Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Van wie ben je d'r één?
titel : Van wie ben je d'r één?
datum : 26 oktober 2003
volledige onderwerp : Zondag 01
Download deze preek.

Preek over HC zondag 1 (GZR, 26-10-03; GCS, 14-12-03; De Lier, 20-11-05; Gouda, 15-10-06; Oegstgeest, 5-11-06)

(bij het overlijden van zr. Marie Fennema – Doornbos: 2Kor.5,1 / Ps.68:8)

Ps.147:1,2
Ps.86:2,3,4 (v.m.)
1Kor.7,1-24
Ps.121:3,4
HC zondag 1
Lied 435:1,2,5
Gez.3 (n.m.)
Gebed: verkiezing van ambtsdragers
Gez.19 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Van wie ben jij d'r één? Dat is in het gewone, menselijke verkeer een heel gebruikelijke vraag. "O, ben jij d'r één van die-en-die? Aha. Ik heb nog met je vader op school gezeten". Met zo'n vraag ("van wie ben jij d'r één?") zoek je raakvlakken tussen jezelf en een ander, die je niet kent. Je zoekt iets gemeenschappelijks, iets dat je samen deelt, een aanknopingspunt voor een gesprek. Van wie ben jij d'r één? Zo probeer je iemand te plaatsen die je niet kent.
Dat is meteen ook het vervelende aan zo’n vraag. Je wordt meteen in een vakje gestopt. Dan voel je je tekort gedaan. Ook al ben je d’r één van die-en-die, je bent toch meer dan dat. Je bent vóór alles jezelf, tenminste, dat wil je graag zijn. En als je niet goed contact met jezelf kunt krijgen, zal de psycholoog helder proberen te krijgen of dat misschien dáárvan komt dat je er één van die-en-die bent. Heeft het klimaat waarin je grootgebracht bent je misschien geremd in de ontwikkeling van je gevoelsleven? Heb je misschien een te sterke vader- of moederbinding, waardoor je eigen ik zich niet kan ontplooien?
Je moet jezelf kunnen zijn. Natuurlijk weten de meeste mensen wel dat daar grenzen aan zijn. Je moeten ook met anderen rekening houden, je misschien wel eens aan hen aanpassen. Ook kan je functie in de maatschappij met zich meebrengen dat je bepaalde dingen moet laten. Je moet bijvoorbeeld de vrijetijdskleding, waarin je je lekker voelt, thuis laten en je houden aan het kledingvoorschrift van de baas. Of er wordt van je verwacht dat je de mensen vriendelijk te woord staat, ook als je de neiging hebt die zeurpiet aan de andere kant van de lijn eens goed de waarheid te zeggen. Je ontkomt er niet aan dat je soms een rol moet spelen. Maar dat moet wel een rol zijn die bij je past. Het moet geen Saulsharnas zijn, waarin je je niet kunt bewegen (1Sam.17,39).
“Je moet wel jezelf kunnen zijn”. Dat zeggen we niet alleen tegen onszelf, we zeggen het ook tegen een ander. Ook in de kerk. Misschien wel juist in de kerk. Want geloven in God is iets heel persoonlijks. De fiets en de rodekoolreceptjes mogen van oma zijn, maar het geloof niet. Dat moet iets van jezelf zijn. Als het dat niet is, is het dan wel echt? Sommigen vragen zich dat af, als ze in de kerk om zich heen kijken. Al die mensen die stil op hun stoel zitten, niet alleen als ze luisteren naar de preek, maar ook als ze zelf hun mond opendoen om te zingen, spelen zij niet een rol? Past het geloof eigenlijk wel bij hen? Is het echt iets van henzelf? Of weten ze zich geen houding te geven, zoals je dat kunt hebben, wanneer je een vreemde ontmoet? Is God misschien een vreemde voor hen? Is Jezus hun ten diepste vreemd?
Dan is er toch iets grondig mis. Want geloven in God betekent toch dat je Hem ként. Dat is meer dan weten dat Hij er is. Zoals een bekend lied uit de bundel van Joh. de Heer zingt: “Als ik Hem maar kenne, Hem de mijne weet” (JdH 126). Dat is blijkbaar hetzelfde. Als ik Hem maar kenne, d.w.z.: Hem de mijne weet. God kennen = Hem kennen als jóuw God. Om een liedje van Doe maar, een groep uit mijn jeugd, aan te halen: Hij is, Hij is van mij.

Wat dat betreft kun je aan zondag 1 meteen merken dat de Heidelbergse Catechismus niet meer van deze tijd is. Want op de vraag: “Wat is uw enige troost in leven en sterven?” geeft die als antwoord: dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom bent, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Ik ben niet van mijzelf, ik ben van Jezus. Dat is maar niet het meest vertroostende dat je kunt weten, nee, het is je énige troost. Wat in het dagelijks leven een irritante vraag is, is in het geloofsleven dé vraag waar je in dit leven een antwoord op moet zien te vinden: Van wie ben je d’r één? En dan kun je volgens de Catechismus alleen getroost leven en sterven, als je niet van jezelf bent, maar van Iemand anders. Als je kunt zeggen: Ik ben, Ik ben van Hem.
Ga met dat antwoord de straat eens op: 't beste dat je kan overkomen is dat je niet meer van jezelf bent. Dan lopen de mensen waarschijnlijk gillend weg. 't Beste? Dat is 't ergste dat je kan overkomen, dat je niet meer van jezelf bent. Het belangrijkste mensenrecht lijkt vandaag de dag het zelfbeschikkingsrecht te zijn. Niemand heeft iets over mijn leven te zeggen, ik beschik er alleen zelf over. En als 't leven pijn doet, dan beschik ik ook zelf over mijn eigen dood. Ik ben van mezelf in leven en sterven. Als je niet van jezelf bent, dan ben je je vrijheid toch kwijt? Dan heeft een ander 't over je te zeggen. Als ik van Jezus ben, dan heeft Hij 't over me te zeggen. Dan mag ik ineens niks meer. Dan mag ik zelf niet meer uitmaken wat goed en kwaad is.
Maar ik vermoed dat ook in de kerk veel mensen toch iets anders zouden antwoorden op de vraag wat je enige troost is in leven en sterven. Natuurlijk, als Jezus niet met zijn kostbaar bloed voor al onze volkomen zonden betaald had, dan hadden we geen leven. Laat staan eeuwig leven. Maar daarmee is toch niet alles gezegd? Die wetenschap is je toch pas tot troost als je daar ook gevoel bij hebt. Maar dat gevoel, daar wordt in zondag 1 met geen woord over gerept.
Nou, met geen woord… Er staat toch wel dat Jezus je door zijn Heilige Geest zekerheid geeft en je van harte bereid maakt om voortaan voor Hem te leven. Wat dat inhoudt wordt in het derde deel van de Catechismus breder uitgewerkt. Maar toch, die dingen blijven ondergeschikt aan het antwoord: “Mijn enige troost is: Ik ben, ik ben van Hem”.
Zou u, zou jij dat nog als eerste zeggen op de vraag wat je enige troost in leven en sterven is? Ik denk dat toch ook veel mensen iets zouden zeggen: dat God altijd bij je is; dat Hij van je houdt en voor je zorgt; waar je dat in je leven aan gemerkt hebt. Dat soort dingen. Als iemand je aan de praat wil krijgen over wat het geloof voor je betekent, dan wil je misschien het liefst wat kwijt over hoe je leven veranderd is sinds Jezus in je leven kwam. Zoals Paulus dat ergens doet in één van zijn brieven: “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij” (Gal.2,20). Dat je niet meer over Jezus kunt praten buiten jezelf om. Hij is een deel van jezelf geworden. Als je het hebt over Jezus, dan heb je het over jezelf. Hij in mij en ik in Hem (Joh.6,56; gebed uit het klassieke avondmaalsformulier). Ik ben, ik ben van Hem? Prima. Maar dat is toch pas echt waar als je ook het omgekeerde kunt zeggen: Hij is, Hij is van mij. Zoals het Liedboek dat lied uit Joh. de Heer vertaalt heeft: “Als Hij maar van mij is en ik ben van Hem” (Lied 455).

Nu verwacht u misschien dat ik het nu voor de Catechismus ga opnemen. Dat ga ik inderdaad doen. Maar laat ik dan bij voorbaat het misverstand uit de weg ruimen dat ik, door het voor de Catechismus op te nemen, die zegt dat mijn enige troost is dat ik van Jezus ben, medebroeders en –zusters zou afvallen die zeggen: Jezus is van mij. Want hoe kan de belijdenis dat jij van Christus bent je tot troost zijn als die belijdenis je niet raakt? Ik heb geen enkele behoefte een soort valse tegenstelling te creëren tussen: “Ik ben van Jezus”, en: “Jezus is van mij”.
Dat zeg ik nu. Ik heb dat niet altijd gezegd. Ik herinner me een preek die ik als rondprekend student gehouden heb, waarin ik de kreet slaakte: “Niet Christus is van mij, maar ik ben van Christus. Niet ik neem Jezus in mijn hart, Jezus neemt mij in zijn hart”. Dat klinkt wel heel stoer-gereformeerd, maar de Catechismus zelf zegt toch onbekommerd dat ik niet van mijzelf ben, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Dat klinkt heel persoonlijk en heel vertrouwelijk. Een stuk persoonlijk en een stuk vertrouwelijker dan aanduidingen als: “de God van het verbond” en “de Christus”, die tientallen jaren het vrijgemaakte jargon gestempeld hebben. En nog steeds kom je tegen dat de wenkbrauwen gefronst worden bij zo’n regel uit het Liedboek: “Als Hij maar van mij is en ik ben van Hem”. Dat zou arminiaans zijn of evangelisch. In elk geval niet gereformeerd. Nu, als dat niet gereformeerd is, dan zou het gereformeerd moeten zijn. Nog afgezien van het feit dat het gewoon zo in de Catechismus staat: “mijn trouwe Heiland Jezus Christus”, ik kan me niet voorstellen hoe het je werkelijk tot troost kan zijn dat je het eigendom bent van de trouwe Heiland Jezus Christus, als je niet over je lippen kunt krijgen dat het jouw trouwe Heiland Jezus Christus is.

Wél is de vraag, wanneer je dat dan kunt zeggen: “mijn trouwe Heiland Jezus Christus”. Kun je dat pas zeggen, als je dat ook zo voelt? Nog sterker: ben jij pas van Jezus, als Jezus van jou is? Dat wordt wel gezegd. In bevindelijk gereformeerde kring bijvoorbeeld. Daar onderscheidt men tussen “voorwerpelijk” en “onderwerpelijk”. Dat is tale Kanaäns voor objectief en subjectief, in z’n algemeenheid en persoonlijk. In de vrijgemaakte prediking is daar vanaf het begin tegen gefulmineerd. Zo kwam ik in een bundel Catechismuspreken van vlak na de Vrijmaking een preek van ds. Douwe van Dijk tegen over zondag 1, waarin hij zegt: “En dan is het weer niet zo, dat (je) God hoort spreken in het algemeen van de mogelijkheid van verlossing, zodat (je) eerst “voorwerpelijk” gelooft in die verlossing, terwijl daar dan later bij komt, dat (je) God hoort spreken van verlossing voor (jou) persoonlijk, wat (je je) dan “onderwerpelijk” zou toe-eigenen”.
Ook al kunnen wij ons bij zulke taal misschien weinig meer voorstellen, in samensprekingen met andere gereformeerde kerken speelt deze kwestie nog steeds. Dan zegt men in onze richting: “Bij jullie zijn alle gedoopten kinderen van God. Dat is echter je reinste verbondsautomatisme. Want kind van God ben je pas echt als je door de werking van de Heilige Geest Christus als je Verlosser aanvaard hebt”.
Dat verwijt vindt ook binnen onze eigen kring weerklank bij broeders en zusters die echt proberen als kind van God te leven. Zij lopen soms stuk op de oppervlakkigheid en de lauwheid van hun medebroeders en –zusters. Waar merk je nou aan dat ook dat kinderen van God zijn? Zouden we niet wat zuiniger moeten zijn met die woorden “kind van God”? Zou je die naam niet moeten bewaren voor mensen aan wie je echt merkt dat ze van de Here houden? Voor mensen die Hem liefhebben met hart en ziel? Die toonbeelden zijn van naastenliefde? Kortom: voor hen die echt gáán voor God en zijn geboden? Het geeft toch te denken dat uit onderzoeken blijkt dat vrijgemaakte jongeren bijna zonder uitzondering geloven dat ze een kind van God zijn, omdat dat er in hun geloofsopvoeding ingeramd is? Maar ondertussen lezen ze nauwelijks in de Bijbel, onderscheiden ze zich in hun levensstijl in maar heel weinig dingen van hun niet-gelovige leeftijdgenoten. Ja, in hun kerkgang misschien. Maar verder? Zou het niet beter zijn de naam “kind van God” te reserveren voor die jongeren die belijdenis van hun geloof afgelegd hebben en er ook naar leven?
Toch geloof ik dat dit middel erger is dan de kwaal. Daarmee ontkent ik de kwaal niet. Een kwaal waar trouwens niet alleen jongeren aan lijden. Maar hoe kun je die kwaal bestrijden? Hoe kan ik die kwaal bestrijden? Dat is de vraag waar elke predikant, in de week doordat hij de preekstoel bestijgt – als het goed is – mee worstelt? Moet ik ook maar op de toer van sommige van mijn christelijk-gereformeerde collega’s gaan, door onderscheid te gaan maken tussen bekeerden en onbekeerden? Dat onderscheid bestaat toch? Zeker. Dat onderscheid bestaat. Ik maak me geen enkele illusie dat u allemaal bekeerd zou zijn. Al was het alleen omdat ik er bij tijden wel eens aantwijfel of ik zelf wel bekeerd ben. Als ik er al kom, dan is dat letterlijk een godswonder. Maar als ik er niet kom, dan niet omdat het niet voor mij was, omdat ik wel gedoopt ben, maar er stiekem toch niet bij hoor. Ik twijfel aan een heleboel dingen, maar niet aan feit – het feit! – dat ik een kind van God ben. Ik baal soms enorm van mezelf, van dingen die ik zeg of doe. Ik vind die dingen vooral erg omdat ik Gods kind ben. Als Hij mijn Vader niet zou zijn, zou ik me tegenover Hem ook niet hoeven schamen. Maar Hij is mijn Vader en daarom vind ik mijn zonden zo erg. Hij houdt van mij, maar ik ben zijn liefde niet waard. Moet ik ook zou gaan zeggen: “Je bent pas kind van God, als je Jezus als je Verlosser aangenomen hebt”? Ik héb Jezus als mijn Verlosser aangenomen, niet één keer, niet twee keer, ik heb meer het idee dat Jezus me weer aan ziet komen. Maar ben ik dus een kind van God? Het lijkt er toch niet op? Maar ik ben het. Omdat Christus met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft. Hij hééft dat. Het is toch onzin om te gaan zitten beweren dat Hij pas met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen gaat betalen, als ik Hem eerst als mijn Verlosser aanneem? Hij is eenmaal voor mijn zonden gestorven, al bijna 2000 jaar geleden. Toen riep Hij het uit: “Het is volbracht”. Voor wie riep Hij dat? Voor Zichzelf? Was het een uiting van opluchting, dat zijn taak er opzat? Nee! Zijn werk voor ons: voor mij, voor jou, voor u, dat was volbracht. Als dat niet zo was, dan had Jezus voor zijn beurt geroepen. Dat maak je ervan als je zegt: God is pas je Vader als jij zijn kind bent. Waar slaat dat op?! Men wil toch niet beweren dat God ons pas als zijn kind aanneemt nadat wij Hem als onze Vader hebben aangenomen? Sinds wanneer neemt een kind iemand tot vader aan? Dat is dwaasheid. Kinderen adopteren niet een vader, een vader adopteert kinderen. Wie durft te beweren dat ik niet tegen u, tegen jullie mag zeggen dat u, dat jij niet door God geadopteerd bent, die moet ook durven zeggen dat Jezus Christus niet voor al uw, al jullie zonden volkomen betaald heeft. Dat kan wel. Maar dan kleed je het evangelie uit tot een onpersoonlijke, algemene waarheid. Dan is Jezus slechts voor de zonden gestorven. Wie z’n zonden? Tja…
Ik zeg dit niet alleen tegen bevindelijke broeders die graag zouden willen dat ik zo preekte, ik zeg het ook tegen u, tegen jou, als je met hen geneigd bent wat zuiniger te zijn met het gebruik van de naam “kind van God”. Terecht verlangt u naar vruchten van de Geest die welig tieren in het midden van de gemeente. Terecht meent u dat er iets grondig mis is, als er in de gemeente schaarste is aan geestelijke gaven. Terecht maakt u zich zorgen, als u bij medebroeders en –zusters zo weinig voelt van liefde voor God. Ik zou bijna zeggen: Als u al verontrust bent over ontwikkelingen binnen onze kerken, laat het dan hierom zijn: dat er steeds minder vruchten zichtbaar worden van geloof en bekering. Maar geeft u dat het recht zich af te vragen of die medebroeders en –zusters wel kinderen van God zijn? Waarom zou u dat dan wel zijn? Omdat die vruchten van de Geest er bij u wel zijn? Omdat God bij u iets goeds gevonden heeft dat Hij bij anderen node miste? Zonder Christus’ dood aan het kruis was u, met al uw gaven, toch ook nergens gebleven?
Ik geloof er niks van dat verbondsautomatisme gekweekt zou worden door te kwistig om te springen met de erenaam “kind van God”. Het is juist omgekeerd. Zolang je niet gelooft dat God zijn Zoon ook voor jou gegeven heeft, voel je je ook niet schuldig over je zonden. Want als God je Vader niet is, kun je Hem ook geen verdriet doen met je zonden. Pas als het tot je doordringt dat de God die jij altijd op een afstand gehouden heb al die tijd je Vader was, ga je ook beseffen hoeveel verdriet je Hem eigenlijk al die tijd gedaan hebt. Als je weet hoeveel God van je houdt, zoveel, dat Hij zijn eigen Zoon een gruwelijke dood liet sterven, ja Hem liet stikken, omdat Hij jou wilde, dat Hij maar niet in zijn algemeenheid de wereld zo lief had, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren zou gaan, maar eeuwig leven hebben, maar dat Hij jou zo liefhad opdat jij eeuwig leven zou hebben, dan pas voel je je geroepen om die God je hart te geven. Zoals een lied uit het Liedboek je wil laten zingen: “Zou ik U niet beminnen, Heer? Mij blijft geen andre keuze meer” (Lied 406:4).

De Catechismus is geschreven voor de jeugd van de kerk. En het eerste dat de gereformeerde kerken hun jeugd al viereneenhalve eeuw uit zijn hoofd laat leren is: “Mijn enige troost is dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald”. Ook al is het een worst van een zin, ze stampen het er maar in. Laat ze de tanden maar stukbijten op dit evangelie in een notendop. Ook al gaat er wel wat tijd overheen voor ze die woorden allemaal kunnen plaatsen en ook al gaat er een leven èn een sterven overheen voor ze ontdekt hebben dat dit inderdaad je enige troost is.
Ik ben niet van mezelf, ik ben van Jezus. Niet alleen mijn ziel is van Jezus, ook mijn lichaam. Dit lichaam waar ikzelf misschien helmaal niet tevreden mee ben. Dit lichaam dat me plaagt, waarin ik me soms opgesloten voel. Maar ook dit lichaam, met al z’n gebreken, gaf Hij zijn leven voor. En je mag het mee zeggen met Job: “Ook al is mijn lichaam nog zo geschonden, uit dit mijn vlees zal ik God aanschouwen” (Job 19,26). Menselijk leven, waarvan sommigen schamper opmerken: “Wat is daar nog de kwaliteit van?”, was kostbaar in Gods oog. Hij kocht het op met het lichaam en bloed van zijn eigen Zoon. Jezus, “koopman in oud roest”, noemde de dichter Gerrit Achterberg Hem.

“Gij zijt gekocht en betaald”, zegt de apostel Paulus de Catechismus voor, in het gedeelte dat we uit zijn eerste brief aan de Korintiërs gelezen hebben. Hij schrijft dat in een stuk over huwelijk en echtscheiding. Wat heeft dat met elkaar te maken? Het feit dat je getrouwd bent, het feit dat je nog niet getrouwd bent, het feit dat je niet meer getrouwd bent èn het feit dat je gekocht en betaald bent?
Alles! Je kunt soms het gevoel hebben dat je leven gedomineerd wordt door je slechte huwelijk of door het gemis dat sinds de echtscheiding in je leven kwam. Maar is dat wel zo? Het woord domineren is afgeleid van het latijnse woord voor Heer. Maar je man of je vrouw is je heer toch niet? Je hebt toch maar één Heer, en dat is Jezus Christus? Dan laat je je leven toch niet be-heer-sen door ietsen of iemanden die je Heer helemaal niet zijn? Als je al een slaaf bent, dan toch niet meer van je man of je vrouw, je ex-man of je ex-vrouw, maar van Jezus Christus.
Het lijkt of Paulus, zodra hij tot deze diepte doorgestoten is, het hele onderwerp van huwelijk en echtscheiding vergeten is. Want hij begint ineens over besneden zijn en onbesneden zijn, slaaf of vrij man zijn. Maar dat is maar schijn. Hij wil juist laten zien dat als je de dingen beleeft vanuit je verbondenheid met Christus, veel meer dingen heel betrekkelijk worden dan huwelijk en echtscheiding.
“Gij zijt gekocht en betaald”. Laat je daarom niet langer beheersen door mensen die je heer niet zijn. Weet je alleen het eigendom van Jezus Christus. Dan blijven er een heleboel dingen onvolmaakt. En dat kan voorlopig, wat jou betreft ook zo blijven. Ik denk dat Paulus dat bedoelt als hij tot drie keer schrijft: Laat ieder voor God blijven wat hij was op het moment dat hij geroepen werd. De dingen hoeven niet eerst te veranderen, wil je gelukkig kunnen zijn. Ja, een heleboel dingen hoeven niet meer zo nodig. Want je hebt het ware geluk in Jezus gevonden. Natuurlijk, als je jezelf kunt verbeteren, dan moet je het niet laten. Zoals een slaaf die vrij kon komen die kans natuurlijk met beide handen moest aangrijpen. Maar als je die kans niet krijgt kun je in Christus toch vrij man zijn. En omgekeerd kan een vrij man een slaaf van zijn werk, van zijn geld, van mensen zijn.

Bij de inwijding van de Vrije Universiteit in 1880 sprak Abraham Kuyper de historische, geladen woorden: “en geen duimbreed is er op heel ’t erf van ons menschelijk leven, waarvan Christus, die áller Souverein is, niet roept: “Mijn!” Maar ik zou daar aan toe willen voegen: Christus roept allereerst: “van Mij!”, als Hij denkt aan degenen voor wie Hij als de goede Herder zijn leven ingezet heeft. Wij hebben geen wetten voor alle terreinen des levens, zoals de Joden, maar wij hebben een Heer in alle situaties des levens.“Van Mij”, roept Jezus, van Joden zowel als Grieken, besnedenen zowel als onbesneden, slaven zowel als vrijen, werkgevers zowel als werknemers, werkhebbenden zowel als werklozen, gezonden zowel als zieken, rijken zowel als armen, jongen zowel als ouden, ouders zowel als kinderloze echtparen, sterken zowel als zwakken, mannen zowel als vrouwen, hetero’s zowel als homo’s, gehuwden zowel als ongehuwden. En als Hij roept: “van Mij!”, laat ons antwoord daarop dan zijn: “Wat ik ook ben, ik ben in de eerste plaats van Hem”.

Amen.