afhankelijk is van Gods genade. Die heeft, in zijn pogingen ernst te maken met Gods geboden, juist ervaren dat hij die niet op eigen kracht kan houden. Een wedergeboren christen is niet iemand die bidt: “Ik dank U, dat ik niet meer zo ben als al die onbekeerden”, maar juist: “O God, wees mij, zondaar, genadig”. En de Here Jezus zegt van de tollenaar die ergens achteraf in de tempel zo bad, dat hij, in tegenstelling tot die Farizeeër, gerechtvaardigd naar huis ging (Lc.18,11.13.14). Een wedergeboren christen is dan ook geen somber mens. Hij heeft het hooguit afgeleerd al te optimistisch te zijn over zichzelf. Maar des te meer over God. Want hij heeft de vaste grond dat Die zijn gebed, ook als is hij het niet waard, om Christus’ wil zeker wil verhoren (v&a 117-3).
Die vaste grond is niet zijn gebed. Die vaste grond is de dood van Christus voor zijn zonden. Of zoals een anglicaanse bisschop uit de negentiende eeuw schreef: [ppt] “Ik geloof evenals iedereen dat wij door genade behouden worden. Maar dat iemand behouden kan worden zonder erom te vragen, dat zie ik niet in mijn Bijbel. Dat een mens vergeving van zonden zal ontvangen, die zijn hart niet op wil heffen en zeggen: “Here Jezus, geef het aan mij”, dit kan ik niet vinden. Ik besef goed dat iemand niet behouden wordt door zijn gebeden, maar ik geloof niet dat zonder gebed iemand behouden kan worden” (J.C. Ryle, Bidt u wel? Een oproep tot persoonlijk gebed, Amersfoort 41999, 6).
Deze bisschop heeft helemaal gelijk. Er staat nergens in de Bijbel dat wie de naam des Heren niet aanroept behouden zal worden (vgl. Joël 2,32; Hnd.2,21; Rom.10,13). Er staat wel in de Bijbel, van de dwaas die in zijn hart zegt: “Er is geen God”: “De naam des HEREN roepen zij niet aan, vol eigenwaan” (Ps.14:3). Zo’n dwaas kan ook iemand zijn die zichzelf als christen beschouwt. Als de vergeving van je zonden zo vanzelfsprekend voor je is geworden, dat je er niet eens meer om vraagt. Maar voor iemand die werkelijk wedergeboren is wordt de vergeving van zijn zonden nooit vanzelfsprekend. Vergeving, daar wen je nooit aan. Je wordt er juist telkens weer door verrast.

Het gebed is het kenmerk van de ware bekering. Het zou me niet verbazen als dat woord “bekering” u nog steeds een beetje stoort. Ik gebruik het echter niet alleen omdat de Catechismus het gebruikt. Ik gebruik het ook en vooral omdat de Schrift het gebruikt.
We hebben met elkaar een gedeelte uit Hnd.9 gelezen. [pp] Voor ons is dat het verhaal over de bekering van Paulus. Dat klopt ook wel. Maar waaruit bleek die bekering van Paulus? Dat hij de wijde wereld introk om het evangelie te prediken aan de heidenen? Dat hij de ene na de andere brief de wereld in zond, om de gemeenten die er door zijn prediking ontstaan waren in het geloof te versterken? Nee. We lezen van een discipel van de Here, een zekere Ananias, dat de Here tot hem zei in een gezicht: “[ppt] Ga naar de Rechte Straat en vraag daar in het huis van Judas naar iemand uit Tarsus die Saulus heet. Hij is aan het bidden”. Toen Saulus zijn toevlucht zocht tot dezelfde Here als die hem eerder aangeklaagd had, met de woorden: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij?”, toen zei de Here tot Ananias: “[ppt] Ga, want hij is het instrument dat ik uitgekozen heb”.
Wat gold voor Saulus, geldt voor alle ambtsdragers. Niet of je vurig kunt preken, goeie stukken schrijven, een ander vanuit de Schrift kunt bemoedigen of terechtwijzen, maar in de eerste plaats je gebed, dat zich aan het gezicht van hen die aan je zorg zijn toevertrouwd onttrekt, maakt je tot een uitverkoren werktuig in de hand van de Here. Niet wat de mensen van je zien in het huis des Heren of in hun eigen huis, maar wat de Here van je ziet als je thuis bent maakt je geschikt voor je ambt. Toen Jezus gedoopt werd en aan het bidden was, klonk er een stem uit de hemel: “Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde” (Lc.3,21). Zo mag ieder van u die tot God bidt er zeker van zijn dat God van je zegt: “Jij bent mijn kind. Met jou ben ik blij. Jij bent een man, een vrouw, een jongen of een meisje naar mijn hart”.

Zou die stem in uw, in jouw leven kunnen klinken, omdat Hij tot zijn vreugde ziet wat niemand ziet: “Hij is aan het bidden?” Zo’n vraag klinkt misschien een beetje als: Vast niet. Zo is het niet bedoeld. Het komt echt wel regelmatig voor dat ik mensen opbel, met de gedachte: “Ze zullen het eten nu wel ophebben”, dat ik te horen krijg: “We waren net aan het bidden”. Maar ik heb nog nooit gehoord: “Ik was net aan het bidden”. Ik zie vaak de krant van vandaag nog op tafel liggen, maar bijna nooit de Bijbel, zodat je denkt: “Ik stoor in een goed gesprek tussen een Vader en zijn kind”. Dat ik dat nooit zie zegt niet alles. Misschien zelfs niet veel. Misschien zelfs wel helemaal niks. Ik ben er ‘s morgens niet bij, als u bidt, voor u de dag begint. (Dat doet u toch hoop ik wel?) Ik ben er ‘s avonds niet bij, als u bidt, voor u gaat slapen. (Dat doet u toch hoop ik wel?) Doet er ook niet toe, dat ik daar niet bij ben. God is erbij. Wordt u, word jij daar blij van als je weet dat God erbij is als je opstaat en als je slapen gaat?

Eigenlijk zou ik moeten zeggen: Wordt Hij daar blij van, dat Hij erbij is, als je opstaat en als je slapen gaat? Want volgens de Catechismus is het gebed het voornaamste in de dankbaarheid die God van ons eist. De eerste reden waarom wij zouden moeten bidden is niet dat wij daar zo’n behoefte aan hebben, maar dat Hij daar zo’n behoefte aan heeft. God schiep de mens als zijn beeld en gelijkenis (Gen.1,26.27), d.w.z. om de aarde door zijn hand te regeren. Maar een beeld ontleent zijn kracht slechts aan Degene die het representeert. Niet in eigen kracht, maar in samenspraak met God was de mens slechts voor zijn taak berekend. Zo nu en dan hielden ze eens werkoverleg, de Schepper en zijn schepsel, als God in de avondkoelte wandelde in de hof (Gen.3,8). De mens is geschapen voor de omgang God. [ppt]

Ik wandelde, ik wandelde alleen,
ik wandelde en sprak tot den Heer:
Hij sprak en ik hoorde, en Hij hoorde en ik sprak,
en ‘k wandelde en ‘k sprak tot den Heer.

Een heel eenvoudig gedichtje van Guido Gezelle. Zo eenvoudig dat het niet eens rijmt. Maar zo stelde God Zich de omgang met ons voor. Zo is Hij Zich de omgang met ons blijven voorstellen. Want ook na de zondeval horen we keer op keer de belofte: “Ik zal in jullie midden wonen en wandelen. Ik zal jullie God zijn en jullie zullen mijn volk zijn” (Lev.26,12; 1Kor.6,16). God gaf zelfs zijn eigen Zoon om die ongecompliceerde omgang weer mogelijk te maken.

[ppt] Ongecompliceerde omgang met God, zo is het gebed bedoeld. Bidden lijkt heel gecompliceerd, als je de Catechismus zo leest. Je moet wel de enige ware God, die Zich in zijn woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen, om alles wat Hij je geboden heeft te bidden. Je moet wel je nood en ellende wel grondig kennen, om je voor het aangezicht van zijn majesteit te kunnen verootmoedigen. Je moet wel de vaste grond hebben dat Hij je gebed, al ben je dat niet waard, zeker wil verhoren, zoals Hij in zijn Woord beloofd heeft. Een heleboel mitsen en maren, lijkt het wel. Maar als je er even doorheen kijkt, dan komt het toch hierop neer: Je blijft je erover verbazen, maar bent er toch ook zeker van dat Hij het op prijs stelt als je met Hem praat en dat Hij ook nog naar je luistert. Verwondering en zekerheid. Verwondering. Want deze omgang van een schepsel met zijn Schepper, dat is toch niet normaal? Zeker niet als je jezelf een beetje kent en Hem een beetje kent. Zekerheid. Want behalve jezelf en God ken je toch ook je oudste Broer, zijn Zoon? De Catechismus zelf brengt het gebed ook terug tot die ongecompliceerde omgang van: Hij spreekt, jij hoort, Hij hoort, jij spreekt. Want het antwoord op de volgende vraag is zo eenvoudig als het maar zijn kan. “Wat heeft God ons bevolen in ons gebed van Hem te vragen? Alles wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben”. Je mag dus alles bidden wat je nodig hebt. Je mag zelfs bidden als je niks nodig hebt. Hoe vaak bellen we niet iemand, ook als we niks hebben? Gewoon even praten. Kan ook met onze Vader in de hemel. Want ook als je niks te vragen hebt, valt er genoeg te vertellen. Beter gezegd: valt er genoeg te danken.

Het heeft er even wat van weg dat het toch zo simpel niet ligt, als de Catechismus zegt dat wat wij nodig hebben door Christus al is samengevat in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft. Zo van: Christus vindt andere dingen nodig dan wij. Voordat wij beginnen met onze zaakjes, moeten we eerst bidden om Gods zaken. Eerst drie keer “uw”, dan pas drie keer “ons”. Die kant zit er inderdaad aan. Maar het is maar één kant van het verhaal. De andere kant is: [ppt] Wij moeten ons eerst met Gods zaken bemoeien, zijn naam, zijn rijk en zijn wil, voordat wij God vragen of Hij Zich met onze zaken wil bemoeien, ons brood, onze schulden, onze aanvechtingen. Het is net of wij onze neus in de zaken van God mogen steken. Toch, zo vertrouwelijk mag je omgang met Hem dus wel zijn. Het is blijkbaar niet zo dat God Zich wel redt met zijn naam, zijn rijk en zijn wil. Ik wil daar niet meer zeggen dat God zonder ons gebed zonder ons gebed zijn zaken niet kan regelen. Maar wel dat God zonder ons gebed zijn zaken niet wil regelen. Dat bidden ongecompliceerd is, betekent dus nog niet dat het vrijblijvend is.

Daarom nog maar eens: [ppt] Bidt u wel? Als u na deze preek tot de conclusie komt dat u de vertrouwelijke omgang met God eigenlijk best wel mist, dan is dat al heel wat. Maar het zou veel erger zijn als God de vertrouwelijke omgang met ons miste. Want het gebed is het voornaamste in de dankbaarheid die God van ons verwacht.

Amen.