Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Steel niet, want je bent rijk
titel : Steel niet, want je bent rijk
datum : 23 januari 2011
volledige onderwerp : Zondag 42
Download deze preek.

Preek over HC zondag 42
(Grijpskerk, 10-9-2000; Niezijl, 24-9-2000; Oldehove, 28-8-02; GZR, 11-9-05;
Lisse, 29-4-07; Zoetermeer, 6-5-07; opnieuw bewerkt voor Den Ham, 23-1-11)

Ps.128:1,2
L Lc.15,11-32
Ps.16:1,3,5
L 1Kor.3,16-23
Ps.100
T HC zondag 42
Lied 350
Gez.179a
Ps.62:4,5,6 (na collecte)

Gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters,

“Steel niet, want je bent rijk, schatrijk”. Wat zou u ervan vinden als ik m’n preek zo zou beginnen? Slaat dat ergens op? Nou, hangt er natuurlijk vanaf tegen wie je ‘t zegt. Ik herinner mij van vroeger dat wij thuis een lp hadden liggen van een appèldag van het GPV in de Jaarbeurs in Utrecht. Een plaat met samenzang onder begeleiding van de gereformeerde fanfare uit Blija, en een opname van een toespraak van Jongeling, waarin hij de politieke actualiteit van de tien geboden uiteenzet. Bij het achtste gebod zegt hij dat de overheid de inflatie binnen de perken moet houden. “Anders steelt zij van de mensen het geld!” Ik begreep daar helemaal niks van. Inflatie? Nooit van gehoord. Toch herinner ik mij die passage nog als de dag van gisteren, omdat er een daverend applaus losbarstte. Dat begreep ik wel. Jongeling bedoelde waarschijnlijk: De overheid moet met zijn vingers van onze portemonnee afblijven. Dat was koren op de molen van het aanwezige vrijgemaakte publiek. Jongeling zelf vond dat applaus waarschijnlijk niet zo denderend, want je kon horen dat hij reageerde met woorden die hij niet gepland had. “Maar dat geldt ook van ons!” En toen zei hij iets in de trant van dat wij de overheid ook kunnen bestelen. Door te sjoemelen met onze belastingaangifte of zoiets. En je voelt gewoon, als je naar die opname luistert, dat de mensen toen dachten: “We kunnen het niet maken nu niet te klappen”. Een aarzelend applaus steeg op uit de speaker van ons mono-pickup-je. Wat mij betreft een onvergetelijk moment. Je de handen stuk klappen als Jongeling rept van een rijke overheid die arme mensen besteelt, en een mager applausje voor het fatsoen als Jongeling de rollen omkeert.
“Steel niet, want je bent rijk, schatrijk”. Dat slaat ergens op in de politiek. En dan denk ik nog niet eens zozeer aan de Nederlandse overheid, als wel aan presidenten als Ben Ali van Tunsie, die hun land leegplunderen om de familiekas te spekken. Dat slaat ook wel ergens op in de economie. Denk eens aan bedrijven die door de crisis personeel moeten ontslaan, waarvan de topmannen nog steeds de ene bonus na de andere opstrijken. Maar “steel niet, want je bent rijk, schatrijk”, slaat dat ook ergens op in de kerk?
In de kerk betekent “rijk” namelijk heel iets anders dan in de wereld. Als een dominee uitroept: “Broeders en zusters, wij zijn rijk, schatrijk”, dan is er niemand die na de dienst snel in zijn bankafschriften gaat kijken. In de kerk slaat “rijk” voor ons gevoel op geestelijke zegeningen waarmee God ons in Christus gezegend heeft (Ef.1,3). “Rijk” heeft in de kerk niks met geld te maken. Hier kan een rijke arm zijn, en een arme rijk. Hier kan een onafhankelijk assurantie-adviseur een arme sloeber zijn, en een afhankelijk kindje een rijke stinkerd.
In de kerk worden pasgeboren kinderen slapend rijk. “Want”, zegt het formulier dat voorgelezen wordt bij de bediening van de heilige doop aan de kinderen der gelovigen, “evenals onze kinderen zonder het te weten deel hebben aan de veroordeling in Adam, zo worden zij ook zonder het te weten in Christus uit genade tot Gods kinderen en erfgenamen aangenomen”. God neemt je dus, als zijn kind, op in zijn testament. Tegen ieder die de heilige doop ontvangen heeft zegt God, wat die vader uit de gelijkenis van de verloren zoon zei tegen zijn oudste zoon: “Maar jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou” (Lc.15,31).
Stel je eens voor: God is altijd bij je, en alles wat van Hem is, is van jou. Wat is dan allemaal van Hem? Ps.24 zingt:

De aarde is, met al wat leeft,
met al wat zij aan schatten heeft,
het wettig eigendom des Heren.

Dus het wettig eigendom des Heren is het wettig eigendom van allen die God tot zijn kinderen en erfgenamen heeft aangenomen? Gaat dat niet wat te ver? Die woorden: “Maar jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou”, die komen toch niet voor niets uit een gelijkenis? Die mag je toch niet zomaar uit zijn verband rukken, en laten slaan op ieder die gelooft?
Nu, dat is in zijn algemeenheid wel waar, ware het niet dat we Paulus tegen de Korintiërs hetzelfde horen zeggen als die vader uit de gelijkenis van de verloren zoon tegen zijn oudste zoon. Paulus schrijft: “Wereld, leven of dood, heden of toekomst – alles is van u”. Je bent geen onbetekenend radertje in deze wereld. Je bent maar geen graankorrel die vermalen wordt tussen de molenstenen van leven en dood. Nee, het is juist omgekeerd: Alles staat ten dienste van jou. De wereld, leven en dood, heden en toekomst, ze moeten allemaal jou dienen.
Misschien kunt u het nog niet geloven, als ik dit zo zeg. Denkt u: “Maar dominee laat wel wat weg. Want Paulus schrijft niet alleen: “wereld, leven of dood, heden of toekomst – alles is van u”, maar ook: “Paulus, Apollos of Petrus – alles is van u”. Maar je kunt toch niet zeggen dat Paulus, Apollos of Petrus van ons zijn, die veel later leven? Blijkt hier niet, dat je ook dit woord niet uit het verband mag rukken, en dat het vooral slaat op de situatie in Korinte, waarin de één met Paulus wegliep, de ander met Apollos en weer een ander met Petrus, onder de leus: “Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! En ik van Petrus!” (1Kor.1,12)?
Nou inderdaad, die partijschappen in Korinte waren voor Paulus wel de aanleiding om die grote woorden neer te schrijven: “Alles is van u”. Paulus keert de leuzen van de Korintiërs om. Niet: “Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! En ik van Petrus!”, maar: “Paulus is van mij! Apollos is van mij! Petrus is van mij!” Daarmee bedoelt hij: Jullie moeten geen dienaren van mensen als Paulus, Apollos en Petrus zijn. Het is juist omgekeerd. Paulus, Apollos en Petrus zijn er om jullie te dienen. Niet jullie moeten hen dienen, zij moet jullie dienen.
Maar wat begon als een antwoord op een heel specifieke situatie wordt nu bij Paulus een algemene regel. Maar niet Paulus, Apollos en Petrus zijn van jullie, nee, álles is van jullie. De hele schepping, zij draait om jullie. Paulus spreekt hier zo algemeen, dat het hier onmogelijk alleen maar over de bijzondere situatie in Korinte kan gaan. En daarom mag ik ook tot u, die gelooft, zeggen: Alles is van u. Wereld, leven of dood, heden of toekomst, het is allemaal van u.
Dat klinkt absurd. Maar deze woorden zijn in de Bijbel geen uitzondering. Ps.8 zingt bijvoorbeeld over de mens:

U hebt hem bijna een god gemaakt,
hem gekroond met glans en glorie,
hem toevertrouwd het werk van uw handen
en alles aan zijn voeten gelegd:

schapen, geiten, al het vee,
en ook de dieren van het veld,
de vogels aan de hemel, de vissen in de zee
en alles wat trekt over de wegen der zeeën.

Ja, we vinden de hooggestemde woorden van Paulus in 1Kor.3 en de geëxalteerde lofzang van Ps.8 al op de eerste bladzijde van de Bijbel, waar de schepping beschreven wordt als gericht op de mens. Om voor hem woonruimte te creëren scheidt God het licht van de duisternis, het water onder de hemelkoepel van het water boven de hemelkoepel, het droge van de zee. Zo krijgt de mens een dak boven zijn hoofd, en grond onder de voeten. Absurd hè, om de lucht te zien als het plafond, en de aarde als de vloer van een woonhuis. Ja, het wordt in Gen.1 nog veel absurder. Op de vierde dag hangt God zon, maan en sterren aan het uitspansel, als de lampen aan het plafond van een huis. Hij vult de schuur met groente en fruit, en de stal met vee, als Hij op de derde dag de aarde jong groen laat voortbrengen, zaadgevend gewas, vruchtbomen, die naar hun aard vruchten dragen, en op de zesde dag de aarde levende wezens voort laat brengen, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard. En als alles op de komst van de mens is ingericht zegt God: “‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt”.
“Alles is van u”. We lezen deze woorden dus niet pas bij Paulus, maar al op de eerste bladzijde van de Bijbel. Als we ze echter bij Paulus nog steeds lezen, dan betekent dat, dat dat dus nog steeds zo is. “Alles is van u”, dat is dus maar geen sprookje uit een ver verleden, maar Gods plan, dat Hij doorzet, alsof er geen zondeval geweest is. Waar haalt Paulus het vandaan? Wat is het geheim van zijn hooggestemde woorden?
Dat geheim verklapt hij, als hij vervolgt: “Alles is van u, maar u bent van Christus”. Alles staat ten dienste van jou, als jezelf helemaal ten dienste van Christus staat. Alles is jouw eigendom, als je jezelf het eigendom weet van je trouwe Heiland, Jezus Christus.
Eigenlijk willen we niet van een ander zijn. Wij willen van onszelf zijn. Wij willen niet heersen als beeld van God, maar als God zelf. Niet in naam van God, maar in naam van onszelf. Niet tot meerdere glorie van God, maar tot meerdere glorie van onszelf. Niet in Gods kracht, maar in eigen kracht. Zo storten we onszelf in de lichamelijke en geestelijke dood.
Maar Christus zoekt ons op, als wij ons volkomen rampzalig hebben gemaakt (NGB art.17). Hij zoekt ons op? Hij koopt ons op! Hij betaalt met zijn sterven, om ons te laten erven. Want alleen wie eigendom is mag eigendom hebben. Alleen wie eigendom is, mag straks eigenaar zijn.

Gaan we het nou nog eens over het achtste gebod hebben? Daar hebben we het de hele tijd al over. Al vanaf de eerste zin van deze preek: “Steel niet, want je bent rijk, schatrijk”. Eigendom van Christus, dus erfgenaam van alles. Als je zo rijk bent, bepaald dat ook je denken over mijn en dijn. Wie het testament, dat bij zijn doop voorgelezen is, ingekeken heeft, maakt zich niet zo druk meer om die goeie baan, dat beste inkomen, dat leuke huis, de nieuwste generatie iPads en iPhones, de laatste mode. Want dat is allemaal heel betrekkelijk geworden.
Nu zullen ook veel mensen die niet geloven wel zeggen dat geld heel betrekkelijk is. “Geld maakt niet gelukkig”, dat is zo’n beetje een spreekwoord geworden. Wel een beetje een hypocriet spreekwoord, trouwens. Het is een spreekwoord dat alleen rijken zich kunnen veroorloven. Een arme zul je dat niet horen zeggen: “Geld maakt niet gelukkig”. Want alleen mensen die wél geld hebben, weten uit ervaring dat het niet gelukkig maakt. Waarom niet? Een reclamespotje brengt dat eigenlijk genadeloos onder woorden: “Sommige dingen zijn onbetaalbaar. Voor de rest: Eurocard Mastercard”. Maar het zijn juist die onbetaalbare dingen die gelukkig maken: verliefdheid, liefde, de geboorte van je kinderen, geborgenheid, begrip, een zonnige dag, gezondheid. En juist dat geluk is zo vluchtig. Je kunt er niet de hand op leggen. Het glipt je tussen de vingers door. Het breekt je bij de handen af. Lucht en leegte, noemde de Prediker dat.
Maar een christen noemt bezit en geluk niet lucht en leegte, omdat het slechts eilandjes zijn in een leven dat midden in de dood ligt. Niet de dood relativeert ons bezit, maar het leven. Wie erfgenaam is van het eeuwige leven maakt zich niet zo druk om nu zijn zakken te vullen. Die maakt zich er ook niet zo druk om dat zijn laatste jas straks geen zakken heeft. “Alles is immers van u”, heeft de Here tegen hem gezegd. Dan leef je je leven als Abraham, die van de Here de opdracht kreeg: “Kom, doorkruis het land in zijn volle lengte en breedte, want aan jou zal ik het geven” (Gen.13,17). Dan is het niet zo’n ramp nog even als vreemdeling en bijwoner door het leven te moeten gaan.
Als je van jezelf bent maakt de dood je geluk relatief. Maar als je het eigendom van Jezus Christus bent maakt het léven je óngeluk relatief. Niet geluk is betrekkelijk, maar ongeluk.

Volgens de catechismus zou een preek over het achtste gebod vooral moeten gaan over hebzucht. Het stelen en roven dat de overheid straft stapt de catechismus maar snel overheen. Dat spreekt voor zich. Vervolgens wijdt de catechismus breed uit over het gesjoemel van de melkboer die fluitend zijn melk een beetje aanlengt (“bedrog met gewicht, maat, waar en munt”). Maar stoot uiteindelijk door naar ons hart: onze hebzucht, onze jaloezie om wat een ander wel heeft, en jij niet. Want zoals de Schrift al zegt: de wortel van alle kwaad is geldzucht (1Tim.6,10). Maar ik zeg er wel bij dat die wortel op zijn beurt weer een wortel heeft. De wortel van de geldzucht is dat wij ons geen eigendom meer weten. De wortel van het materialisme is dat wij ons geen erfgenamen meer weten. En dat is nog veel erger.
De kerk zit hier vanmiddag vol met erfgenamen. Want ieder die het eigendom is van Jezus Christus is erfgenaam. Sterker nog, ook ieder die het eigendom was van Jezus Christus is erfgenaam. “Dat wordt dan nog dringen op de jongste dag”. Helemaal niet. Onze toekomst is samen genoeg hebben, als we samen bij onze Heer zijn. Wij hebben nu de tijd om daarvoor te oefenen. Je beoefent het achtste gebod niet door niet te stelen, maar door wel te delen.

“Steel niet”. Maar Jezus steelt wel. Hij komt als een dief in de nacht, om inbreuk te plegen op ons bezit èn om inbreuk te maken op ons gebrek.

Amen.