Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Hej 't al eheurd?
titel : Hej 't al eheurd?
datum : 30 januari 2011
volledige onderwerp : Zondag 43
Download deze preek.

Preek over HC zondag 43 (Den Ham, 30-1-11)

Gez.167
L Spr.12,13-25
Ps.63:3,4
T HC zondag 43
Ps.37:12,13
Gez.70 (na apostolische geloofsbelijdenis)
Lied 92:1,5,6 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Hand in hand, kameraden, hand in hand, voor Feyenoord 1. [ppt] Geen woorden maar daden, leve Feyenoord 1”. Het is een lied dat past bij een voetbalclub van havenarbeiders: niet kletsen, maar poetsen. Daarom zal het pijn doen in Rotterdam-Zuid als de woorden de daden overheersen.
Maar je hoeft geen Feyenoorder te zijn om je aangesproken te voelen door dat motto: “Geen woorden, maar daden”. Want wat stellen woorden voor, als ze niet omgezet worden in daden? Van alleen maar woorden, woorden, woorden word je doodmoe. [ppt] “Praatjes vullen geen gaatjes”, zegt de volksmond. Vandaar dat er bij het volk zoveel afkeer bestaat van wat is gaan heten: “Haags gedoe”. Maar wat nu Haags gedoe heet, heette vroeger Rooms gedoe. Wij moesten vroeger voor Latijn het spreekwoord leren: [ppt] senatu deliberante Saguntum periit (terwijl de senaat debatteerde, ging Saguntum verloren). De senaat in Rome kon het er maar niet over eens worden of de Spaanse stad Saguntum ontzet moest worden. Maar terwijl het debat nog gaande was, nam Hannibal de stad al in.
Pas tijdens het schrijven aan deze preek kwam ik er achter hoeveel spreekwoorden er van het kaliber “geen woorden, maar daden”, “praatjes vullen geen gaatjes” en “senatu deliberante Saguntum periit” er eigenlijk zijn. Blijkbaar is de afkeer van lege woorden de mens van alle tijden en plaatsen eigen. Het sterkst komt dat misschien wel uit in het Nederlandse spreekwoord: [ppt] “Spreken is zilver, zwijgen is goud”.
Het negende gebod lijkt goed in dat rijtje spreekwoorden te passen: [ppt] “Leg geen vals getuigenis af”. Toch zit daar geen afkeer van woorden als zodanig in. De Catechismus legt in elk geval uit dat het verbod op lege woorden in feite een gebod tot volle woorden is. Geen vals getuigenis betekent niet: helemaal geen getuigenis. [ppt] Je moet juist wel getuigen: in rechtszaken en in álle andere handelingen. ‘Handelingen’, dat is een wat plechtig woord voor ‘daden’. Je daden moeten dus woorden zijn. Ze moeten ergens van spreken.
Waarvan? Dat duidt de Catechismus wat vaag aan. Om getuige te kunnen zijn moet je “de waarheid” liefhebben. Maar wat de Catechismus met “de waarheid” bedoelt? Gewoon, dat als je zegt dat iets zo is, het ook echt zo is? Of schemert toch ook het woord van Christus erdoorheen: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven” (Joh.14,6)? Kun je de waarheid pas spreken als de waarheid in eigen persoon kent? Ik weet niet of de opstellers van de Catechismus dat bedoeld hebben. Ik hoop het wel. De Catechismus zegt in elk geval wel dat negende gebod betekent: “dat ik oprecht spreek en belijd”. Ik houd het er dan ook maar op dat dat niet twee dingen zijn: oprecht spreken en oprecht belijden, maar dat die twee dingen ten diepste één zijn. Alleen als je belijdt dat Jezus de waarheid is heeft je spreken inhoud. Pas als je belijdt dat Jezus de weg is, wijst je spreken de weg. Pas als je belijdt dat Jezus het leven is, schenken je woorden leven. Zonder Jezus zijn je woorden leeg. Zonder Jezus blijven je woorden dood. Want zonder Hem kun je niets zeggen (vgl. Joh.15,5).
Het negende gebod roept ons op te getuigen van de waarheid. Maar hoe kun je daarvan getuigen, als je haar niet ontvangen hebt? Hoe zul je spreken, als je niet eerst gehoord hebt? Ik vat de verkondiging van het negende gebod dan ook zó voor u samen: [ppt]

Hej ‘t al eheurd?

“Hej ‘t al eheurd?” Dat is voor Hammenaren natuurlijk een gevleugeld woord. Er staat zelfs een beeldje op de Brink dat het voorstelt. [ppt]Toch lijkt dat beeldje iets anders te bedoelen dan ik met het thema van deze preek. Want ook al staat dat beeldje vlak voor de hervormde kerk, dat ene mannetje lijkt toch niet te vragen of dat andere mannetje het woord al “heurd” heeft. Hij bedoelt: “Hej ‘t al eheurd… van die-en-die”. En die-en-die is niet Jezus. Het beeldje op de Brink is een illustratie bij een woord uit het Bijbelboek Speuken. Niet bij één van de Spreuken die we gelezen hebben: “Een dwaas denkt dat hij de juiste weg gaat, wie wijs is, luistert naar goede raad”, maar bij een Spreuk uit een ander hoofdstuk: “De woorden van de lasteraar zijn als lekkernijen; zij glijden immers af naar de schuilhoeken van het hart” (18,8).
Dat is best wel een pijnlijke Spreuk. Want waarom zijn nou juist woorden van een lasteraar als lekkernijen die afglijden naar de schuilhoeken van het hart? Waarom zijn de woorden van eeuwig leven die Jezus heeft niet als lekkernijen die afglijden naar de schuilhoeken van het hart? Terwijl je hart juist staat voor de bron van je leven. Waar het hart vol van is, vloeit de mond dan ook van over. Vandaar dat het Spreukenboek ergens zegt: “Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven” (4,23). Want als de bron van je leven al vervuild is, zal je hele leven vervuild raken. Wat zou het heerlijk zijn als Christus met zijn Geest je hart vervulde. Want dan zou je hele leven rein worden. Maar in plaats daarvan laten we liever sappige verhalen over anderen dan Christus naar de schuilhoeken van ons hart afglijden. Dat zijn pas echt lekkernijen. Waarom nou?
Ik kan er niets anders dan een bewijs van de veelgesmade waarheid van zondag 3 van de Catechismus in zien: dat wij van nature geneigd zijn God en onze naasten te haten. Nu, zolang dat gezegd wordt van de mens in het algemeen, kun je het daar misschien nog wel mee eens zijn. Maar het moet niet van jou in het bijzonder gezegd worden. Toch moet elk kind dat op catechisatie wel zo leren: ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Als je het daar diep in je hart niet mee eens bent, omdat je wel slecht doet, maar daarmee nog niet slecht bent, is het omgekeerde dan wel waar: dat het je aard is God en je naaste lief te hebben? Als dat je aard zou zijn, zou je je moeten herkennen in de beschrijving die Paulus geeft van de liefde, in het veelgeprezen 1 Korintiërs 13: “De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwade niet aan, ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze” (1Kor.13,4-7). Ben jij dat? Waarom spits je dan je oren als je iets verdrietigs over een ander kunt horen? Of ken jij, anders dan de liefde, wel afgunst? Schuif je daarom wat dichter naar iemand toe die fluistert: “Hej ‘t al eheurd”? Omdat je, anders dan de liefde, geen vreugde vindt in de waarheid, maar in het onrecht bij de ander?
Wat ik nu ga zeggen is geen oproep tot vandalisme. Maar als er dan toch een beeld vernield moest worden omdat het zijn gewicht in brons waard is, waarom dan niet de prater uit Den Ham in plaats van [ppt] de denker van Rodin?
En toch, ook al is de denker mij meer lief dan de prater, om christen te kunnen zijn moet je niet een denker zijn, maar een hoorder. Misschien had u had u verwacht dat ik zou zeggen: om christen te kunnen zijn moet je geen denker, zijn maar een doener. Zegt Jakobus immers niet in zijn brief: “Vergis u niet: alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen” (Jak.1,22)? Zeker, dat zegt hij. Maar pas nadat hij gezegd heeft: “Broeders en zusters, onthoud dit goed: ieder mens moet zich haasten om te luisteren, maar traag zijn om te spreken” (Jak.1,19). Want het doen is uit het horen. Voor Joden en moslims mag de belangrijkste vraag die ze zichzelf en anderen kunnen stellen zijn: “Hej ’t al edoan?” Maar voor christenen is de belangrijkste vraag die ze zichzelf en anderen kunnen stellen [ppt]: “Hej ’t al eheurd?”
Men zegt wel eens: Je hebt in de kerk denkers en doeners. De doeners zijn even hard nodig als de denkers. Misschien zijn de doeners misschien zelfs wel harder nodig dan de denkers. Want wat koop je voor visie als die niet uitmondt in actie? Maar hoe waar dat ook mag zijn, als die denkers en die doeners niet beiden hoorders zijn, kunnen we hun gaven in de kerk niet gebruiken. Want zowel visie als actie moeten ontspringen aan het horen van het woord van God.
Nu is dat zo’n bekende kreet, dat het geen overbodige luxe is er even wat langer bij stil te staan. Want wat is dat dan: het woord van God? De Bijbel? De preek? En wat is dat dan: horen naar het woord van God? Lezen in de Bijbel? Luisteren naar de preek? Het is toch echt wat meer. Want dat woord van God is niet iets, maar Iemand. De evangelist spreekt over het woord immers als over een persoon: “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God” (Joh.1.1). Ook die woorden zijn zo bekend, dat velen ze automatisch al uitleggen als: “In het begin van de Zoon, de Zoon was bij God en de Zoon van God”. Maar ondertussen verbazen we ons er niet meer over dat de Zoon het Woord genoemd wordt. Toch, als Hij het woord is, dan moeten wij hoorders zijn.
Nu denkt u misschien: “Maar dat Woord is toch mens geworden? Daardoor was Het toch niet alleen hoorbaar, maar ook zichtbaar en tastbaar?” Dat is waar. Maar was Het daardoor niet langer het Woord? Was Jezus slechts het Woord als Hij sprak? Nee, Hij was ook het Woord als Hij niet sprak. In zijn doen en laten wás Hij het Woord van God: een niet alleen hoorbaar, maar ook zichtbaar en tastbaar getuigenis van wie God is en van wat mensen zouden moeten zijn. Het Woord is mens geworden, en juist zo Woord gebleven.
Hoe was Hij dan het Woord? Dat lijkt een rare vraag. Toch valt er heel wat op die vraag te antwoorden. Onder anderen dit: “Hij is het Woord omdat Hij hoort”. Dat antwoord lijkt nog raarder dan de vraag. Want een woord kan wel gehoord wórden, maar een woord hoort over het algemeen zelf niet. Toch geldt dat van Christus wel. Want Hij die het Woord is, zegt tegen hen die niet in Hem geloven Zichzelf: “Ik heb veel over u te zeggen en veel in uw nadeel, maar ik zeg tegen de wereld wat ik gehoord heb van hem die mij gezonden heeft, en hij is betrouwbaar” (Joh.8,26). Tegen hen die wel in Hem geloven zegt Hij: “Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb” (Joh.15,15). Het Woord dat Jezus in eigen persoon is, is een vraag: “Hej ’t al eheurd?”
Het zal duidelijk zijn dat Hij dan heel wat anders bedoelt dan die beide mannetjes op de Brink. Want als Hij die vraag stelt, bedoelt Hij: “Ben jij één en al oor voor Mij, zoals Ik één en al oor ben voor God?” Hij vraagt dat aan mensen die niet één en al oor zijn voor God. Als die mensen dan maar wel één en al oor zijn voor Hem. Om ons te maken tot hoorders van Hem die het Woord is, schenkt Hij ons zelfs zijn Geest. Want in zijn afscheidsrede zegt Hij: “Ik heb jullie nog veel meer te zeggen, maar jullie kunnen het nog niet verdragen. De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort” (Joh.16,12.13). Die Geest maakt ons dus niet tot wat we al zijn: sprekers, maar tot wat we nog niet zijn: hoorders.
Zijn de woorden die we overal in deze wereld horen misschien zo leeg, omdat het woorden van mensen zijn die wél namens zichzelf spreken? Ik ben bang van wel. Symptomatisch is misschien wel de populariteit van het medium Twitter. Omdat ik er zelf niet aan doe, geef ik maar even de info die de internetencyclopedie er over geeft: “De basisvraag van de(ze) dienst was oorspronkelijk: “Wat ben je aan het doen?”, en is nu: “Wat gebeurt er?” Iedere twitteraar kan op elk moment van de dag in maximaal 140 tekens vertellen waar hij mee bezig is, wat hij van plan is of wat hem bezighoudt. Er zijn ook mensen die vooraf aankondigen dat zij bij een evenement aanwezig zijn en met anderen, al dan niet aanwezig bij het evenement, willen twitteren. Dit creëert een virtuele aanwezigheid. Het gebruik van de Twitter-dienst kost geen geld, afgezien van de kosten van de communicatie via bijv. SMS. De gebruikers geven de firma Twitter echter waardevolle informatie over zichzelf, hun bezigheden en gewoontes en hun sociale netwerk”.
Dat die informatie voor de firma Twitter vanuit commercieel oogpunt waardevol is, kan ik begrijpen. Maar wat is er voor jezelf zo waardevol aan anderen te informeren over jezelf, je bezigheden en je sociale netwerk? Ik vraag dat omdat ik al vanaf het begin van deze preek mij een woord uit Spreuken 12 bezighoudt: [ppt] “Wie iets goeds zegt, voedt zich met zijn eigen woorden”. Omdat dit een Spreuk is, is de eerste reactie die je erop geeft verkeerd: dat een wijze iemand zou zijn die zichzelf graag hoort praten. Om de waarheid van deze Spreuk te vinden, moeten we dus een spade dieper graven. Dan is het een woord met een geheim: “Wie iets goeds zegt, voedt zich met zijn eigen woorden”. Zegt u wel eens zoiets goeds? Woorden waarmee je jezelf voedt?
Ik kan me er als dominee wel iets bij voorstellen. Want hoe zou ik u met mijn woorden kunnen voeden, als mijn woorden mezelf niet voedden? Maar ik zeg er meteen bij dat mijn woorden mezelf alleen voeden, als het niet mijn woorden zijn, maar de woorden van Hem die niet van zichzelf spreekt, maar spreekt wat Hij hoort: de Geest van Hem die zelf slechts sprak wat Hij hoorde. Alleen dan kun je blij worden van wat je zelf zegt. Want wat je wilt geven aan anderen, wordt jezelf ook gegeven. Terwijl je spreekt, mag je horen.
Voelt u aan wat het verschil is met Twitteren, of in rond Nederlands: kwetteren? Je hoeft geeft Twitteraar te zijn, om toch een kwetteraar te zijn. Want of je nu twittert of kwettert, in beide gevallen wil je gehoord wórden. Die behoefte zit heel diep bij ons mensen. Ook in de kerk lijkt het soms belangrijker gehoord te worden dan te horen. Maar wie wordt er gevoed door jouw woorden? Wie wordt er bemoedigd door jouw meningen? Misschien heb je wel heel veel volgers. Misschien heb je wel heel veel medestanders. Maar kun je je voorstellen dat je je eigen volger bent? Kun je je indenken dat het woord dat die ander moet horen het woord is dat je zelf zo nodig hebt? Al die woorden die mensen de wereld in slingeren zijn ze leeg, omdat de schrijvers ervan wel sprekers zijn, maar geen hoorders. Om spreker te kunnen zijn, moet je eerst hoorder zijn. Niet tegen een ander, maar tegen jezelf moet je kunnen zeggen: “Hej ’t al eheurd?”
Dat is echt wel te leren. Ga maar eens hardop Bijbellezen. Dan wordt het misschien voor het eerst een vreugde om naar jezelf te luisteren. Omdat je niet jezelf, maar God hoort spreken. Misschien ontdek je dan ook het geheim van die andere woorden die we uit het Spreukenboek gelezen hebben. Bijvoorbeeld: [ppt] “De woorden van een dwaas zijn dolkstoten, wat de wijze zegt, brengt genezing”. En: “Kommer maakt een mens neerslachtig, een hartelijk woord beurt hem op”. Hoe kunnen woorden niet alleen opbeuren, maar zelfs genezing brengen? Dat kan alleen als ze ook jezelf opbeuren, omdat ze ook jezelf genezen. Zulke woorden zijn geen vals, maar een waar getuigenis: woorden die Jezus Christus, de betrouwbare getuige (Opb.1,5) had kunnen spreken en door jou alsnog spreekt.

Zijn daarmee die andere spreekwoorden van tafel: “Spreken is zilver, zwijgen is goud”, en: “Geen woorden, maar daden”? Helemaal niet. Dat spreken soms zilver is, maar zwijgen goud, dat wist de Spreukendichter ook. We hoorden hem immers ook zeggen: [ppt] “Een dwaas toont onmiddellijk zijn woede, wie verstandig is, zwijgt als hij beledigd wordt”. Waarom is zwijgen dan goud? Omdat Christus dat ook deed, toen Hij beledigd werd? Inderdaad. Maar er is ook één belangrijk verschil tussen Christus en ons. Want de beledigingen die Hij om de oren kreeg waren per definitie valse getuigenissen. Maar dat zijn de beledigingen die wij om de oren geslagen krijgen niet altijd. Ze doen immers vooral zeer als ze waar zijn. Zwijg in dat geval om te horen: de woorden waarmee je naaste je aanklaagt omdat je het verdiend hebt, en de woorden waarmee Christus je vrijspreekt terwijl je het niet verdiend hebt.
En dat andere spreekwoord dan: “Geen woorden, maar daden”? Uiteindelijk moeten we toch hoorders van het woord zijn om daders van het woord te worden? Inderdaad. Maar dan nog steeds daders van het Woord (met een hoofdletter). Onze woorden moeten daden worden, maar onze daden moeten woorden blijven. Er moet iets aan af te horen zijn: de stem van Hem die zelf het Woord is.

Amen.